artikel uit Mobiel 2, april/mei 2000

De kans op hechten in een pleeggezin

Vreemd Gedrag!?

Door: Myrthe van Druten
psychologe en gedragstherapeute en vrbonden aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, afd. Ontwikkelingspsychologie

De verschillende manieren waarop ouders of verzorgers met hun kinderen omgaan kunnen leiden tot een 'veilige' of een 'onveilige hechting'.
Pleegkinderen, waarvan de ouder(s) niet of in wisselende mate hebben kunnen voldoen aan de vraag van het kind om contact en bescherming, ontwikkelen vaak een onveilige hechtingsrelatie met hun opvoeders.
De manier waarop zij dat uiten kan van kind tot kind verschillen: van vlak affectief gedrag tot uiterst brutaal gedrag. Voor pleegouders is het niet gemakkelijk een relatie met dit pleegkind op te bouwen. Myrthe van Druten beschrijft in haar bijdrage aan de serie 'Vreemd Gedrag!?' de verschillende factoren die een rol kunnen spelen in het al dan niet slagen van die hechtingsrelatie tussen pleegouder en pleegkind.

Ieder kind dat geboren wordt, bezit al één vaardigheid: het maken van contact met de omgeving. De grote ogen van een pasgeborene zoeken vanaf het eerste moment de omgeving af, op zoek naar iemand die hem of haar kan verzorgen.
In de meeste gevallen zijn dat de ouders, met tegenwoordig daarnaast vaak de oppas of de medewerkers van een kinderdagverblijf.
De manier waarop de opvoeders op het kind reageren, is van grote invloed op de ontwikkeling van het kind. Zo wordt in de eerste jaren bij het kind een basisidee gevormd van hoe mensen zullen reageren als je in nood bent en wordt vertrouwen of wantrouwen gevormd. Dit is op zijn beurt weer van invloed bij het opbouwen en onderhouden van relaties in latere leeftijdfases: immers, iemand die niet leert dat anderen voor hem of haar klaarstaan wanneer hij of zij daar behoefte aan heeft, zal geneigd zijn zich gereserveerd op te stellen in het contact met anderen.

Hechting

Veel gedragsdeskundigen hebben onderzoek gedaan naar de relatie tussen een kind en zijn of haar eerste verzorger. Zij vertellen ons dat de wijze waarop ouders gevoelig zijn voor de behoeften van hun kinderen (sensitiviteit) en de mate waarin ze daarop reageren (responsiviteit) van groot belang zijn voor de ontwikkeling van het kind. Het gedrag van een kind in contact met anderen vertelt ons op zijn beurt hoe de ouders of belangrijkste verzorgers op hem of haar hebben gereageerd.
De verschillende manieren waarop ouders of verzorgers met hun kinderen omgaan kunnen leiden tot wat genoemd wordt een 'veilige' of een 'onveilige hechting'. Onder veilige hechting wordt een goed contact verstaan, waarbij de ouder het kind constant het gevoel heeft gegeven er te zijn als het de ouder nodig heeft. Volgens deskundigen is er dan sprake geweest van voldoende sensitiviteit en responsiviteit van de ouder. Kinderen die te maken hebben gehad met een ouder die niet of in wisselende mate (afhankelijk van de stemming of de problematiek van de ouder) aan de vraag om contact en bescherming heeft kunnen voldoen, ontwikkelen een onveilige hechtingsrelatie met hun opvoeders.
Binnen de onveilige hechting worden drie typen onderscheiden. Deskundige onderzoekers kunnen aan de hand van het gedrag van het kind en de houding van de ouder ten overstaan van dit kind bepalen hoe en in welke mate de ouders of verzorgers in de eerste levensjaren op dit kind hebben gereageerd.

