De kranten staan er vol
mee: artikelen over het toenemend geweld in de
samenleving. We spreken in dit verband ook wel van
'sociaal onvaardig' of 'sociaal incompetent' gedrag,
pesten is daar een voorbeeld van op kinderleeftijd.
Pleegkinderen lopen meer risico op pesten en gepest
worden door de afwijkende situatie waarin zij
leven.
Onze veranderende maatschappij speelt
een grote rol in de toename van negatief sociaal gedrag
van kinderen. Agressieve reacties, waarvan pesten een
voorbeeld is, komt volgens velen veel meer voor vroeger.
Agressie kan ernstige gevolgen hebben, zowel voor de
sociaal-emotionele ontwikkeling van de pester als die van
het slachtoffer, de gepeste. Kinderen die al op jonge
leeftijd agressief en destructief gedrag vertonen,
waaronder pesten, komen later dikwijls in de
criminaliteit terecht. Kinderen die bij voortduring het
slachtoffer zijn van pestende leeftijdgenootjes, kunnen
later psychische klachten als depressies en angsten
ontwikkelen.
De veranderende normen en waarden doen
een groot appèl op sociale vaardigheden. Dertig
jaar geleden was het een algemeen aanvaarde norm dat
kinderen zich tegenover volwassenen bescheiden gedroegen;
nu moet het ideale kind spontaan, actief en goed gebekt
zijn, maar toch ook sociaal en niet brutaal of agressief.
De ontwikkeling van sociale vaardigheden wordt daarom
steeds belangrijker.
Iemand die sociaal onvaardig is,
vertoont geen passende reactie op een sociale taak of
probleemsituatie. Wat sociaal onvaardig is, verschilt per
leeftijdsfase. Iets niet-kunnen-delen-met-een-ander is
voor een kind van net vijf jaar nog geen sociaal
onvaardig gedrag, voor een puber van vijftien wel. Twee
vrij veel voorkomende vormen van sociaal-onvaardig gedrag
bij kinderen en jongeren zijn pesten het gebrek aan
weerbaarheid tegenover leeftijdgenoten. Sociaal vaardig
handelen is een ingewikkeld proces dat een kind zich door
voorbeelden, uitleg en oefenen eigen maakt. Vriendschap
sluiten bijvoorbeeld, vereist het vermogen om de sociale
betekenis van het gedrag van anderen te kunnen
ontcijferen (zien of iemand glimlacht of boos kijkt); het
juist kunnen interpreteren van dit gedrag (het glimlachen
van die ander als vijandig of vriendschappelijk
opvatten); het zoeken naar een reactie op het waargenomen
gedrag van de ander (vriendschappelijk, vijandig of
onderhandelend benaderen); het kiezen van een van de
mogelijke reacties (blijk geven van welwillendheid of van
een aanvallende houding) en ten slotte het daadwerkelijk
uitvoeren van de gekozen reactie (de ander een hand
geven). De ontwikkeling van sociaal vaardig gedrag wordt,
naast persoonlijke eigenschappen als temperament en
karaktereigenschappen, sterk bepaald door vroegere
ervaringen en door culturele verschillen. Zo blijken
bijvoorbeeld Surinaamse kinderen het toegelachen worden
door iemand anders, vaak te interpreteren als uitlachen.
Plagen of
pesten?
Sociaal onvaardig gedrag betekent dat
een kind meer risico loopt gepest te worden of zelf te
gaan pesten.
Er bestaat verschil tussen plagen en
pesten. Plagen is incidenteel, pesten systematisch.
Plagen veronderstelt gelijkwaardigheid in de relatie
tussen plager en geplaagde; pesten berust op een
machtsverschil, waardoor het gepeste kind niet goed in
staat is zich te verweren. Bovendien is bij pesten sprake
van psychische of fysieke schade.
Pesten kan bestaan uit verbaal geweld,
zoals schelden of uitjouwen, maar ook uit fysiek geweld
als aan haren trekken, beentje lichten of schoppen; een
kind systematisch buitensluiten of groepsgewijs
belachelijk maken. Pesten heeft op verschillende
leeftijden een verschillende inhoud: op de
kleuterleeftijd waar pesten nog vrij weinig voorkomt, kan
het bestaan uit regelmatig knijpen, schoppen of
uitlachen. Bij oudere kinderen uit het zich vaak in
systematisch treiteren, bespotten tot zelfs zo'n ernstig
fysiek letsel toebrengen dat de dood erop
volgt.
Pesten komt vrij vaak voor, zo'n 8 %
van alle kinderen tussen de zes en de zestien wordt
regelmatig gepest en zo'n 6 % pest zelf regelmatig.
Pesten neemt bij jongens de vorm aan van openlijke
agressie; bij meisjes houdt het vaker in een ander
buitensluiten of belachelijk maken. Pesten en
gepest-worden komen vooral voor aan het einde van de
basisschoolperiode en beginperiode van het voortgezet
onderwijs. Het komt vaker voor op scholen voor speciaal
onderwijs. Dit heeft te maken met het feit dat op deze
scholen beduidend meer jongens zitten (75%) en jongens
richten hun problemen meer naar buiten, onder ander in
agressie. Pesten en gepest-worden neemt vermoedelijk op
veel van deze scholen op dit moment eerder toe dan
af.
