artikel uit Mobiel 1, februari/maart 2004

thema: Falen in pleegzorg

Dwalen, zoeken en nergens thuis

door: Rick van de Locht

Met lood in mijn schoenen vertrek ik naar Haarlem voor een interview met Laura van Straaten. Normaal ervaar ik spanning voor een dergelijk gesprek, maar nu is het verworden tot een soort wanhoop. Het NRC-Handelsblad heeft een aantal artikelen geschreven over het gezin Van Straaten en de problemen rondom hun pleegdochter (1). In eerste instantie vond ik dat erg interessant, maar nu het daadwerkelijk op een interview aankomt, word ik bang. Ik realiseer me dat het echt om een gezin gaat, dat het echt gaat over een meisje van net dertien. Ze zit vast in een justitiële jeugdinrichting. Niet omdat ze een misdaad heeft begaan, maar omdat er nergens anders hulp voor haar is. Er bestaan in Nederland geen instellingen die haar kunnen en willen opnemen. Ze zit gevangen op grond van een ondertoezichtstelling.

Laura doet de deur open. Ze is een vriendelijke vrouw; ik voel me snel op mijn gemak. We zullen het hebben over waar de pleegzorg tekort is geschoten in haar situatie. Ze noemt een aantal praktische bezwaren die ze in de loop der jaren is tegengekomen, zoals het probleem om alle zeven gezinsleden te vervoeren, de moeite om een oppas voor een avond of een weekend te vinden en het soms niet krijgen van informatie. Ze geeft aan dat dit soort kleine strubbelingen er gewoon bij horen. Dit neemt ze de pleegzorg niet kwalijk.

Om erachter te komen wat ze de pleegzorg wel kwalijk neemt, vraag ik haar of ze kort wil beschrijven wat er allemaal is gebeurd met haar pleegdochter. Dat doet ze liever niet. Ze verwijst naar de krantenartikelen in het NRC-Handelsblad: Daar staat alles in. De pijnlijke geschiedenis kost haar teveel energie om helemaal te herhalen.

Het meisje was twee jaar oud toen ze werd opgenomen in het gezin van Laura en Gerard van Straaten. Ze was sterk verwaarloosd en mishandeld. Geheel onverwacht werd ze na een jaar in een kindertehuis geplaatst. Haar moeder moest weer een kans krijgen. Omdat het meisje zich niet mocht hechten aan haar pleegouders, was er geen contact. Precies een jaar na de opname kwam ze toch weer terug in het pleeggezin. De omweg via het kindertehuis was niet goed voor haar. Het meisje van vier oogde depressief.

Onhoudbaar

De daarop volgende jaren kropen de problemen van een onveilige hechting onderhuids mee met de ontwikkeling van het meisje. Op haar achtste kreeg ze last van woede-uitbarstingen. Met medicijnen probeerden psychiaters het tij te keren, maar dat lukte niet. Thuis werd de situatie onhoudbaar. Op haar tiende werd ze in een kinderpsychiatrische kliniek opgenomen. Deze afdeling moest echter na drie maanden al weer sluiten; te veel problemen, te weinig handen. Ze ging terug naar het pleeggezin. Daar kon ze overdag naar de opvang en later naar een ZMOK school. Het niveau op deze school kon ze goed aan, maar de verzameling van kinderen met problemen niet. Ze maakte het de school onmogelijk haar te handhaven. Een schorsing volgde.

Er werd opnieuw een instelling gezocht. Deze plek deed haar echter ook geen goed. Als elfjarige zat ze tussen psychotische en schizofrene jongvolwassenen. Ze kreeg veel medicijnen en moest vaak naar de isoleercel vanwege haar agressieve gedrag. De opname duurde drie maanden. Jeugdzorg deed ondertussen een beroep op de kinderrechter om haar op te laten nemen in een justitiële jeugdinrichting. Laura van Straaten en haar man vochten dit aan. Ze vonden het geen plaats voor een meisje met een hechtingstoornis. De kinderrechter was het daar in eerste instantie mee eens. Jeugdzorg moest een geschikte plaats voor haar zoeken.