Scheidingsangst

Kinderen die in de vroegste periode van hun leven de ervaring hebben opgedaan dat er iemand voor hen heeft klaargestaan wanneer dat nodig was, leren zich tot deze persoon te richten en op hem of haar te rekenen. Dit leidt over het algemeen tot eenkennig gedrag: de kinderen verzetten zich door zich te overstrekken, te huilen of zich af te wenden als zij door vreemden worden benaderd of vastgehouden. Dit gedrag wordt scheidingsangst genoemd. De bovengenoemde uiting van angst stopt als het kind door de voor hem of haar bekende volwassene wordt opgepakt en vastgehouden. De meest bekende eenkennige periode ligt rond het eerste levensjaar. Kinderen die nooit enige vastigheid in het contact met één of enkele volwassenen hebben gekend, zal het ontbreken aan eenkennig gedrag in hun ontwikkeling.
Het gedrag dat kinderen laten zien bij de scheiding met ouders is afhankelijk van de ervaring die zij hebben opgedaan in hun eerste levensjaar met de voor hen belangrijkste personen. Sommige kinderen zullen geen angst of verdriet tonen bij scheiding van hun verzorger en zich zonder probleem tot een vreemde richten. Andere kinderen vertonen verzet, maar laten zich bij terugkeer van hun verzorger niet door hem of haar troosten: zij weren deze af of negeren hem of haar. Weer een ander kind laat een meer wisselend en verstoord gedrag zien, zoals het zich geheel in zichzelf keren, zichzelf slaan of de agressie op anderen of omgeving te richten.

Hoe zit dat met pleegkinderen?

Pleegkinderen zijn op een zeker moment in hun leven gescheiden van hun ouders. Deze scheiding op zich kan zelfs al een dermate traumatiserend effect hebben dat hechting in een pleeggezin niet meer mogelijk blijkt. In veel gevallen gaat een pleeggezinplaatsing echter tevens gepaard met een traumatische ervaring, zoals de dood van de ouders, echtscheiding, mishandeling of verwaarlozing. Zowel de scheiding van de ouder(s) als de traumatische ervaring die hieraan vooraf gaat, zijn negatieve ervaringen waar noch het kind, noch de ouder om gevraagd heeft.
Daarnaast wordt in een aantal van de uithuisplaatsingen het kind eerst in een gezin geplaatst, dat hem of haar slechts voor korte tijd op kan vangen (crisisplaatsing). Van dit gezin, waarmee het kind de eerste tranen rondom de uithuisplaatsing verwerkt, moet het kind vaak binnen zes weken weer afscheid nemen om vervolgens weer in een ander gezin een plekje te verwerven.
Het opbouwen en onderhouden van contacten met volwassenen waarvan je als pleegkind afhankelijk bent, is niet te omschrijven zonder dat daarbij de angst om afgewezen te worden in acht wordt genomen. Zoals Martine Delfos reeds eerder beschreef in het artikel 'Een negatieve spiraal door pleegangst' in MOBIEL (december 1998), moet een kind, dat lang in stress geleefd heeft zich heel lang veilig voelen voordat zijn of haar lichaam een hoger reactieniveau afleert.
De mate waarin een kind angst ervaart, is gedeeltelijk aangeboren. Een kind in de pleegsituatie heeft daarnaast reeds angsten van scheiding met de ouders en eventueel anderen moeten meemaken. Naarmate een kind meer veranderingen (bijvoorbeeld door meerdere pleeggezinplaatsingen) en dus (scheidings)stress heeft ervaren, is het logisch dat het kind zich sneller aan de nieuwe situatie aanpast. Dit kan leiden tot (zeer) vlakke reacties, weinig enthousiasme en het nauwelijks laten zien van affectieve reacties. Ook het tegenovergestelde als het vertonen van agressief en brutaal gedrag is niet ongewoon. Veel reacties zijn gebaseerd op de angst (weer) door volwassenen te worden afgewezen.
Bovengenoemde gedragingen zijn voor pleegouders vaak moeilijk te hanteren. Zij ervaren weinig grip op het kind of de jongere te hebben. Het kind reageert hier vaak op door (nog) extremer gedrag te vertonen. Dit maakt het opbouwen van een relatie voor zowel de pleegouder als het pleegkind er niet gemakkelijker op.

