artikel uit Mobiel 1, februari/maart 2004

thema: Falen in pleegzorg

Pleegzorginitiatieven en de resultaten

Wat blijft er over?

door: Ben Wagner

Een tijd geleden kwam een aantal mensen uit de pleegzorg en de residentiële hulpverlening bij elkaar om aanvullende pleegzorg eens onder de loep te nemen en met nieuwe ideeën te bestuiven. Er was geld beschikbaar gesteld voor extra pleegzorgplaatsen, reden te meer om daar eens een denktank' tegen aan te gooien. Wat kwam er zoal uit? Waarom werd het vervolgens ijselijk stil rondom deze materie? Wat gebeurt er ondertussen?

De ideeën waren goed en getuigden van realiteitszin. Het extra budget zou in samenwerking tussen Bureau jeugdzorg, het Centrum voor Pleegzorg en een residentiële setting nieuwe vormen van pleegzorg realiseren. Plaatsers en opnemende instanties onderzochten de vraag naar nieuwe pleegzorgvormen. In de meedenkende residentiële setting werd een vragenlijst door kinderen ingevuld. Zo kreeg men inzicht in de behoeften van de kinderen en een globaal beeld van de doelgroep. Er bleek behoefte te zijn aan zowel een lichte variant (aanloopadressen/weekendpleeggezinnen/ steungezinnen) als aan een zware variant (professionele pleegzorg).

Verschillende vormen

Aanlooppleeggezinnen voor kinderen in residentiële instellingen

Dit betreft kinderen in de leeftijd van zes tot dertien jaar uit leefgroepen die bij een pleeggezin langs kunnen gaan na school of in het weekend, voor een paar uur. De pleegouders en de groepsleiding van de leefgroep hebben nauw contact met elkaar.

Weekendpleeggezinnen voor kinderen in residentiële instellingen

Hiervan zouden kinderen van zes tot dertien jaar kunnen profiteren die langdurig in een residentiële inrichting verblijven en bijna nooit een weekend naar hun ouders kunnen, ook bij deze vorm is een goed contact tussen groepsleider en pleegouder van belang.

Aanloopgezinnen of buddygezinnen, steungezinnen voor kinderen die thuis wonen in het kader van ambulante hulpverlening

Pleeggezinnen ondersteunen hierbij de ouders van het kind met de opvoeding.

Verslagen

Hier werd enkele maanden over vergaderd en er werden prachtige, professionele verslagen gemaakt. Men kwam tot het eindoordeel om 25 plaatsen reguliere pleegzorg om te bouwen tot twintig plaatsen deeltijdpleegzorg en vier plaatsen professionele pleegzorg. Samenwerking met residentiële voorzieningen was het uitgangspunt, want die konden de modules bieden en de zorgprogramma's.

Daarmee konden pleegouders begeleid worden om gedragsproblematische kinderen een goede pleegzorgplek te bieden. Er zou hulp zijn van gedragswetenschappers en ouderbegeleiders. Leefgroepen konden in bepaalde situaties uitkomst bieden.
Samenwerking is onontbeerlijk wanneer men denkt vanuit deze ideeën.

Vervolgens werd het stil. Op de vraag hoe het er nu voor stond, werd niet geantwoord. Wanneer er op dit moment naar geïnformeerd wordt, willen maar weinig personen iets zeggen. Duidelijk is in ieder geval dat er nog maar weinig of niets van de grond is gekomen. Volgens insiders' zijn er wel pleeggezinnen die hun steentje willen bijdragen. De aanwezige pleegzorgplaatsen worden niet benut. Pleegouders worden bovendien voor het hoofd gestoten en niet serieus genomen, zodat helaas met de zin om pleeggezin te zijn ook de pleeggezinplek verdwijnt.

Afdwingen

We komen vooral organisatorische problemen tegen. Afgedwongen samenwerkingsverbanden die men achteraf onwenselijk vindt en waar men vervolgens met onvrede werkt. Daarbij komt dat de ene organisatie vindt dat pleegzorg bij hun ondergebracht moet worden en niet bij de andere instelling (want de één is regionaal en de ander bovenregionaal en de één denkt dat zij meer kennis en mogelijkheden in huis heeft terwijl de ander meent dichter bij de gezinnen te staan).

De energie wordt gestopt in problemen die de organisatie oproept en dit gaat ten koste van pleegzorg. Daar komt nog bij dat men volgens mij weinig durf heeft om eens nieuwe ideeën uit te proberen.

In dit klimaat merk je dat er weinig animo aanwezig is om met nieuwe ideeën aan de gang te gaan. Instellingen zeggen dat zij staan te popelen om de handen uit de mouwen te steken, kinderen in leefgroepen hebben behoefte aan die pleegzorgplekken.

Die instellingen kunnen niet zonder de samenwerking met pleegzorg. Pleegzorg is bovendien op haar beurt nog steeds gepikeerd is dat ze niet zelfstandig is, maar bij een instituut aangesloten.

Ondertussen krijgen de residentiële voor-zieningen wel kinderen in de groepen (en dat is de laatste tijd vaak het geval) die een mislukte, vastgelopen pleegzorgsituatie achter de rug hebben. Je mag zodoende zeggen dat we in plaats van vooruit, achteruit lopen en dat de situatie voor kinderen in een residentieel verblijf en voor pleegkinderen steeds slechter wordt.

Bal

Zaak is dat we de goede ideeën die er zijn en waar al veel over is geschreven en gesproken eens in werking zetten en het geld dat er is, besteden aan de juiste keuzes. Potentiële pleeggezinnen klagen niet, bestaande pleeggezinnen hopen dat het ooit beter wordt. Residentiële instellingen leggen de bal bij pleegzorg en pleegzorg (u raadt het al) legt de bal bij de residentie.

En wie is het pleegkind van de rekening?

Misschien zijn de artikelen die de laatste tijd in de krant verschijnen over (pleeg)kinderen die de hulp niet krijgen die ze verdienen, wel de aanleiding voor de instellingen om eens de moeite te nemen de onderlinge geschillen op te lossen en aan het werk te gaan en te blijven.