Mobiel gaat in de komende nummers over de grenzen heenkijken. Hoe
is pleegzorg geregeld in andere landen, van oost naar west, van noord
naar zuid? Vanaf nu in ieder nummer een uniek verhaal, geïllustreerd
met foto’s uit dat land. We geven u een sfeerimpressie, een
persoonlijke ervaring of een beschouwing over de organisatie van pleegzorg
in dat betreffende land. In dit nummer beginnen we met Curaçao.
Als bonus omdat het de eerste keer is, hebben we een speciale extra
aflevering van het ‘portret van een pleeggezin’.
In 1997 stond er in Mobiel een interview met Edfrim Reyna,
directeur van de Stichting Pleeggezinnencentrale Curaçao. De
Stichting, opgericht door vrijwilligers, bestond toen 15 jaar en een
beroepskracht werd de laatste 7 jaar gesubsidieerd door de Overheid.
Enthousiast vertelde Reyna aan Mobiel van zijn plannen voor verdere
professionalisering van de pleegzorg. Hoe is de situatie in 2003?
Tot onze grote verbazing vernemen we dat de Pleeggezinnencentrale
niet meer functioneert. Directrice Jennifer Snijder van de Gezinsvoogdij
Instelling vertelt dat de Overheid zo’n twee jaar geleden fusieplannen
heeft doorgevoerd. Alle jeugd moest onder één instelling
vallen, de PSI. (Fundashon Perspektiva Sosten Integral). Op zich was
er geen bezwaar tegen deze bundeling van krachten, maar in de praktijk
bleek dat er geen sprake meer was van werving en begeleiding van pleeggezinnen.
Mevrouw Snijder constateert met spijt dat instellingen moeten teren
op de pleeggezinnen die ze eerder via de Pleeggezinnencentrale hadden
of in hun eigen netwerk pleeggezinnen moeten zoeken. Omdat bij tehuizen
ook bezuinigingen zijn doorgevoerd, worden kinderen vaak in hun situatie
gelaten of zwerven van het ene naar het andere familielid.
Verbitterd
Toenmalig directeur Edfrim Reyna wordt met moeite gevonden. Hij
is nu bewaker van het gebouw van de Reclassering. Hij is verbitterd
over de gang van zaken. De pleeggezinnencentrale functioneert niet
meer en zijn deskundigheid is buitenspel gezet. “Als centrale
en als pleeggezinnen hebben we nog geprotesteerd, maar we hadden niet
op tijd in de gaten dat de Overheid bezig was met een ordinaire bezuiniging.”
Trots vertelt hij hoe de Centrale voorbereidingscursussen voor aspirant-pleegouders
organiseerde en een beginnerscursus van tien bijeenkomsten. Die vielen
zo in de smaak dat er een gevorderdencursus van zes bijeenkomsten
op volgde. Zelfs vaders, over het algemeen niet zo geïnteresseerd
in de opvoeding, kwamen er op af. Pleegouders van o.t.s.-kinderen
kregen inmiddels een vergoeding van 7,50 gulden per dag. Met veel
inzet verworven, met één pennenstreek van de kaart geveegd.
Rudy Maasdamme, nog steeds voorzitter van de Stichting, stond zo’n
20 jaar geleden aan de wieg van de Pleeggezinnencentrale. Hij deelt
de gevoelens van Reyna en kondigt, ondanks alle teleurstelling, aan:
“Dit najaar beginnen we opnieuw met de pleeggezinnencentrale.
Er is inmiddels een nieuwe regering en we hopen met de nieuwe gedeputeerde
opnieuw zaken te doen. We werven gelden via serviceclubs en via de
kinderpostzegels in Nederland. Het gaat immers nog steeds om het belang
van kwetsbare kinderen.”
Mireya Hoek is manager van de PSI, de jeugdhulpverleningsorganisatie
die door de Gedeputeerde is aangewezen om de pleegzorg uit te voeren.
De PSI is voorlopig niet van plan om wervingscampagnes te houden.
Met elk kind dat bij hen wordt aangemeld, wil het een zorgvuldig hulpverleningstraject
ingaan. Is een uithuisplaatsing onvermijdelijk, dan gaat de PSI op
zoek naar een netwerkpleeggezin. Is plaatsing in een pleeggezin een
feit, dan wil de PSI de nodige maatschappelijke en pedagogische begeleiding
geven.
Uit alle verhalen wordt duidelijk dat de goede voornemens er wel
weer zijn, maar dat de pleegzorg, door deze maatregelen van de Overheid,
flink op achterstand is gezet, zeker wanneer het gaat om niet-vrijwillige
uithuisplaatsingen. En zou dat niet het merendeel van de uithuisplaatsingen
zijn?