Ergens eind jaren ’80 bezoek ik een avond over pleegzorg.
Samen met mijn vrouw zit ik braaf te luisteren naar een medewerker
van de afdeling voorlichting van de toen nog zogeheten Centrale voor
Pleegzorg. Zij legt uit hoe je pleeggezin kunt worden. Willen we dat?
Zelf een kind voortbrengen zit er voor ons vrijwel zeker niet in.
Ook al zijn we binnen het medisch circuit nog niet tot op de bodem
gegaan. Gedreven door het idee graag zelf een kind te willen groot
brengen - en misschien nog wel meer - is dit een eerste
stap om uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn. Het wordt ons al
snel duidelijk dat we ‘adoptief zijn ingesteld’ en dat
blijkt niet goed te zijn. Enigszins gedesillusioneerd verlaten we
het zaaltje. Dan maar echt adopteren!
Het duurt enkele jaren voor het zover is, maar dan komt toch het
grote moment. We bevinden ons in Suriname, net geland op ‘Zanderij’.
Vandaar rijden we rechtstreeks met de contactpersoon van de adoptieorganisatie
naar de plaats waar we onze kinderen - twee broertjes uit een
indiaanse familie - zullen ontmoeten. We kennen ze alleen nog
maar van de pasfoto’s waar we de laatste tijd elke dag naar
gekeken hebben. Daar zien we de oudste. Breed lachend stapt hij op
ons af. Vanachter een pilaar gluurt zijn jongere broertje naar ons.
We krijgen aarzelend een uitgestoken hand. Vanaf dat moment zijn we
een gezin met twee kinderen van zes en zeven.
We hebben het voorrecht hun ouders en meer familieleden te leren
kennen. Met een tussenpoos van enkele jaren gaan we tweemaal terug
en halen de banden aan. Door het regelmatige contact met familieleden
(ook in Nederland) lijkt het toch een beetje op pleegzorg. Nu bevinden
we ons in La Plata, Argentinië, vanwege de IFCO-conferentie.
Ik kijk naar mijn jongens, 18 en 19 jaar zijn ze inmiddels. Voor de
derde keer zijn we met ons vieren op het continent waar de jongens
zijn geboren. Het doet hun zichtbaar goed.