artikel uit Mobiel 6, december/januari 2003/4

Kinderen willen van hun problemen af, niet van hun familie

Door: Ina Scholma-Huisman

Ruim 400 pleegzorgbetrokkenen waren donderdag 30 oktober naar Amsterdam getogen om daar de landelijke studiedag over Terug naar Huis' projecten mee te maken. In plenaire lezingen en workshops konden de deelnemers kennismaken met verschillende projecten of onderdelen daarvan.
Hoewel pleegouders de dag gratis mochten meemaken, waren er slechts 21 aanwezig. Begrijpelijk, de meeste pleegouders zullen hun handen vol hebben aan hun werk, hun gezin en niet in de laatste plaats aan hun pleegkind(eren). Hun interesse zal ook vooral uitgaan naar de vraag wat Terug naar Huis' in de praktijk voor hen betekent.

In een workshop over dit onderwerp vertelde een pleegmoeder dat ze zeer intensief heeft meegewerkt aan de terugkeer van haar pleegpeuter. Ze had de moeder thuis ontvangen, die had daar gezien hoe de dagelijkse verzorging verliep en kon daarmee oefenen. Het contact tussen kind en moeder werd steeds frequenter en de datum van definitieve terugplaatsing werd afgesproken. Een week voor het zover was, meldde moeder er van af te zien: "Ik wilde jullie niet teleurstellen en niet de indruk wekken dat ik geen goede moeder ben, maar ik kan het toch niet aan", zo verklaarde zij haar gedrag. In de workshop blijkt al snel dat het voor pleegouders niet meevalt mee te werken aan zo'n project wanneer het pleegkind al geruime tijd bij hen woont en geplaatst is in het kader van een perspectief biedende plaatsing. Het kind is niet voor niets bij hen geplaatst. Zijn er garanties dat de omstandigheden nu beter zijn? Workshopleider Jeannette Stronkhorst is gezinsbegeleidster van Perspectief Thuis in Leiden. Ze vertelt dat zo'n project voor pleegouders moeilijk kan zijn, doordat het ouders regelmatig ontbreekt aan respect voor de pleegouders. Die worden als concurrenten gezien en als mensen die hen bij hun kind weghouden. Zo'n periode van terug naar huis waarbij ouders ouders helpen' werkt dan niet.

Oplossingen

Riet Portengen werkt ruim 13 jaar met ouders, jeugdigen en pleegouders. Samen met anderen werkt zij sinds Trillium aan de methodiekontwikkeling van Terug naar Huis'. Op de studiedag schetst zij in haar plenaire lezing een aantrekkelijk en logisch beeld van Terug naar Huis' projecten. Wanneer het kind uithuis geplaatst moet worden, komt het bij voorkeur terecht in een gezin dat het al kent. Direct wordt afgesproken dat het kind met een half jaar weer bij de ouders gaat wonen. Om dat te bewerkstelligen komen alle betrokkenen (die samen met de deskundigen het zorgteam vormen) bij elkaar om te praten over de situatie. Wat zijn de mogelijke oplossingen? Wat is daar voor nodig en wat kan een ieder aan hulp inbrengen? Onder het motto ouders helpen ouders' draagt het pleeggezin haar steen bij. Het bijzondere van dit project is dat ouders zelf verantwoordelijk zijn en blijven voor hun leven en hun kind. Op die onderdelen waar het hen zelf niet lukt, roepen zij hulp in van mensen die ze zelf uitzoeken. Het is heel belangrijk dat ouders en pleegouders elkaar bij de aanvang van de plaatsing al spreken, zodat bij beide partijen duidelijk is dat er geen sprake is van concurrenten, maar van partners in de zorg voor een kind. Naarmate het half jaar vordert, nemen de ouders steeds meer de daadwerkelijke zorg voor hun kind over van de pleegouders.

