artikel uit Mobiel 5, oktober/november 2003

thema: Behandeling in pleegzorg

Hechting

‘Veel geschreeuw en weinig wol: ik ben teruggekomen met handen even leeg als toen ik ging.’ Weldon Kees

Door: Ben Wagner

Wanneer een kind in een pleeggezin wordt geplaatst, wordt in de rapportage van de plaatsende instantie bijna altijd de term ‘hechting’ genoemd. Maar wat hechting eigenlijk, is het te meten en wanneer ontstaat hechting? Vaak is hierover geen overeenstemming te vinden. Alleen al over het ontstaan van hechting verschilt men van mening. Er wordt wel gesuggereerd dat baby’s die na hun eerste levensjaar in een pleeggezin worden geplaatst geen veilige hechting meer zouden ontwikkelen.

De hechtingstheorie - zoals die door de Engelse kinderpsychiater Bowlby werd vastgelegd - kent een aantal soorten hechting. Om emotioneel en sociaal een zelfstandig wezen te worden, is het nodig dat de afhankelijkheid eerst wordt verdiept en bevestigd. In het eerste driekwart jaar van het leven van het kind raakt het kind in toenemende mate emotioneel afhankelijk van een of een paar mensen. De omgeving van mensen bij wie het kind zich op zijn gemak voelt, wordt kleiner en niet groter, hij is in sterkere mate onderworpen aan een paar mensen. Pas na ongeveer anderhalf jaar ziet men een losmaking die leidt naar zelfstandigheid. Dit proces, waarbij het kind voor zijn gevoel van welbevinden in toenemende mate afhankelijk wordt van maar een paar mensen noemt Bowlby hechting. Een leerling van Bowlby, Mary Ainsworth heeft vervolgens een meetinstrument ontworpen - de vreemde situatie - dat als standaardinstrument wordt gebruikt om iets te weten te komen over hechtingsgedrag van kinderen. Zij onderscheidt drie types van hechting:

• onveilig gehecht met een zekere onverschilligheid
• veilig gehecht met vertrouwen en durf
• onveilig gehecht met onzekerheid en vastklampen

Relaties

De opname van een jong kind in de pleegzorg is onlosmakelijk verbonden aan de ervaring die hij of zij heeft gehad in de relaties met de eigenlijke opvoeders die (tijdelijk) worden verbroken. Vooral bij jonge kinderen gebeurt dit op het moment dat het aangaan en onderhouden van gehechtheidsrelaties een essentiële en biologische verankerde functie is. Pleegkinderen zijn daardoor belast met ervaringen die het voor pleegouders moeilijk kunnen maken om koesterend met het kind om te gaan. Pleegouders hebben dus veel aan programma’s die ontwikkeld worden om hen te leren en te steunen in het opbouwen van veilige gehechtheidsrelaties. Mary Dozier heeft in Amerika een interventieprogramma ontworpen, het zogenaamde ABC-programma. (Attachment and Biobehavarioral Catch-up, in vertaling Gehechtheid en biologisch-gedragsmatige inhaalslag). Het programma bestaat uit diverse onderdelen in in totaal tien sessies, waarin de pleegouders geleerd wordt bepaalde gedragsuitingen te herinterpreteren.

Men gebruikt hiervoor video-opnamen waarin veilig en vermijdend gehechtheidsgedrag te zien zijn. Zo zal zichtbaar worden hoe het voor pleegouders gemakkelijk is om te reageren op een kind dat er direct om vraagt, daarentegen hoe moeilijk het is als een kind zich afwendt of boos lijkt te zijn. Het doel is de pleegouders te helpen de problemen te onderkennen die zij kunnen hebben met het betreffende pleegkind. Door middel van de metafoor ‘haaienmuziek’ tracht men de weerstand bij de ouders te overwinnen. Er worden twee scènes getoond van hetzelfde strand: een met rustige muziek en een met muziek uit de film Jaws. De ouders wordt vervolgens gevraagd stil te staan bij hun beleving en het verschil daarin om vervolgens aan te geven wanneer zij dit verschil in beleving ervaren bij het opvoeden van hun pleegkind. Hierna volgen nog negen sessies, waar door middel van video-opnamen, ouders geleerd wordt interventies te plegen die hun pleegkind, met een mogelijke hechtingsstoornis, helpen zich te ontwikkelen naar zelfstandigheid.

Veilig

Wanneer een kind in een pleeggezin wordt geplaatst, willen de hulpverleners, de gezinsvoogden en de pleegzorgwerkers weten hoe het zit met de hechtingsmogelijkheden van een pleegkind. Wat zijn de hechtingsmogelijkheden van het kind en is het kind in staat relaties aan te gaan met de pleegouders en de andere gezinsleden, kan dit kind zich veilig voelen in dit pleeggezin? Vragen die ook menig pleegouder zich zal stellen en die niet zo eenvoudig te beantwoorden zijn. Belangrijk hierbij is wat er nu eigenlijk verstaan wordt onder ‘hechting’. Een relatie met iemand aangaan zegt bijvoorbeeld nog niets over wel of geen ‘veilige gehechtheid’. Relationele mogelijkheden zeggen iets over de sociale vaardigheden waarover iemand beschikt, een emotionele band tussen mensen vertelt iets over de gevoelens binnen die relatie, maar dat wil nog niet zeggen dat er gehechtheid bestaat en of die goed is. De hulpverlener zal zeer accuraat te werk moeten gaan om de hechtingsmogelijkheden van een pleegkind te ontdekken, om zo de pleegouders werkbare adviezen te kunnen geven voor het omgaan met problemen die ze op hun weg tegenkomen. Bullens zegt in het bij dit artikel besproken boek: “Onder veilige hechting wordt de mogelijkheid verstaan dat kinderen op een gemakkelijke manier terecht kunnen bij een gehechtheidsfiguur op het moment dat op enigerlei wijze sprake is van stress, bijvoorbeeld spanning, ziekte, vermoeidheid, angst en/of eventueel depressie. De gehechtheidsfiguur fungeert daarbij letterlijk als veiligheidsgarant”.