Zij vonden een afdeling in een psychiatrisch kinderziekenhuis in Rotterdam. Een opname van zeven maanden was het plan, maar al na vier weken werd ze teruggebracht naar het pleeggezin. In een uiterste inspanning vond jeugdzorg een plek in Frankrijk. Een Nederlandse familie die kinderen opvangt met psychische problemen. De afgesproken periode van zeven maanden maakte ze vol. Er was verbetering te zien. Een vervolg kreeg die echter niet. Na zeven maanden was er nog geen goede plaats gevonden. De enige mogelijkheid, die de kinderrechter zag, was een justitiële jeugdinrichting.

Er wordt veel van een gezin gevraagd, vervolgt Laura. Elf jaar heeft ze haar pleegdochter verzorgd. De kinderen in het gezin zijn jaren opgegroeid met een meisje dat zich niet kan hechten. Maar dat wil niet zeggen dat het gezin zich niet aan haar heeft gehecht. Zij zijn naar bed gegaan en weer opgestaan met haar problemen. Een gezin kan er kapot aan gaan, vreest Laura, en daar wordt bij de pleegzorg wel eens licht over gedacht. Het lukt alleen als je een hechte band met elkaar hebt. Je moet er met elkaar over kunnen praten. Gelukkig kunnen we dat.

Erkenning nodig

Laura voelt zich als pleeggezin door de pleegzorg miskend. Een plaatsing die zoveel moeilijkheden met zich meebrengt, heeft echter veel erkenning nodig. Op het moment dat een pleegkind wordt opgenomen in een instelling, stelt ze, ben je even pleegouder-af. Vaak zijn dat wel momenten waarop een pleegzorgwerker belangrijk is. Zij kunnen ondersteuning bieden. Wanneer ze over haar eigen pleegkind in de mallemolen van de jeugdzorg vertelt, zegt ze verbeten: En nu dan, waar blijft nu de ondersteuning? Dat moeten we zelf maar uitzoeken. Dat doen we ook wel, we zijn sterk genoeg, maar het is wel vreemd. Het is toch raar dat je zoveel inzet toont, maar uiteindelijk aan de kant staat. Dan denk ik, zijn jullie helemaal gek geworden? Ik heb haar elf jaar in huis gehad, jullie niet. Waar blijft dat dan? Is dat dan allemaal niets waard? Mijn inzet dag en nacht? Zij bepalen nu het beleid en er wordt geen overleg meer gevoerd. Niets meer. Door het uitblijven van overleg voelt het gezin zich niet serieus genomen.

Voor veel kinderen zal een opname in een pleeggezin voldoende zijn. De situatie van het gezin Van Straaten is erg moeilijk voor alle betrokken partijen. Ook voor de pleegzorg. Dat snapt Laura ook wel. Maar ze begrijpt niet dat als het dan fout gaat, het de pleegouders nog moeilijker wordt gemaakt. Het lijkt dan of pleegouders vijanden zijn en dat terwijl zij toch heel veel kennis over het pleegkind hebben. Ze hebben continu gebruik van mijn gezin gemaakt, omdat ze geen raad met het kind wisten. Iedere keer stond mijn deur weer open, natuurlijk. Maar bemoei je je ermee, dan wordt het moeilijk. Dat voelt echt als misbruik. Tenslotte voegt ze eraan toe:

Op haar achttiende stopt de jeugdzorg en staat ze weer bij mij voor de deur. En ik laat haar niet buiten staan, dat doet geen moeder.

 

 

(1) Zoek het maar uit NRC-Handelsblad,

zaterdag 20 september 2003.

Liever de cel dan de straat NRC-Handelsblad,

zaterdag 8 november 2003.

Naar de Doggershoek NRC-Handelsblad,

zaterdag 15 november 2003.

Dikker Banger Bozer NRC-Handelsblad,

zaterdag 17 januari 2004