Met lood in mijn schoenen vertrek ik naar Haarlem voor een interview
met Laura van Straaten. Normaal ervaar ik spanning voor een dergelijk
gesprek, maar nu is het verworden tot een soort wanhoop. Het NRC-Handelsblad
heeft een aantal artikelen geschreven over het gezin Van Straaten
en de problemen rondom hun pleegdochter (1). In eerste instantie
vond ik dat erg interessant, maar nu het daadwerkelijk op een interview
aankomt, word ik bang. Ik realiseer me dat het echt om een gezin
gaat, dat het echt gaat over een meisje van net dertien. Ze zit vast
in een justitiële jeugdinrichting. Niet omdat ze een misdaad
heeft begaan, maar omdat er nergens anders hulp voor haar is. Er
bestaan in Nederland geen instellingen die haar kunnen en willen
opnemen. Ze zit gevangen op grond van een ondertoezichtstelling.
Laura doet de deur open. Ze is een vriendelijke vrouw; ik voel me
snel op mijn gemak. We zullen het hebben over waar de pleegzorg tekort
is geschoten in haar situatie. Ze noemt een aantal praktische bezwaren
die ze in de loop der jaren is tegengekomen, zoals het probleem om
alle zeven gezinsleden te vervoeren, de moeite om een oppas voor
een avond of een weekend te vinden en het soms niet krijgen van informatie.
Ze geeft aan dat dit soort kleine strubbelingen er gewoon bij horen.
Dit neemt ze de pleegzorg niet kwalijk.
Om erachter te komen wat ze de pleegzorg wel kwalijk neemt, vraag
ik haar of ze kort wil beschrijven wat er allemaal is gebeurd met
haar pleegdochter. Dat doet ze liever niet. Ze verwijst naar de krantenartikelen
in het NRC-Handelsblad: Daar staat alles in. De pijnlijke geschiedenis
kost haar teveel energie om helemaal te herhalen.
Het meisje was twee jaar oud toen ze werd opgenomen in het gezin
van Laura en Gerard van Straaten. Ze was sterk verwaarloosd en mishandeld.
Geheel onverwacht werd ze na een jaar in een kindertehuis geplaatst.
Haar moeder moest weer een kans krijgen. Omdat het meisje zich niet
mocht hechten aan haar pleegouders, was er geen contact. Precies
een jaar na de opname kwam ze toch weer terug in het pleeggezin.
De omweg via het kindertehuis was niet goed voor haar. Het meisje
van vier oogde depressief.
Onhoudbaar
De daarop volgende jaren kropen de problemen van een onveilige hechting
onderhuids mee met de ontwikkeling van het meisje. Op haar achtste
kreeg ze last van woede-uitbarstingen. Met medicijnen probeerden
psychiaters het tij te keren, maar dat lukte niet. Thuis werd de
situatie onhoudbaar. Op haar tiende werd ze in een kinderpsychiatrische
kliniek opgenomen. Deze afdeling moest echter na drie maanden al
weer sluiten; te veel problemen, te weinig handen. Ze ging terug
naar het pleeggezin. Daar kon ze overdag naar de opvang en later
naar een ZMOK school. Het niveau op deze school kon ze goed aan,
maar de verzameling van kinderen met problemen niet. Ze maakte het
de school onmogelijk haar te handhaven. Een schorsing volgde.
Er werd opnieuw een instelling gezocht. Deze plek deed haar echter
ook geen goed. Als elfjarige zat ze tussen psychotische en schizofrene
jongvolwassenen. Ze kreeg veel medicijnen en moest vaak naar de isoleercel
vanwege haar agressieve gedrag. De opname duurde drie maanden. Jeugdzorg
deed ondertussen een beroep op de kinderrechter om haar op te laten
nemen in een justitiële jeugdinrichting.
Laura van Straaten en haar man vochten dit aan. Ze vonden het geen
plaats voor een meisje met een hechtingstoornis. De kinderrechter
was het daar in eerste instantie mee eens. Jeugdzorg moest een geschikte
plaats voor haar zoeken.
