artikel uit Mobiel 3, juni 1999

Vreemd gedrag!? PESTEN

door Tineke Snaterse
psychologe en schoolbegeleider

De kranten staan er vol mee: artikelen over het toenemend geweld in de samenleving. We spreken in dit verband ook wel van 'sociaal onvaardig' of 'sociaal incompetent' gedrag, pesten is daar een voorbeeld van op kinderleeftijd. Pleegkinderen lopen meer risico op pesten en gepest worden door de afwijkende situatie waarin zij leven.
TIPS

Onze veranderende maatschappij speelt een grote rol in de toename van negatief sociaal gedrag van kinderen. Agressieve reacties, waarvan pesten een voorbeeld is, komt volgens velen veel meer voor vroeger. Agressie kan ernstige gevolgen hebben, zowel voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de pester als die van het slachtoffer, de gepeste. Kinderen die al op jonge leeftijd agressief en destructief gedrag vertonen, waaronder pesten, komen later dikwijls in de criminaliteit terecht. Kinderen die bij voortduring het slachtoffer zijn van pestende leeftijdgenootjes, kunnen later psychische klachten als depressies en angsten ontwikkelen.

De veranderende normen en waarden doen een groot appèl op sociale vaardigheden. Dertig jaar geleden was het een algemeen aanvaarde norm dat kinderen zich tegenover volwassenen bescheiden gedroegen; nu moet het ideale kind spontaan, actief en goed gebekt zijn, maar toch ook sociaal en niet brutaal of agressief. De ontwikkeling van sociale vaardigheden wordt daarom steeds belangrijker.

Iemand die sociaal onvaardig is, vertoont geen passende reactie op een sociale taak of probleemsituatie. Wat sociaal onvaardig is, verschilt per leeftijdsfase. Iets niet-kunnen-delen-met-een-ander is voor een kind van net vijf jaar nog geen sociaal onvaardig gedrag, voor een puber van vijftien wel. Twee vrij veel voorkomende vormen van sociaal-onvaardig gedrag bij kinderen en jongeren zijn pesten het gebrek aan weerbaarheid tegenover leeftijdgenoten. Sociaal vaardig handelen is een ingewikkeld proces dat een kind zich door voorbeelden, uitleg en oefenen eigen maakt. Vriendschap sluiten bijvoorbeeld, vereist het vermogen om de sociale betekenis van het gedrag van anderen te kunnen ontcijferen (zien of iemand glimlacht of boos kijkt); het juist kunnen interpreteren van dit gedrag (het glimlachen van die ander als vijandig of vriendschappelijk opvatten); het zoeken naar een reactie op het waargenomen gedrag van de ander (vriendschappelijk, vijandig of onderhandelend benaderen); het kiezen van een van de mogelijke reacties (blijk geven van welwillendheid of van een aanvallende houding) en ten slotte het daadwerkelijk uitvoeren van de gekozen reactie (de ander een hand geven). De ontwikkeling van sociaal vaardig gedrag wordt, naast persoonlijke eigenschappen als temperament en karaktereigenschappen, sterk bepaald door vroegere ervaringen en door culturele verschillen. Zo blijken bijvoorbeeld Surinaamse kinderen het toegelachen worden door iemand anders, vaak te interpreteren als uitlachen.

Plagen of pesten?

Sociaal onvaardig gedrag betekent dat een kind meer risico loopt gepest te worden of zelf te gaan pesten.

Er bestaat verschil tussen plagen en pesten. Plagen is incidenteel, pesten systematisch. Plagen veronderstelt gelijkwaardigheid in de relatie tussen plager en geplaagde; pesten berust op een machtsverschil, waardoor het gepeste kind niet goed in staat is zich te verweren. Bovendien is bij pesten sprake van psychische of fysieke schade.

Pesten kan bestaan uit verbaal geweld, zoals schelden of uitjouwen, maar ook uit fysiek geweld als aan haren trekken, beentje lichten of schoppen; een kind systematisch buitensluiten of groepsgewijs belachelijk maken. Pesten heeft op verschillende leeftijden een verschillende inhoud: op de kleuterleeftijd waar pesten nog vrij weinig voorkomt, kan het bestaan uit regelmatig knijpen, schoppen of uitlachen. Bij oudere kinderen uit het zich vaak in systematisch treiteren, bespotten tot zelfs zo'n ernstig fysiek letsel toebrengen dat de dood erop volgt.

Pesten komt vrij vaak voor, zo'n 8 % van alle kinderen tussen de zes en de zestien wordt regelmatig gepest en zo'n 6 % pest zelf regelmatig. Pesten neemt bij jongens de vorm aan van openlijke agressie; bij meisjes houdt het vaker in een ander buitensluiten of belachelijk maken. Pesten en gepest-worden komen vooral voor aan het einde van de basisschoolperiode en beginperiode van het voortgezet onderwijs. Het komt vaker voor op scholen voor speciaal onderwijs. Dit heeft te maken met het feit dat op deze scholen beduidend meer jongens zitten (75%) en jongens richten hun problemen meer naar buiten, onder ander in agressie. Pesten en gepest-worden neemt vermoedelijk op veel van deze scholen op dit moment eerder toe dan af.

