We hebben een gesprek met tante Sylvia Rosa, de zus van zijn vader.
Zij vertelt dat Pepe’s vader zich tijdens zijn ziekteperiode
ernstig zorgen maakte over de toekomst van zijn kinderen. Hij had
nooit gedacht dat hij eerder zou komen te overlijden dan zijn vrouw.
Toen zijn einde naderde voorzag hij dat zij het ook niet lang meer
maken zou, daarvoor waren haar gezondheids- en (alcohol)verslavingsproblemen
te ernstig. Mevrouw Rosa: “Ik had mijn broer beloofd dat de
kinderen goed terecht zouden komen. Dat was het laatste wat ik tegen
hem zei.”
Wat herinnert u zich nog van die periode?
“Pepe moest door de omstandigheden thuis al heel vroeg voor
zichzelf zorgen. Zijn moeder had een hoop problemen. Hij is ook geholpen
door het gezin van een vriendje in de buurt. Daar ging hij bijvoorbeeld
ontbijten. Op een gegeven moment ben ik met de zus van zijn moeder
naar de huisarts gestapt en zo hebben we de Kinderbescherming ingeschakeld
en gezegd dat die jongen niet thuis kon blijven. Hij was al veel bij
mij, maar zonder dat zijn moeder het wist. Dan zou ze boos geweest
zijn dat ik hem uit huis gehaald had. Ik zou er niet meer binnen mogen
komen. Terwijl ik daar toch wel af en toe de boel in de gaten moest
houden. Een zuster van zijn moeder heeft hem toen uit huis gehaald.
Eerst voor zes weken. Dat is dus langer geworden, een maand of twee.
Het weekend was hij bij mijn schoonzus. ’s Maandags werd hij
bij mij gebracht. In verband met school at en sliep hij bij ons tot
vrijdag. Dat is zo gebleven tot zijn moeder overleed, acht maanden
na het overlijden van mijn broer .”
“Ons idee was: zo’n jong kind hoort in een jong gezin
met ouders die nog van alles kunnen ondernemen. Dat zat er bij ons
niet in. Mijn man liep tegen de VUT-leeftijd. We hebben dat ook aan
hem uitgelegd.” Via via werd een pleeggezin gevonden. Die plaatsing
liep echter al gauw spaak. “Het ligt niet aan jou”, zeiden
ze tegen hem, “maar we durven het niet aan.” Hij schrok
daarvan, hij was er kapot van. Toen heb ik gezegd: “Je hoeft
niet bang te zijn. je gaat nooit naar een weeshuis of iets dergelijks,
òf je gaat naar een pleeggezin òf je blijft gewoon bij
mij.” Dat had ik ook nooit gedaan, hoor.”
“Via mijn broer kwamen we in contact met Mirjam en Edward.
Toen hebben we ook de instanties ingeschakeld. We wilden er echt een
beetje buiten blijven. We wilden het officieel doen. Zij zijn fantastische
mensen. Een lot uit de loterij. We hebben het enorm getroffen. Ze
zijn alledrie heel gelukkig met elkaar. Mirjam en Edward doen alles
wat een jong gezin doet, op wintersport en zwemmen…, dat deden
wij niet. Die jongen is helemaal opgebloeid. Hij praat nu wel over
zijn ouders, maar in het begin niet. Toen was hij echt kwaad op ze,
dat ze dood waren. Later ging dat wel over. Ik geef hem foto’s
van hen mee van vroeger, met zijn moeder toen hij baby was. Hij plakt
ze allemaal op. Hij heeft een leuke familie erbij gekregen. Het enige
dat ik vreemd blijf vinden, is dat hij pappa en mamma tegen ze zegt.
Toen hij dat de eerste keer zei…, dat doet wel even zeer. Wat
zou mijn broer daarvan gevonden hebben? Maar goed, als hij het van
boven kon zien dan zou hij blij zijn dat hij goed terecht gekomen
is.”
Eerst was er nog sprake van voogdij, maar later is hij
geadopteerd. Wat vindt u daarvan?
“Ik vind het prima. Ik heb er helemaal geen moeite mee. Hij
blijft wie hij is: het kind van mijn broer. Daar kan geen naam iets
aan veranderen. Zij wilden hem graag adopteren en hij wilde het. Ik
heb daar nooit een probleem van gemaakt. We hebben nog steeds contact
en dat gaat erg leuk. Ze gaan ook mee naar mijn moeder in het verzorgingstehuis.
Ze gaan ook leuk met mijn kinderen om. Ze horen er ook helemaal bij.
Ik ben blij dat er zulke mensen zijn die een jongetje van acht jaar
met een moeilijke achtergrond in hun gezin willen opnemen. Ik neem
mijn petje daarvoor af.”