Zij vonden een afdeling in een psychiatrisch kinderziekenhuis in
Rotterdam. Een opname van zeven maanden was het plan, maar al na
vier weken werd ze teruggebracht naar het pleeggezin. In een uiterste
inspanning vond jeugdzorg een plek in Frankrijk. Een Nederlandse
familie die kinderen opvangt met psychische problemen. De afgesproken
periode van zeven maanden maakte ze vol. Er was verbetering te zien.
Een vervolg kreeg die echter niet. Na zeven maanden was er nog geen
goede plaats gevonden. De enige mogelijkheid, die de kinderrechter
zag, was een justitiële jeugdinrichting.
Er wordt veel van een gezin gevraagd, vervolgt Laura. Elf jaar
heeft ze haar pleegdochter verzorgd. De kinderen in het gezin zijn
jaren opgegroeid met een meisje dat zich niet kan hechten. Maar dat
wil niet zeggen dat het gezin zich niet aan haar heeft gehecht. Zij
zijn naar bed gegaan en weer opgestaan met haar problemen. Een gezin
kan er kapot aan gaan, vreest Laura, en daar wordt bij de pleegzorg
wel eens licht over gedacht. Het lukt alleen als je een hechte band
met elkaar hebt. Je moet er met elkaar over kunnen praten. Gelukkig
kunnen we dat.
Erkenning nodig
Laura voelt zich als pleeggezin door de pleegzorg miskend. Een plaatsing
die zoveel moeilijkheden met zich meebrengt, heeft echter veel erkenning
nodig. Op het moment dat een pleegkind wordt opgenomen in een instelling,
stelt ze, ben je even pleegouder-af. Vaak zijn dat wel momenten
waarop een pleegzorgwerker belangrijk is. Zij kunnen ondersteuning
bieden. Wanneer ze over haar eigen pleegkind in de mallemolen van
de jeugdzorg vertelt, zegt ze verbeten: En nu dan, waar blijft nu
de ondersteuning? Dat moeten we zelf maar uitzoeken. Dat doen we
ook wel, we zijn sterk genoeg, maar het is wel vreemd. Het is toch
raar dat je zoveel inzet toont, maar uiteindelijk aan de kant staat.
Dan denk ik, zijn jullie helemaal gek geworden? Ik heb haar elf jaar
in huis gehad, jullie niet. Waar blijft dat dan? Is dat dan allemaal
niets waard? Mijn inzet dag en nacht? Zij bepalen nu het beleid en
er wordt geen overleg meer gevoerd. Niets meer. Door het uitblijven
van overleg voelt het gezin zich niet serieus genomen.
Voor veel kinderen zal een opname in een pleeggezin voldoende zijn.
De situatie van het gezin Van Straaten is erg moeilijk voor alle
betrokken partijen. Ook voor de pleegzorg. Dat snapt Laura ook wel.
Maar ze begrijpt niet dat als het dan fout gaat, het de pleegouders
nog moeilijker wordt gemaakt. Het lijkt dan of pleegouders vijanden
zijn en dat terwijl zij toch heel veel kennis over het pleegkind
hebben. Ze hebben continu gebruik van mijn gezin gemaakt, omdat ze
geen raad met het kind wisten. Iedere keer stond mijn deur weer open,
natuurlijk. Maar bemoei je je ermee, dan wordt het moeilijk. Dat
voelt echt als misbruik. Tenslotte voegt ze eraan toe:
Op haar achttiende stopt de jeugdzorg en staat ze weer bij mij
voor de deur. En ik laat haar niet buiten staan, dat doet geen moeder.
(1) Zoek het maar uit NRC-Handelsblad,
zaterdag 20 september 2003.
Liever de cel dan de straat NRC-Handelsblad,
zaterdag 8 november 2003.
Naar de Doggershoek NRC-Handelsblad,
zaterdag 15 november 2003.
Dikker Banger Bozer NRC-Handelsblad,
zaterdag 17 januari 2004