artikel uit Mobiel 5, oktober/november 2000

Hechtingsproblematiek is genuanceerdeer

Door: Carmelita Reyveld, Erik Roetman en Simonette de Vries,
            gedragsdeskundigen Stichting Jeugdzorg Rotterdam

In Mobiel nr. 2 april/mei 2000 schreef Myrthe van Druten een bijdrage voor de serie Vreemd Gedrag!? over hechtingsproblematiek tussen pleegouder en pleegkind. Haar artikel geeft een aardig idee van vragen die er spelen rond hechtingsproblematiek en van verschillende gangbare theorieën. Toch zijn de auteurs van deze reactie van mening, dat gezien de vele onderzoeksresultaten op dit gebied, het beeld genuanceerder is. Het is een pleidooi om hechtingsproblematiek niet als een statisch gegeven te beschouwen.

Helaas maakt Myrthe van Druten geen onderscheid tussen kinderen met een hechtingsstoornis en onveilig gehechte kinderen. Zij lijkt het in haar bijdrage eerder te hebben over de pathologische (= ziekelijke), moeilijk omkeerbare toestand van niet gehecht zijn - de zogenaamde reactieve hechtingsstoornis - dan een makkelijker keerbare toestand van onveilige hechting. Dit onderscheid is wel van belang, hoewel er thans ook aanwijzingen zijn, dat bijvoorbeeld door gebruik van video-hometraining een zo zware stoornis als de reactieve hechtingsstoornis te behandelen is.

Van de 'gewone, gemiddelde' kinderen blijken er 30 tot 50% onveilig gehecht te zijn. Kinderen, die op één moment een bepaald hechtingspatroon laten zien kunnen bij een nieuw onderzoek een half jaar later onder een andere categorie vallen. Ook kan een kind veilig gehecht zijn aan de ene persoon en onveilig aan de andere. Andersom kan één en dezelfde ouder een onveilig gehecht kind hebben terwijl het broertje of zusje wel veilig gehecht is. Men moet dus erg voorzichtig zijn met conclusies verbinden aan een beeld van veilige c.q. onveilige hechting.
Ook mag men niet teveel waarde hechten aan één onderzoeksmoment, maar is langdurige observatie van het kind nodig.
Onderbelicht blijft in het stuk van Myrthe van Druten, dat onveilige hechting niet altijd een oorzakelijk verband hoeft te hebben met de stijl van opvoeders. In de praktijk blijkt namelijk dat kinderen soms onveilig gehecht kunnen zijn hoewel beide ouders sensitief en responsief reageren.
In die zin is nog lang niet duidelijk hoe een onveilige hechting ontstaat. Er is wel onderzoek gedaan om te kijken wat factoren kunnen zijn die meespelen: zo noemt van IJzendoorn de factor dat ouders die onveilig gehecht zijn kunnen op hun beurt weer kinderen hebben die onveilig gehecht zijn. Al met al lijken er meer bepalende factoren te zijn (bijvoorbeeld ook in de omgeving) dan waar we op dit moment zicht op hebben.
Daarnaast is ook met de constatering van onveilige hechting nog niet gezegd, dat een kind zijn plaats in een gezin, in de wereld niet kan vinden. Meerdere onveilig gehechte kinderen lijken er in hun jeugd, dan wel later, weinig tot geen last van te hebben. Deze constatering legt een wissel op de grote nadruk, die het al dan niet veilig gehecht zijn nogal eens krijgt.

Daar waar men vaak spreekt van problemen met onveilig gehechte pleegkinderen, bedoelt men meestal met kinderen met een hechtingsstoornis. Al kan men discussi‘ren
over de definitie van een hechtingsstoornis, er wordt met deze term toch een ernstiger beeld bedoeld dan die van onveilige hechting. We moeten er bij deze kinderen voor oppassen niet te snel de conclusie te trekken, dat het hier om een niet te verhelpen stoornis gaat, waar men mee moet leren leven. In de praktijk zien we vaak, dat kinderen met de diagnose van een reactieve hechtingsstoornis toch doorgroeien en een acceptabele relatie aangaan met anderen.
Opvallend zijn bijvoorbeeld de onderzoeken naar Roemeense weeskinderen, die in Engeland geadopteerd zijn. Jaren later blijkt dat veel van deze kinderen geen enkele vorm van een hechtingsstoornis laten zien, sommigen een milde vorm en slechts een beperkt deel van hen een ernstige hechtingsstoornis heeft.

Wij pleiten ervoor hechtingsproblemen niet als stoornis, maar als kwetsbaarheid te zien. Wij zijn het met Myrthe van Druten eens, dat pleegouders goed ingelicht moeten worden over het pleegkind en dat het van belang is naar hun verwachtingen te kijken, die niet te hoog mogen zijn. De enige manier om een kind, dat niemand durft te vertrouwen te helpen is om het een relatie aan te bieden met een volwassene, die wel betrouwbaar is. Hierin moet inderdaad niet teveel terugverwacht worden, en we zullen het tempo van het kind moeten volgen. We zullen oog moeten hebben voor wat we aan continuoteit kunnen bieden, qua personen, maar ook qua omgeving (soms dat juist als eerste). Beetje bij beetje kunnen we aan meer zekerheden en vertrouwen werken. En dan nog zal het ene kind het makkelijker oppikken dan het andere.
We beseffen, dat we met deze bijdrage eerder handvatten afnemen dan aanbieden. Toch doen we dat liever dan met uitgangspunten te werken, waar grote vraagtekens bij te zetten zijn en waarmee we veel kinderen tekort doen. We willen blijven zoeken hoe we de groei van kinderen kunnen stimuleren. Het is niet de gemakkelijkste weg, wel heel bevredigend als je toch iets verder komt.