Wanneer een kind in een pleeggezin wordt geplaatst, wordt in de
rapportage van de plaatsende instantie bijna altijd de term ‘hechting’
genoemd. Maar wat hechting eigenlijk, is het te meten en wanneer ontstaat
hechting? Vaak is hierover geen overeenstemming te vinden. Alleen
al over het ontstaan van hechting verschilt men van mening. Er wordt
wel gesuggereerd dat baby’s die na hun eerste levensjaar in
een pleeggezin worden geplaatst geen veilige hechting meer zouden
ontwikkelen.
De hechtingstheorie - zoals die door de Engelse kinderpsychiater
Bowlby werd vastgelegd - kent een aantal soorten hechting. Om emotioneel
en sociaal een zelfstandig wezen te worden, is het nodig dat de afhankelijkheid
eerst wordt verdiept en bevestigd. In het eerste driekwart jaar van
het leven van het kind raakt het kind in toenemende mate emotioneel
afhankelijk van een of een paar mensen. De omgeving van mensen bij
wie het kind zich op zijn gemak voelt, wordt kleiner en niet groter,
hij is in sterkere mate onderworpen aan een paar mensen. Pas na ongeveer
anderhalf jaar ziet men een losmaking die leidt naar zelfstandigheid.
Dit proces, waarbij het kind voor zijn gevoel van welbevinden in toenemende
mate afhankelijk wordt van maar een paar mensen noemt Bowlby hechting.
Een leerling van Bowlby, Mary Ainsworth heeft vervolgens een meetinstrument
ontworpen - de vreemde situatie - dat als standaardinstrument wordt
gebruikt om iets te weten te komen over hechtingsgedrag van kinderen.
Zij onderscheidt drie types van hechting:
• onveilig gehecht met een zekere onverschilligheid
• veilig gehecht met vertrouwen en durf
• onveilig gehecht met onzekerheid en vastklampen
Relaties
De opname van een jong kind in de pleegzorg is onlosmakelijk verbonden
aan de ervaring die hij of zij heeft gehad in de relaties met de eigenlijke
opvoeders die (tijdelijk) worden verbroken. Vooral bij jonge kinderen
gebeurt dit op het moment dat het aangaan en onderhouden van gehechtheidsrelaties
een essentiële en biologische verankerde functie is. Pleegkinderen
zijn daardoor belast met ervaringen die het voor pleegouders moeilijk
kunnen maken om koesterend met het kind om te gaan. Pleegouders hebben
dus veel aan programma’s die ontwikkeld worden om hen te leren
en te steunen in het opbouwen van veilige gehechtheidsrelaties. Mary
Dozier heeft in Amerika een interventieprogramma ontworpen, het zogenaamde
ABC-programma. (Attachment and Biobehavarioral Catch-up, in vertaling
Gehechtheid en biologisch-gedragsmatige inhaalslag). Het programma
bestaat uit diverse onderdelen in in totaal tien sessies, waarin de
pleegouders geleerd wordt bepaalde gedragsuitingen te herinterpreteren.
Men gebruikt hiervoor video-opnamen waarin veilig en vermijdend
gehechtheidsgedrag te zien zijn. Zo zal zichtbaar worden hoe het voor
pleegouders gemakkelijk is om te reageren op een kind dat er direct
om vraagt, daarentegen hoe moeilijk het is als een kind zich afwendt
of boos lijkt te zijn. Het doel is de pleegouders te helpen de problemen
te onderkennen die zij kunnen hebben met het betreffende pleegkind.
Door middel van de metafoor ‘haaienmuziek’ tracht men
de weerstand bij de ouders te overwinnen. Er worden twee scènes
getoond van hetzelfde strand: een met rustige muziek en een met muziek
uit de film Jaws. De ouders wordt vervolgens gevraagd stil te staan
bij hun beleving en het verschil daarin om vervolgens aan te geven
wanneer zij dit verschil in beleving ervaren bij het opvoeden van
hun pleegkind. Hierna volgen nog negen sessies, waar door middel van
video-opnamen, ouders geleerd wordt interventies te plegen die hun
pleegkind, met een mogelijke hechtingsstoornis, helpen zich te ontwikkelen
naar zelfstandigheid.
Veilig
Wanneer een kind in een pleeggezin wordt geplaatst, willen de hulpverleners,
de gezinsvoogden en de pleegzorgwerkers weten hoe het zit met de hechtingsmogelijkheden
van een pleegkind. Wat zijn de hechtingsmogelijkheden van het kind
en is het kind in staat relaties aan te gaan met de pleegouders en
de andere gezinsleden, kan dit kind zich veilig voelen in dit pleeggezin?
Vragen die ook menig pleegouder zich zal stellen en die niet zo eenvoudig
te beantwoorden zijn. Belangrijk hierbij is wat er nu eigenlijk verstaan
wordt onder ‘hechting’. Een relatie met iemand aangaan
zegt bijvoorbeeld nog niets over wel of geen ‘veilige gehechtheid’.
Relationele mogelijkheden zeggen iets over de sociale vaardigheden
waarover iemand beschikt, een emotionele band tussen mensen vertelt
iets over de gevoelens binnen die relatie, maar dat wil nog niet zeggen
dat er gehechtheid bestaat en of die goed is. De hulpverlener zal
zeer accuraat te werk moeten gaan om de hechtingsmogelijkheden van
een pleegkind te ontdekken, om zo de pleegouders werkbare adviezen
te kunnen geven voor het omgaan met problemen die ze op hun weg tegenkomen.
