artikel uit Mobiel 4, augustus/september 2003

Beste lezers

Door: Siemen Spinder, redacteur

Ergens eind jaren ’80 bezoek ik een avond over pleegzorg. Samen met mijn vrouw zit ik braaf te luisteren naar een medewerker van de afdeling voorlichting van de toen nog zogeheten Centrale voor Pleegzorg. Zij legt uit hoe je pleeggezin kunt worden. Willen we dat? Zelf een kind voortbrengen zit er voor ons vrijwel zeker niet in. Ook al zijn we binnen het medisch circuit nog niet tot op de bodem gegaan. Gedreven door het idee graag zelf een kind te willen groot brengen - en misschien nog wel meer - is dit een eerste stap om uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn. Het wordt ons al snel duidelijk dat we ‘adoptief zijn ingesteld’ en dat blijkt niet goed te zijn. Enigszins gedesillusioneerd verlaten we het zaaltje. Dan maar echt adopteren!

Het duurt enkele jaren voor het zover is, maar dan komt toch het grote moment. We bevinden ons in Suriname, net geland op ‘Zanderij’. Vandaar rijden we rechtstreeks met de contactpersoon van de adoptieorganisatie naar de plaats waar we onze kinderen - twee broertjes uit een indiaanse familie - zullen ontmoeten. We kennen ze alleen nog maar van de pasfoto’s waar we de laatste tijd elke dag naar gekeken hebben. Daar zien we de oudste. Breed lachend stapt hij op ons af. Vanachter een pilaar gluurt zijn jongere broertje naar ons. We krijgen aarzelend een uitgestoken hand. Vanaf dat moment zijn we een gezin met twee kinderen van zes en zeven.

We hebben het voorrecht hun ouders en meer familieleden te leren kennen. Met een tussenpoos van enkele jaren gaan we tweemaal terug en halen de banden aan. Door het regelmatige contact met familieleden (ook in Nederland) lijkt het toch een beetje op pleegzorg. Nu bevinden we ons in La Plata, Argentinië, vanwege de IFCO-conferentie. Ik kijk naar mijn jongens, 18 en 19 jaar zijn ze inmiddels. Voor de derde keer zijn we met ons vieren op het continent waar de jongens zijn geboren. Het doet hun zichtbaar goed.