In Mobiel nr. 2 april/mei 2000 schreef
Myrthe van Druten een bijdrage voor de serie Vreemd
Gedrag!? over hechtingsproblematiek tussen pleegouder en pleegkind.
Haar artikel geeft een aardig idee van vragen die er spelen rond hechtingsproblematiek
en van verschillende gangbare theorieën. Toch zijn de auteurs
van deze reactie van mening, dat gezien de vele onderzoeksresultaten
op dit gebied, het beeld genuanceerder is. Het is een pleidooi om
hechtingsproblematiek niet als een statisch gegeven te beschouwen.
Helaas maakt Myrthe van Druten geen onderscheid tussen kinderen
met een hechtingsstoornis en onveilig gehechte kinderen. Zij lijkt
het in haar bijdrage eerder te hebben over de pathologische (= ziekelijke),
moeilijk omkeerbare toestand van niet gehecht zijn - de zogenaamde
reactieve hechtingsstoornis - dan een makkelijker keerbare toestand
van onveilige hechting. Dit onderscheid is wel van belang, hoewel
er thans ook aanwijzingen zijn, dat bijvoorbeeld door gebruik van
video-hometraining een zo zware stoornis als de reactieve hechtingsstoornis
te behandelen is.
Van de 'gewone, gemiddelde' kinderen blijken er 30 tot 50% onveilig
gehecht te zijn. Kinderen, die op één moment een bepaald
hechtingspatroon laten zien kunnen bij een nieuw onderzoek een half
jaar later onder een andere categorie vallen. Ook kan een kind veilig
gehecht zijn aan de ene persoon en onveilig aan de andere. Andersom
kan één en dezelfde ouder een onveilig gehecht kind
hebben terwijl het broertje of zusje wel veilig gehecht is. Men moet
dus erg voorzichtig zijn met conclusies verbinden aan een beeld van
veilige c.q. onveilige hechting.
Ook mag men niet teveel waarde hechten aan één onderzoeksmoment,
maar is langdurige observatie van het kind nodig.
Onderbelicht blijft in het stuk van Myrthe van Druten, dat onveilige
hechting niet altijd een oorzakelijk verband hoeft te hebben met de
stijl van opvoeders. In de praktijk blijkt namelijk dat kinderen soms
onveilig gehecht kunnen zijn hoewel beide ouders sensitief en responsief
reageren.
In die zin is nog lang niet duidelijk hoe een onveilige hechting ontstaat.
Er is wel onderzoek gedaan om te kijken wat factoren kunnen zijn die
meespelen: zo noemt van IJzendoorn de factor dat ouders die onveilig
gehecht zijn kunnen op hun beurt weer kinderen hebben die onveilig
gehecht zijn. Al met al lijken er meer bepalende factoren te zijn
(bijvoorbeeld ook in de omgeving) dan waar we op dit moment zicht
op hebben.
Daarnaast is ook met de constatering van onveilige hechting nog niet
gezegd, dat een kind zijn plaats in een gezin, in de wereld niet kan
vinden. Meerdere onveilig gehechte kinderen lijken er in hun jeugd,
dan wel later, weinig tot geen last van te hebben. Deze constatering
legt een wissel op de grote nadruk, die het al dan niet veilig gehecht
zijn nogal eens krijgt.
Daar waar men vaak spreekt van problemen met onveilig gehechte pleegkinderen,
bedoelt men meestal met kinderen met een hechtingsstoornis. Al kan
men discussi‘ren
over de definitie van een hechtingsstoornis, er wordt met deze term
toch een ernstiger beeld bedoeld dan die van onveilige hechting. We
moeten er bij deze kinderen voor oppassen niet te snel de conclusie
te trekken, dat het hier om een niet te verhelpen stoornis gaat, waar
men mee moet leren leven. In de praktijk zien we vaak, dat kinderen
met de diagnose van een reactieve hechtingsstoornis toch doorgroeien
en een acceptabele relatie aangaan met anderen.
Opvallend zijn bijvoorbeeld de onderzoeken naar Roemeense weeskinderen,
die in Engeland geadopteerd zijn. Jaren later blijkt dat veel van
deze kinderen geen enkele vorm van een hechtingsstoornis laten zien,
sommigen een milde vorm en slechts een beperkt deel van hen een ernstige
hechtingsstoornis heeft.
Wij pleiten ervoor hechtingsproblemen niet als stoornis, maar als
kwetsbaarheid te zien. Wij zijn het met Myrthe van Druten eens, dat
pleegouders goed ingelicht moeten worden over het pleegkind en dat
het van belang is naar hun verwachtingen te kijken, die niet te hoog
mogen zijn. De enige manier om een kind, dat niemand durft te vertrouwen
te helpen is om het een relatie aan te bieden met een volwassene,
die wel betrouwbaar is. Hierin moet inderdaad niet teveel terugverwacht
worden, en we zullen het tempo van het kind moeten volgen. We zullen
oog moeten hebben voor wat we aan continuoteit kunnen bieden, qua
personen, maar ook qua omgeving (soms dat juist als eerste). Beetje
bij beetje kunnen we aan meer zekerheden en vertrouwen werken. En
dan nog zal het ene kind het makkelijker oppikken dan het andere.
We beseffen, dat we met deze bijdrage eerder handvatten afnemen dan
aanbieden. Toch doen we dat liever dan met uitgangspunten te werken,
waar grote vraagtekens bij te zetten zijn en waarmee we veel kinderen
tekort doen. We willen blijven zoeken hoe we de groei van kinderen
kunnen stimuleren. Het is niet de gemakkelijkste weg, wel heel bevredigend
als je toch iets verder komt.