Bullens zegt in het bij dit artikel besproken boek: “Onder veilige
hechting wordt de mogelijkheid verstaan dat kinderen op een gemakkelijke
manier terecht kunnen bij een gehechtheidsfiguur op het moment dat
op enigerlei wijze sprake is van stress, bijvoorbeeld spanning, ziekte,
vermoeidheid, angst en/of eventueel depressie. De gehechtheidsfiguur
fungeert daarbij letterlijk als veiligheidsgarant”.
Veilige of onveilige hechting heeft alles te maken met de gehechtheidsfiguur.
Veiligheid heeft hier als betekenis: positieve verwachting met betrekking
tot de beschikbaarheid van de gehechtheidsfiguur. Wanneer hierover
bij de hulpverleners duidelijkheid bestaat, kan aan de pleegouders
de ondersteuning geboden worden die zij nodig hebben wanneer zij te
maken krijgen met een onveilig gehecht pleegkind.
Dit sluit vervolgens goed aan op het eerder genoemde ABC-programma.
Belangrijk is tot een eenduidige formulering te komen voor het begrip
‘veilige en onveilige hechting’ om vervolgens pleegouders
hierin te begeleiden en ze te leren om te gaan met situaties van onveilige
hechting bij pleegkinderen. Vooral pleegouders zullen met kinderen
te maken krijgen die een ervaring achter de rug hebben van een verbroken
relatie met de eigenlijke opvoeders.
Recente boeken die bij dit thema relevant zijn:
Gehechtheid en kinderbescherming
Carlo Schuengel, Wim Slot en Ruud Bullens
Het Amsterdams Centrum voor Kinderstudies (ACK) is een reeks publicaties
gestart, waarin vraagstukken betreffende opvoeding en ontwikkeling
worden belicht. Een van de eerste publicaties op dit gebied is ‘Gehechtheid
en kinderbescherming’. Er wordt een aantal items besproken,
dat als uitgangspunt heeft gehechtheid binnen het kader van de kinderbescherming.
Dit kan zijn vanuit de praktijk van de kinderbescherming of van het
jeugdrecht, maar ook theorievorming met betrekking tot het omgaan
met verbroken gehechtheidrelaties of hechting van een pleegkind. De
heer Bullens heeft bijvoorbeeld een zeer leesbaar hoofdstuk ‘diagnostiek
van hechting van een pleegkind’ geschreven. Hierin wordt een
onderzoek beschreven, uitgevoerd door een forensisch diagnostisch
onderzoeksbureau (zgn. FORA) met betrekking tot hechting bij pleegkinderen.
De materie wordt niet als droge kost behandeld, maar duidelijk en
helder weergegeven. Met ruimte voor kritische opmerkingen, vooral
wat betreft de termen waar men regelmatig mee om de oren geslagen
wordt. Het artikel bewijst weliswaar dat er nog veel onderzoek op
het gebied van de gehechtheidstheorie nodig is, maar het geeft pleegouders
ook handvatten om hun pleegzorgwerkers met kritische vragen en opmerkingen
te bestoken en duidelijk te krijgen waar het bij hechting nu eigenlijk
om draait. Voor pleegouders is verder het artikel van Mary Dozier
‘omgaan met verbroken gehechtheidsrelaties’, met als ondertitel
‘de uitdaging voor jonge pleegkinderen’, van belang. Al
met al prettig leesbare artikelen, ook bestemd voor geïnteresseerde
niet professionele werkers. (BW)
Gehechtheid en kinderbescherming. Juridische relevantie van
gedragswetenschappelijke onderzoeksbevindingen door Carlo Schuengel,
Wim Slot en Ruud Bullens, Uitgeverij SWP, ISBN 90 66654864, €
13,00
Kijk op emoties
Mark Meerum Terwogt en Hans-Joachim Schulze (red.)
Het boek bestaat uit drie delen: deel I emotionele en morele ontwikkeling,
deel II problematisch gedrag en deel III opvoeding en beleid. Deel
I bestaat vooral uit theoretische bijdragen, zoals het emotionele
systeem of de morele opvattingen van jongeren. Deel II is het meest
interessante deel. Hier gaat het in het bijzonder over zaken waar
hulpverleners maar ook (pleeg)ouders vaker mee te maken krijgen, zoals
kinderen en geweld, pesten of reken- en leesproblemen. Oplossingen
worden er niet geboden, maar wel theorievorming over hoe bepaald gedrag
ontstaat, welke onderzoeken er plaatsvinden en wat het handelingsresultaat
is van deze onderzoeken. Aangegeven wordt welke programma’s
en projecten behulpzaam kunnen zijn bij het nader analyseren van de
problematiek en welke richtlijnen bieden voor verdere hulpverlening.
Deel III is meer gericht op de maatschappelijke component. Het artikel
‘dwang en verantwoordelijkheid in de jeugdzorg’ bespreekt
bijvoorbeeld de problematiek van verantwoordelijkheid van verschillende
instanties, zoals bij het drama (in 2002) in Roermond, waar een vader
zijn huis in brand stak, waarbij zes kinderen omkwamen. Het gezin
stond bekend stond als zeer problematisch met diverse langs elkaar
heen werkende hulpverleners. Zoals gezegd is deel II voor ‘gewone
lezers’ het leukste onderdeel van het boek, dat in zijn geheel
vooral voor belangstellenden werkzaam in de praktijk geschreven lijkt.
In het voorwoord van deze (mooi uitgegeven) reeks wordt dit ook met
zoveel woorden gezegd. (BW)
Kijk op emoties. Theorie en praktijk in ontwikkeling en opvoeding
door Mark Meerum Terwogt en Hans-Joachim Schulze (red.), Uitgeverij
SWP, ISBN 90 6665516X, € 27,50