artikel uit Mobiel 3, juni/juli 2003

thema: Grote pleeggezinnen

Grote pleeggezinnen

Door: Rick van de Locht

Een groot (pleeg)gezin is erg ongebruikelijk in Nederland. Het ideaal van een man en een vrouw met twee kinderen, het liefst één jongen en één meisje, die ze zelf hebben gekregen en gaan opvoeden, is sterk verankerd in onze samenleving. Alles wat ervan afwijkt is aan veel kritiek onderhevig. Er kleven veel vooroordelen aan bijvoorbeeld gezinnen met homoseksuele ouders, alleenstaande vaders of moeders, kinderloze echtparen en ook aan grote pleeggezinnen. In dit artikel wil ik een aantal vragen stellen bij heersende ideeën over gezinsomvang. Daarbij volg ik drie punten die bij ouders en kinderen spelen: aandacht, ontwikkeling en opvoeding.

Een van de vooroordelen in Nederland is dat kinderen in een groot pleeggezin weinig aandacht krijgen. De aandacht van de ouders moet namelijk met meer kinderen gedeeld worden. Ook in het beleid van de pleegzorg wordt dit aangegeven: ‘Pleegkinderen hebben (…) in het algemeen meer aandacht nodig dan het gemiddelde kind. Meer kinderen in een gezin verkleint de ruimte om die extra aandacht te kunnen geven’. 1)

Een groot pleeggezin is een gezin met meer dan drie pleegkinderen, ongeacht het aantal eigen kinderen. Een gezin met vier eigen kinderen en twee pleegkinderen is dus geen groot pleeggezin. Omgekeerd is een gezin met vier pleegkinderen en twee eigen kinderen dat wel. Over grote pleeggezinnen staat in de Nederlandse wet dat ‘in een pleeggezin niet meer dan drie pleegkinderen opgenomen worden, tenzij de voorziening voor pleegzorg aan onze Minister die het aangaat aannemelijk maakt dat plaatsing in een pleeggezin, waar al drie of meer kinderen zijn geplaatst, verantwoord is’. Dit betekent dat een vierde pleegkind alleen bijgeplaatst kan worden als de situatie dat echt toelaat. Twee overwegingen zijn hierbij belangrijk. Ten eerste ‘het belang van het kind’. In een groot pleeggezin heb je te maken met veel kinderen. Alle aanwezige kinderen moeten hun persoonlijke ontwikkeling kunnen doormaken. De komst van een vierde kind moet dit niet in de weg staan. Ten tweede moet het pleeggezin de mogelijkheid hebben om een vierde kind op te nemen. Er moet dus voldoende ruimte en geld zijn voor de kinderen. De gezinsleden moeten emotioneel in staat zijn de problemen het hoofd te bieden en de ouders moeten de kunst van het opvoeden goed doorhebben. Het belangrijkste argument om van de richtlijn af te wijken is de bijplaatsing van een broertje of zusje van een pleegkind in hetzelfde gezin.

Voor een bepaalde groep kinderen is het echter prettig om in een gezin terecht te komen waar meer afstand is tot de opvoeders. Te denken valt aan kinderen die lange tijd in een leefgroep gewoond hebben. De overgang naar het gezinsleven is dan kleiner. Te veel aandacht kan voor deze kinderen bedreigend zijn en zelfs leiden tot gedragsproblemen. Ook kinderen die onveilig gehecht zijn (kinderen die in de eerste levensjaren niet geleerd hebben zich te binden aan hun ouders door bijvoorbeeld mishandeling of verwaarlozing) kunnen dat uiten in angst voor nabijheid. Zij kunnen in een groot pleeggezin wellicht voorzichtig leren relaties aan te gaan. 2)

