artikel uit Mobiel 6, december/januari 2003/4

Kerstvakantie 1972

Door: José van Ek-Nijenhuis

De school stroomde leeg. De vakantie was begonnen. Voor de kinderen van het kindertehuis werd het een spannende tijd. Sommigen konden naar huis, anderen gingen naar opa en oma of naar een ander familielid. Op één na hadden alle tachtig kinderen een plekje gevonden. Langzaam slenterde Richard over het plein. Hij schopte tegen een steentje en liet zijn schouders hangen. Als baby liet zijn moeder hem achter bij de zusters. Zijn hele leven woonde hij al in een tehuis. Nooit vroeg iemand naar hem of haalde hem op. Richard bleef over. Hij had als enige in het tehuis een donkere huidskleur: zou dat de reden zijn? Af en toe kwamen mensen kinderen kijken'. Soms ging er iemand naar een pleeggezin. Als de plaatsing niet lukte, kwamen ze weer terug. Stil en verdrietig of boos en opstandig. Toen Richard twaalf jaar werd, wist hij dat hij onverkoopbaar' was. Zo noemden de kinderen dat, als je door je leeftijd niet meer in de markt lag. Nu was hij 18 en moest hij na de kerstvakantie het tehuis uit. Hij zou gaan studeren. Op kamers wonen, alleen in een vreemde grote stad. Richards vriend Hub had al gevraagd of hij niet bij hem wilde logeren in de vakantie. Hubs vader was kapitein op een groot schip.

Daar fietste Hub. Met een grote grijns op zijn gezicht, fietste hij recht op Richard af. "Het mag, het mag!", riep hij. "Spring maar achterop. Mijn moeder heeft de directeur gebeld en die was erg blij voor je." Richard aarzelde geen moment. Toen ze bij Hubs huis kwamen, stormden Hubs zusjes naar buiten. "Hoi Richard, wat leuk dat je bij ons komt logeren!", riepen ze. Hij werd er verlegen van. Hubs moeder verwelkomde hem en vertelde dat haar man ook elk moment kon arriveren. Die wist nog van niets. Een taxi draaide de straat in. Daar was hij. De kapitein in zijn indrukwekkende uniform stapte uit de auto. Zijn vriendelijke, open gezicht stelde Richard gerust. Naarmate de vakantie verstreek, werd Richard stiller. Hubs moeder raadde al wat er aan schortte. Met glinsterende ogen vroeg ze: "Zou je willen blijven?" Richard knikte hoopvol. Als dat eens waar was. Hubs ouders namen contact op met de directeur. De man was oprecht blij voor hem. Wonderlijk genoeg deed de Kinderbescherming wel moeilijk. Na lang pleiten mocht hij drie maanden proef logeren. Richard mocht blijven. Hij raakte erg gesteld op de familie, vooral op de jongere zusjes. Door dik en dun kwam hij voor ze op. Als iemand uit nieuwsgierigheid vroeg hoe hij aan zijn donkere huid kwam, antwoordde hij steevast: "Zij zijn overdag geboren en ik 's nachts"