Het slagen van een plaatsing in een pleeggezin

Bij het bespreken van het thema hechting in het kader van pleeggezinplaatsingen dient een onderscheid gemaakt te worden tussen tijdelijke (perspectiefzoekende) plaatsingen en langdurige (perspectiefbiedende) plaatsingen. Bij kortdurende plaat-singen wordt een terugplaatsing in het gezin van herkomst of doorplaatsing naar een meer definitieve verblijfplaats (perspectiefbiedend pleeggezin of internaat) nagestreefd. Hechting aan (een van) de pleegouder(s) wordt hierbij niet als doel gesteld en leidt over het algemeen tot het behoud van een emotionele afstand tussen pleegouders en pleegkind. Bij langdurige plaat-singen speelt hechting bij het slagen van een pleeggezinplaatsing vaak wel een rol, al is het alleen maar in het verwachtings-patroon van de pleegouders.
Het slagen van een perspectiefbiedende plaatsing in een pleeggezin is afhankelijk van verschillende factoren. Allereerst is de houding van de pleegouder(s) van groot belang. Wat verwachten de pleegouders van het pleegkind en zijn deze verwachtingen reëel? Om de haalbaarheid van de verwachtingen te kunnen inschatten, is het van belang om de voorgeschiedenis van het kind te kennen. Vanuit de voorgeschiedenis en bestudering van het gedrag van het kind kunnen deskundigen een inschatting maken van de mogelijkheden van het kind om al dan niet een relatie met een pleegouder aan te gaan. De pleegouders kunnen op deze wijze behoed worden voor eventuele teleurstellingen in het contact met hun pleegkind.
De leeftijd waarop een kind uit huis geplaatst is in combinatie met de omstandigheden waarin het tot die tijd geleefd heeft, spelen een rol in de kansen op het slagen van een pleeggezinplaatsing. Grofweg kan aangaande de leeftijd gesteld worden, dat hoe jonger het kind was bij de uithuisplaatsing, hoe groter de kans is dat de plaatsing binnen een pleeggezin zal slagen. Daarbij moet wel de kanttekening worden gemaakt, dat een uithuisplaatsing in de periode tussen zes maanden en drie jaar een schadelijke breuk met de hechtingsfiguur kan betekenen. Dit kan ten gevolg hebben dat het kind in zijn of haar ontwikkeling blijft hangen op de mogelijkheden die het kind op het moment van uithuisplaatsing had. Meer positief ingestelde onderzoekers en hulpverleners stellen dat de eerste jaren meer een 'gevoelige' dan bepalende periode zijn voor de ontwikkeling aangaande contactopbouw en -behoud met anderen. Zij zijn ervan overtuigd dat kinderen tot de leeftijd van zes á zeven jaar alsnog een basisvertrouwen kan worden aangereikt, van waaruit zij relaties met anderen kunnen aangaan. De invloed van de omstandigheden waarin het kind heeft moeten leven is moeilijker te beschrijven. Verwaarlozing, psychiatrische problematiek bij de ouder(s), verslaving van (een der) ouders, mishandeling, seksueel misbruik: het zijn allemaal risicofactoren die het ontwikkelen van een veilige hechtingsrelatie met de ouder in de weg staan. Zoals hiervoor is beschreven, wordt hierdoor het leven van het kind op sociaal en emotioneel gebied getekend. Het opbouwen van een hechtingsrelatie met pleegouders is dan niet of nauwelijks meer haalbaar, doordat de capaciteit van het kind om te hechten als het ware 'onbenut' is gebleven.

Contact tussen de ouders en pleegouders

Hoe de kwaliteit van de hechtingsrelatie met de ouders ook is, het overgrote deel van de pleegkinderen voelt zich sterk met hen verbonden. Op het moment dat zij zich thuis beginnen te voelen bij de pleegouders, kan dit leiden tot het ervaren van loyaliteitsconflicten: op dat moment uiten zij naar beide ouderparen de wens om bij hen te willen zijn. Eerder heeft Else-Marie van den Eerenbeemt hier het een en ander over geschreven in het augustusnummer van MOBIEL in 1999.
Als de relatie tussen de ouders en pleegouders niet van positieve aard is en dit naar de kinderen toe geuit wordt, kan dit leiden tot een splitsing van gevoelens en daaraan gekoppeld gedrag: het kind laat ten aanzien van alle betrokken volwassenen aanhankelijk gedrag zien en vertelt hen dat zij bij de betreffende willen blijven. Dit leidt vaak tot gevoelens van verwarring en onrust bij de ouders en pleegouders. En het kind? Het kind is alleen maar op zoek naar aandacht, liefde en duidelijkheid over een plek waar het kan wonen.

Noot
Met dank aan: Petra Bastiaensen, orthopedagoge bij Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant, Martine Delfos, psychotherapeute en schrijfster, en Marianne Riksen-Walraven, hoogleraar Pedagogiek van de kinderopvang aan de Universiteit van Amsterdam, tevens verbonden aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, afdeling Ontwikkelingspsychologie.