Pleegkind een
risicofactor
Er bestaan risicofactoren die bepalen
of een kind tot de groep van pesters of slachtoffers zal
gaan behoren; factoren in het kind zelf, gezinsfactoren
en factoren die te maken hebben met de situatie waarin
het kind verkeert. Kinderen met een lichamelijke of
geestelijke handicap zijn bijvoorbeeld vaak minder
sociaal vaardig. Kinderen met ADHD of een gedragsstoornis
zijn vatbaarder voor pesten en gepest worden. Ook
faalervaringen kunnen bijdragen tot pesten, of als je
enig kind bent en er daardoor een gebrek aan oefening is
in het contact leggen met leeftijdgenoten, in een
kindarme buurt woont of de positie van 'oudste kind', kan
voor sociaal onvaardig gedrag zorgen. Jongere kinderen in
een gezin kunnen veel sociaal gedrag leren van hun oudere
broer of zus. Kinderen die speciaal onderwijs volgen,
hebben ook minder mogelijkheden tot oefenen omdat ze
meestal ver van hun school wonen en niet met kinderen uit
de buurt naar school gaan, en vaak later terugkomen.
Kinderen die in een kindertehuis wonen, kampen met het
probleem dat er steeds kinderen komen en gaan waardoor
het onderhouden van vriendschappen nauwelijks mogelijk
is.
Het oefenen van sociale omgangsregels
is van groot belang voor een gezonde psychische
ontwikkeling. Kinderen doen hiermee ervaringen op bij
sporten en clubs, door samen op straat te spelen.
Jammergenoeg neemt dit buiten spelen af, de straten en
pleinen van de basisscholen zijn na schooltijd vaak leeg.
En in de praktijk blijken kinderen uit het speciaal
onderwijs minder vaak lid te zijn van een club of
vereniging.
Een laatste kindfactor voor pestgedrag
is het meegemaakt hebben van kwetsende, traumatische
gebeurtenissen. Het is een bekend psychologisch
mechanisme dat we onvrede over iets of iemand afreageren
op degene die op dat moment in de buurt is.
Pleegkinderen lopen meer risico op een
verstoring van hun ontwikkeling van sociale vaardigheid.
Ze hebben vaak minder continuïteit meegemaakt,
waardoor de oefening in sociaal gedrag regelmatig is
onderbroken. Ze kampen vaker met stoornissen en
traumatische ervaringen. Ze hebben vaker minder goede
voorbeelden gehad in hun oorspronkelijke situaties en
hebben vaak enige tijd in kindertehuizen gewoond.
Daarnaast zijn kinderen die afwijken van het gemiddelde
een makkelijker doelwit voor pesters. Het pleegkind zijn,
is al een afwijking van het gemiddelde dat aanleiding kan
geven voor pesten. Ook de moeite die het kind zelf met
zijn pleegkindstatus heeft, kan een bron vormen voor
sociaal onvaardig gedrag en zijn sociaal-emotionele
ontwikkeling remmen.
Een risico-factor in de gezinssituatie
is weinig aandacht voor positief sociaal gedrag als
iemand helpen bij een klusje, of troosten bij verdriet,
iets aardigs zeggen tegen een ander, niet terugslaan als
een ander per ongeluk iets doet, een conflict oplossen
met praten in plaats van met je vuisten.
Kinderen die opgroeien in gezinnen
waar veel naar agressieve televisieprogramma's of video's
wordt gekeken, of veel agressieve computerspelletjes
worden gedaan, lopen veel meer kans ook zelf antisociaal
gedrag te vertonen. Kijken naar geweld stimuleert geweld,
vooral bij kinderen die al in aanleg agressief zijn.
Langdurig negatief, agressief voorbeeldgedrag van ouders
of opvoeders roept imitatiegedrag bij kinderen op. Het
goede voorbeeld geven, is inderdaad van het grootste
belang.
Goed omgaan met leeftijdgenoten (en
volwassenen) leert een kind niet in zijn eentje achter
een tv, video of spelcomputer. Een kind leert sociaal
gedrag op drie manieren: door 'afkijken' (geeft moeder
die vreemde meneer die haar een gulden vraagt een hand,
een zoen of schudt ze afwerend haar hoofd?); door
informatie-overdracht (een ouder zegt: 'aan tafel in een
restaurant ga je pas eten als iedereen heeft opgeschept')
en door veel oefenen. Op die manier leert het kind
sociale omgangsregels als delen, op je beurt wachten, een
tegenvaller of kritiek zonder morren slikken, of iets op
een aardige manier vragen.
Pesten bij kinderen in de
schoolleeftijd is bijna altijd een gezamenlijk probleem
van (pleeg)ouders, school en kind. De school is de
belangrijkste vindplaats van pesters en gepesten in de
schoolleeftijd. Het verbeteren van sociaal onvaardig
gedrag kan alleen door een gezamenlijke inspanning van
alle partijen.