Pleegkind een risicofactor

Er bestaan risicofactoren die bepalen of een kind tot de groep van pesters of slachtoffers zal gaan behoren; factoren in het kind zelf, gezinsfactoren en factoren die te maken hebben met de situatie waarin het kind verkeert. Kinderen met een lichamelijke of geestelijke handicap zijn bijvoorbeeld vaak minder sociaal vaardig. Kinderen met ADHD of een gedragsstoornis zijn vatbaarder voor pesten en gepest worden. Ook faalervaringen kunnen bijdragen tot pesten, of als je enig kind bent en er daardoor een gebrek aan oefening is in het contact leggen met leeftijdgenoten, in een kindarme buurt woont of de positie van 'oudste kind', kan voor sociaal onvaardig gedrag zorgen. Jongere kinderen in een gezin kunnen veel sociaal gedrag leren van hun oudere broer of zus. Kinderen die speciaal onderwijs volgen, hebben ook minder mogelijkheden tot oefenen omdat ze meestal ver van hun school wonen en niet met kinderen uit de buurt naar school gaan, en vaak later terugkomen. Kinderen die in een kindertehuis wonen, kampen met het probleem dat er steeds kinderen komen en gaan waardoor het onderhouden van vriendschappen nauwelijks mogelijk is.

Het oefenen van sociale omgangsregels is van groot belang voor een gezonde psychische ontwikkeling. Kinderen doen hiermee ervaringen op bij sporten en clubs, door samen op straat te spelen. Jammergenoeg neemt dit buiten spelen af, de straten en pleinen van de basisscholen zijn na schooltijd vaak leeg. En in de praktijk blijken kinderen uit het speciaal onderwijs minder vaak lid te zijn van een club of vereniging.

Een laatste kindfactor voor pestgedrag is het meegemaakt hebben van kwetsende, traumatische gebeurtenissen. Het is een bekend psychologisch mechanisme dat we onvrede over iets of iemand afreageren op degene die op dat moment in de buurt is.

Pleegkinderen lopen meer risico op een verstoring van hun ontwikkeling van sociale vaardigheid. Ze hebben vaak minder continuïteit meegemaakt, waardoor de oefening in sociaal gedrag regelmatig is onderbroken. Ze kampen vaker met stoornissen en traumatische ervaringen. Ze hebben vaker minder goede voorbeelden gehad in hun oorspronkelijke situaties en hebben vaak enige tijd in kindertehuizen gewoond. Daarnaast zijn kinderen die afwijken van het gemiddelde een makkelijker doelwit voor pesters. Het pleegkind zijn, is al een afwijking van het gemiddelde dat aanleiding kan geven voor pesten. Ook de moeite die het kind zelf met zijn pleegkindstatus heeft, kan een bron vormen voor sociaal onvaardig gedrag en zijn sociaal-emotionele ontwikkeling remmen.

Een risico-factor in de gezinssituatie is weinig aandacht voor positief sociaal gedrag als iemand helpen bij een klusje, of troosten bij verdriet, iets aardigs zeggen tegen een ander, niet terugslaan als een ander per ongeluk iets doet, een conflict oplossen met praten in plaats van met je vuisten.

Kinderen die opgroeien in gezinnen waar veel naar agressieve televisieprogramma's of video's wordt gekeken, of veel agressieve computerspelletjes worden gedaan, lopen veel meer kans ook zelf antisociaal gedrag te vertonen. Kijken naar geweld stimuleert geweld, vooral bij kinderen die al in aanleg agressief zijn. Langdurig negatief, agressief voorbeeldgedrag van ouders of opvoeders roept imitatiegedrag bij kinderen op. Het goede voorbeeld geven, is inderdaad van het grootste belang.

Goed omgaan met leeftijdgenoten (en volwassenen) leert een kind niet in zijn eentje achter een tv, video of spelcomputer. Een kind leert sociaal gedrag op drie manieren: door 'afkijken' (geeft moeder die vreemde meneer die haar een gulden vraagt een hand, een zoen of schudt ze afwerend haar hoofd?); door informatie-overdracht (een ouder zegt: 'aan tafel in een restaurant ga je pas eten als iedereen heeft opgeschept') en door veel oefenen. Op die manier leert het kind sociale omgangsregels als delen, op je beurt wachten, een tegenvaller of kritiek zonder morren slikken, of iets op een aardige manier vragen.

Pesten bij kinderen in de schoolleeftijd is bijna altijd een gezamenlijk probleem van (pleeg)ouders, school en kind. De school is de belangrijkste vindplaats van pesters en gepesten in de schoolleeftijd. Het verbeteren van sociaal onvaardig gedrag kan alleen door een gezamenlijke inspanning van alle partijen.

 

- tips voor pleegouders

- tips voor (pleeg)ouders van gepeste kinderen

- tips voor (pleeg)ouders van pestende kinderen

- tips voor de school