Energie

Plenair werd er een video-interview vertoond uit Perth (Australië) met Turnell, die al vele jaren werkzaam is in de kinderbescherming. In zijn contacten met gezinnen vraagt hij altijd naar de goede tijden die er ongetwijfeld geweest zijn en laat hij er een foto bij halen waar het gezin opstaat als happy family'. "Dat geeft het gezin en ons energie", is zijn verklaring. Verder werkt hij met een schaal van veiligheid. Aan de ouders wordt gevraagd: hoeveel veiligheid kunt u uw kind bieden, als u uitgaat van een schaal van 1-10? Als de ouder aangeeft dat hij veel veiligheid kan bieden (Turnell weet ook wel dat ouders wel eens overdrijven) wordt een toelichting gevraagd en bij overdrijving blijkt dat de ouder daarvan geen voorbeelden geven kan. Ook het kind wordt gevraagd waar het zit op de schaal van veiligheid en uit dat antwoord valt goed af te leiden wanneer de ouders overdreven hebben.

Turnell geeft het voorbeeld van een moeder die regelmatig haar zelfbeheersing verliest en haar kind mishandelt. Via het ziekenhuis, waar ze naar toe gaat met haar gewonde kind, komt ze in aanraking met de kinderbescherming. Uit de gesprekken blijkt dat zij haar zelfbeheersing vaak verliest en haar kind slaat. Toch weet ze ook momenten te noemen waarop ze haar beheersing had kunnen verliezen, maar iets anders heeft gedaan dan afreageren op het kind. Het kind is uithuis geplaatst, omdat de doktoren ernstig letsel vrezen. Dat geeft de moeder de kans te werken aan haar zelfbeheersing door hulp te vragen of door op iets anders af te reageren. Zij kon zelf aangeven dat ze graag hulp wilde ontvangen van jonge ouders van de kerk waar ze wel eens naar toe ging. De psychiater waar ze eerder naar verwezen was en de pillen die hij haar voorschreef wees ze af. Bij het begin van de plaatsing maakt de kinderbescherming duidelijk dat voor terugplaatsing de veiligheid gegarandeerd moet zijn en dat het de kinderbescherming is die daar uiteindelijk over beslist. "Een loodzware beslissing", vindt Turnell.

Praten met kinderen

Praten met kinderen: veel hulpverleners, ouders en pleegouders moeten toegeven dat dat wel eens te weinig gebeurt. Begrijpelijk: je wilt het kind niet belasten met moeilijke problemen. Op de studiedag was een plenaire lezing en een workshop over praten met kinderen', een belangrijk onderwerp dus! Karel Mulderij somde de vooroordelen op die volwassenen hebben over kinderen, zoals: als het kind er niet over praat, heeft het er ook geen weet van. Of: als jij er niet over praat, denkt het kind er niet over. En: als een kind niet in een gesprek betrokken is, hoort het dat gesprek niet. Allemaal mis, het kind hoort en begrijpt veel meer dingen dan jij denkt en heeft daar ook een mening over. Karel Mulderij weet dat volwassenen voor 80% van de gesprekstijd tegen de kinderen aan praten en slechts 20% van de tijd iets van het kind te weten willen komen. Hoe moet het dan wel? Als je echt iets wilt weten, luister dan goed, wacht minstens zeven tellen voor je een volgende vraag stelt, want vaak komt er nog wat, stel niet teveel waarom' vragen en realiseer je dat kinderen frequentie- en tijdsbepalingen het allermoeilijkste vinden. Dus ook vragen naar hoe vaak' en wanneer' zijn moeilijk te beantwoorden.

Tijd en energie

Ik kan me voorstellen dat jeugdbeschermers weer enthousiast zijn geraakt door deze dag. Maar gaat het hen lukken op deze manier om te gaan met problemen in gezinnen? Het wordt mij wel eens wat benauwd om het hart wanneer ik hoor van subsidiestops, opnamestops, ontvlechting en fusering en een rapport van de Inspectie die de Voorzieningen voor Pleegzorg op verschillende onderdelen onder de maat verklaart. Laten we hopen dat er veel tijd en energie geïnvesteerd kan worden in waar het werkelijk om gaat: de veiligheid van het kind in zijn of haar gezin.

www.kidpartners.nl

Martine Delfos (2003): Luister je wel naar míj, gespreksvoering met kinderen tussen vier en twaalf jaar

Riet Portengen: Bouwstenen voor terug naar huis, kernpunten vaneen methodiek. ()