Veilige of onveilige hechting heeft alles te maken met de gehechtheidsfiguur. Veiligheid heeft hier als betekenis: positieve verwachting met betrekking tot de beschikbaarheid van de gehechtheidsfiguur. Wanneer hierover bij de hulpverleners duidelijkheid bestaat, kan aan de pleegouders de ondersteuning geboden worden die zij nodig hebben wanneer zij te maken krijgen met een onveilig gehecht pleegkind.

Dit sluit vervolgens goed aan op het eerder genoemde ABC-programma. Belangrijk is tot een eenduidige formulering te komen voor het begrip ‘veilige en onveilige hechting’ om vervolgens pleegouders hierin te begeleiden en ze te leren om te gaan met situaties van onveilige hechting bij pleegkinderen. Vooral pleegouders zullen met kinderen te maken krijgen die een ervaring achter de rug hebben van een verbroken relatie met de eigenlijke opvoeders.

Recente boeken die bij dit thema relevant zijn:

Gehechtheid en kinderbescherming

Carlo Schuengel, Wim Slot en Ruud Bullens

Het Amsterdams Centrum voor Kinderstudies (ACK) is een reeks publicaties gestart, waarin vraagstukken betreffende opvoeding en ontwikkeling worden belicht. Een van de eerste publicaties op dit gebied is ‘Gehechtheid en kinderbescherming’. Er wordt een aantal items besproken, dat als uitgangspunt heeft gehechtheid binnen het kader van de kinderbescherming. Dit kan zijn vanuit de praktijk van de kinderbescherming of van het jeugdrecht, maar ook theorievorming met betrekking tot het omgaan met verbroken gehechtheidrelaties of hechting van een pleegkind. De heer Bullens heeft bijvoorbeeld een zeer leesbaar hoofdstuk ‘diagnostiek van hechting van een pleegkind’ geschreven. Hierin wordt een onderzoek beschreven, uitgevoerd door een forensisch diagnostisch onderzoeksbureau (zgn. FORA) met betrekking tot hechting bij pleegkinderen. De materie wordt niet als droge kost behandeld, maar duidelijk en helder weergegeven. Met ruimte voor kritische opmerkingen, vooral wat betreft de termen waar men regelmatig mee om de oren geslagen wordt. Het artikel bewijst weliswaar dat er nog veel onderzoek op het gebied van de gehechtheidstheorie nodig is, maar het geeft pleegouders ook handvatten om hun pleegzorgwerkers met kritische vragen en opmerkingen te bestoken en duidelijk te krijgen waar het bij hechting nu eigenlijk om draait. Voor pleegouders is verder het artikel van Mary Dozier ‘omgaan met verbroken gehechtheidsrelaties’, met als ondertitel ‘de uitdaging voor jonge pleegkinderen’, van belang. Al met al prettig leesbare artikelen, ook bestemd voor geïnteresseerde niet professionele werkers. (BW)

Gehechtheid en kinderbescherming. Juridische relevantie van gedragswetenschappelijke onderzoeksbevindingen door Carlo Schuengel, Wim Slot en Ruud Bullens, Uitgeverij SWP, ISBN 90 66654864, € 13,00

Kijk op emoties

Mark Meerum Terwogt en Hans-Joachim Schulze (red.)

Het boek bestaat uit drie delen: deel I emotionele en morele ontwikkeling, deel II problematisch gedrag en deel III opvoeding en beleid. Deel I bestaat vooral uit theoretische bijdragen, zoals het emotionele systeem of de morele opvattingen van jongeren. Deel II is het meest interessante deel. Hier gaat het in het bijzonder over zaken waar hulpverleners maar ook (pleeg)ouders vaker mee te maken krijgen, zoals kinderen en geweld, pesten of reken- en leesproblemen. Oplossingen worden er niet geboden, maar wel theorievorming over hoe bepaald gedrag ontstaat, welke onderzoeken er plaatsvinden en wat het handelingsresultaat is van deze onderzoeken. Aangegeven wordt welke programma’s en projecten behulpzaam kunnen zijn bij het nader analyseren van de problematiek en welke richtlijnen bieden voor verdere hulpverlening. Deel III is meer gericht op de maatschappelijke component. Het artikel ‘dwang en verantwoordelijkheid in de jeugdzorg’ bespreekt bijvoorbeeld de problematiek van verantwoordelijkheid van verschillende instanties, zoals bij het drama (in 2002) in Roermond, waar een vader zijn huis in brand stak, waarbij zes kinderen omkwamen. Het gezin stond bekend stond als zeer problematisch met diverse langs elkaar heen werkende hulpverleners. Zoals gezegd is deel II voor ‘gewone lezers’ het leukste onderdeel van het boek, dat in zijn geheel vooral voor belangstellenden werkzaam in de praktijk geschreven lijkt. In het voorwoord van deze (mooi uitgegeven) reeks wordt dit ook met zoveel woorden gezegd. (BW)

Kijk op emoties. Theorie en praktijk in ontwikkeling en opvoeding door Mark Meerum Terwogt en Hans-Joachim Schulze (red.), Uitgeverij SWP, ISBN 90 6665516X, € 27,50