Een tijd geleden kwam een aantal mensen uit de pleegzorg en de residentiële
hulpverlening bij elkaar om aanvullende pleegzorg eens onder de loep
te nemen en met nieuwe ideeën te bestuiven. Er was geld beschikbaar
gesteld voor extra pleegzorgplaatsen, reden te meer om daar eens een denktank'
tegen aan te gooien. Wat kwam er zoal uit? Waarom werd het vervolgens
ijselijk stil rondom deze materie? Wat gebeurt er ondertussen?
De ideeën waren goed en getuigden van realiteitszin. Het extra
budget zou in samenwerking tussen Bureau jeugdzorg, het Centrum voor
Pleegzorg en een residentiële setting nieuwe vormen van pleegzorg
realiseren. Plaatsers en opnemende instanties onderzochten de vraag
naar nieuwe pleegzorgvormen. In de meedenkende residentiële setting
werd een vragenlijst door kinderen ingevuld. Zo kreeg men inzicht in
de behoeften van de kinderen en een globaal beeld van de doelgroep.
Er bleek behoefte te zijn aan zowel een lichte variant (aanloopadressen/weekendpleeggezinnen/
steungezinnen) als aan een zware variant (professionele pleegzorg).
Verschillende vormen
Aanlooppleeggezinnen voor kinderen in residentiële instellingen
Dit betreft kinderen in de leeftijd van zes tot dertien jaar uit leefgroepen
die bij een pleeggezin langs kunnen gaan na school of in het weekend,
voor een paar uur. De pleegouders en de groepsleiding van de leefgroep
hebben nauw contact met elkaar.
Weekendpleeggezinnen voor kinderen in residentiële instellingen
Hiervan zouden kinderen van zes tot dertien jaar kunnen profiteren
die langdurig in een residentiële inrichting verblijven en bijna
nooit een weekend naar hun ouders kunnen, ook bij deze vorm is een
goed contact tussen groepsleider en pleegouder van belang.
Aanloopgezinnen of buddygezinnen, steungezinnen voor kinderen die
thuis wonen in het kader van ambulante hulpverlening
Pleeggezinnen ondersteunen hierbij de ouders van het kind met de opvoeding.
Verslagen
Hier werd enkele maanden over vergaderd en er werden prachtige, professionele
verslagen gemaakt. Men kwam tot het eindoordeel om 25 plaatsen reguliere
pleegzorg om te bouwen tot twintig plaatsen deeltijdpleegzorg en vier
plaatsen professionele pleegzorg. Samenwerking met residentiële
voorzieningen was het uitgangspunt, want die konden de modules bieden
en de zorgprogramma's.
Daarmee konden pleegouders begeleid worden om gedragsproblematische
kinderen een goede pleegzorgplek te bieden. Er zou hulp zijn van gedragswetenschappers
en ouderbegeleiders. Leefgroepen konden in bepaalde situaties uitkomst
bieden.
Samenwerking is onontbeerlijk wanneer men denkt vanuit deze
ideeën.
Vervolgens werd het stil. Op de vraag hoe het er nu voor stond, werd
niet geantwoord. Wanneer er op dit moment naar geïnformeerd wordt,
willen maar weinig personen iets zeggen. Duidelijk is in ieder geval
dat er nog maar weinig of niets van de grond is gekomen. Volgens insiders'
zijn er wel pleeggezinnen die hun steentje willen bijdragen. De aanwezige
pleegzorgplaatsen worden niet benut. Pleegouders worden bovendien voor
het hoofd gestoten en niet serieus genomen, zodat helaas met de zin
om pleeggezin te zijn ook de pleeggezinplek verdwijnt.
Afdwingen
We komen vooral organisatorische problemen tegen. Afgedwongen samenwerkingsverbanden
die men achteraf onwenselijk vindt en waar men vervolgens met onvrede
werkt. Daarbij komt dat de ene organisatie vindt dat pleegzorg bij
hun ondergebracht moet worden en niet bij de andere instelling (want
de één is regionaal en de ander bovenregionaal en de één
denkt dat zij meer kennis en mogelijkheden in huis heeft terwijl de
ander meent dichter bij de gezinnen te staan).
De energie wordt gestopt in problemen die de organisatie oproept en
dit gaat ten koste van pleegzorg. Daar komt nog bij dat men volgens
mij weinig durf heeft om eens nieuwe ideeën uit te proberen.
In dit klimaat merk je dat er weinig animo aanwezig is om met nieuwe
ideeën aan de gang te gaan. Instellingen zeggen dat zij staan
te popelen om de handen uit de mouwen te steken, kinderen in leefgroepen
hebben behoefte aan die pleegzorgplekken.
Die instellingen kunnen niet zonder de samenwerking met pleegzorg.
Pleegzorg is bovendien op haar beurt nog steeds gepikeerd is dat ze
niet zelfstandig is, maar bij een instituut aangesloten.
Ondertussen krijgen de residentiële voor-zieningen wel kinderen
in de groepen (en dat is de laatste tijd vaak het geval) die een mislukte,
vastgelopen pleegzorgsituatie achter de rug hebben. Je mag zodoende
zeggen dat we in plaats van vooruit, achteruit lopen en dat de situatie
voor kinderen in een residentieel verblijf en voor pleegkinderen steeds
slechter wordt.
Bal
Zaak is dat we de goede ideeën die er zijn en waar al veel over
is geschreven en gesproken eens in werking zetten en het geld dat er
is, besteden aan de juiste keuzes. Potentiële pleeggezinnen klagen
niet, bestaande pleeggezinnen hopen dat het ooit beter wordt. Residentiële
instellingen leggen de bal bij pleegzorg en pleegzorg (u raadt het
al) legt de bal bij de residentie.
En wie is het pleegkind van de rekening?
Misschien zijn de artikelen die de laatste tijd in de krant verschijnen
over (pleeg)kinderen die de hulp niet krijgen die ze verdienen, wel
de aanleiding voor de instellingen om eens de moeite te nemen de onderlinge
geschillen op te lossen en aan het werk te gaan en te blijven.