Het vooroordeel dat is gericht op de geringe aandacht van ouders van grote gezinnen voor hun kinderen is niet helemaal eerlijk. Vaak is het zo dat ouders zorgvuldig kiezen voor veel kinderen en daar dus veel tijd in willen steken. Het is een bewuste carrière, net als die van veel ‘werkende moeders’. En hoeveel aandacht hebben werkende moeders? Is de ouderlijke aandacht in een voor Nederland ‘normaal’ gezin, tweeverdieners met hun kinderen op de crêche of in naschoolse opvang, niet minstens zo gering als van ouders van een groot gezin? Dit vooroordeel gaat dus op voor een grote groep kinderen. Ik ben echter van mening dat veel kinderen ‘verwend’ worden met aandacht. Als kind vond ik het fijn om de wereld zelf te ontdekken met mijn vriendjes. Kinderen verdienen het de ruimte te krijgen om kind te zijn, om soms onverstandige dingen te mogen doen en om niet altijd door ouders gecontroleerd en gecorrigeerd te worden.

Ontwikkeling

Uit een Amerikaans onderzoek komt naar voren dat kinderen uit een groot gezin over het algemeen een lager opleidingsniveau halen. 3) Dit ‘feit’ zegt meer over de situatie in de Verenigde Staten dan over de intelligentie in een groot gezin, maar het steunt wel de misvatting dat de ontwikkeling van een kind vertraagd wordt in een groot gezin. De volgelingen van de Franse opvoedkundige Piaget zullen juist voorstanders zijn van grote pleeggezinnen. Zij nemen aan dat leeftijdsgenootjes samen spelenderwijs op problemen stuiten en deze op hun eigen manier oplossen om naar een volgende stap in de geestelijke ontwikkeling te komen. Pleegkinderen met een vergelijkbare achtergrond zullen vermoedelijk ook voor hun specifieke problemen tegenkomen. Door deze samen op te lossen kunnen ze elkaar een stap vooruit helpen. Een lastig punt bij grote pleeggezinnen, maar belangrijk voor de ontwikkeling van het kind, is het contact met de ouders. Veel pleegkinderen in huis betekent veel tijd moeten vrijmaken voor bezoekende ouders. 4) Het is samenwerking in het kwadraat! Deze samenwerking is iets dat niet vaak genoeg benadrukt kan worden. Zeker voor kinderen die bij plaatsing in een pleeggezin ouder waren dan zes jaar en dus een tijd door de ouders zijn opgevoed, is het belangrijk op een goede manier contact te houden. Zo kan voorkomen worden dat het pleegkind moet kiezen tussen zijn ouders en pleegouders. Dit zou een loyaliteitsconflict oproepen en de ontwikkeling van het kind verstoren.

Opvoeding

Judith Harris, bedenker van de groep-socialisatie-theorie, gaat ervan uit dat ouders er in de opvoeding niet toe doen. Ze heeft een model ontwikkeld dat laat zien welke mensen de meeste invloed hebben op kinderen en welke relaties het belangrijkst zijn. Niet de meesters, juffen of ouders, maar de leeftijdgenootjes hebben, volgens haar, het meest te vertellen! 5) Harris bedoelt met leeftijdgenoten waarschijnlijk niet de broertjes en zusjes. Waarschijnlijk ook niet de pleegbroertjes of pleegzusjes. Dus het blijft de vraag wie de pleegkinderen eigenlijk opvoeden… Misschien kunnen de kinderen, zeker in een groot pleeggezin, nog iets van elkaar leren! De Nederlandse wetgever gaat ervan uit dat een beperktere omvang van een gezin tot een betere en meer verantwoorde opvoedingssituatie leidt. Toch laat ze de mogelijkheid open om meer dan drie pleegkinderen op te nemen. Deze mogelijkheid wordt in de toekomst waarschijnlijk uitgebreid. Omdat er behoefte is aan nieuwe vormen van hulpverlening die tussen pleeggezin en residentiële hulpverlening (kindertehuis) in staan, wordt er nagedacht om meer regels op te stellen voor het bestaan van grote pleeggezinnen. 6)

Op vooroordelen hoeven we hier niet af te gaan. Wij moeten kritisch zijn en blijven nadenken. Grote pleeggezinnen vullen een belangrijk gat op in de jeugdhulpverlening en daarmee zijn ze van ‘grote’ waarde! l

1 Standpunt en beleid van de Stichting Pleegzorg Nederland.
2 Aanscherping en concretisering van criteria voor pleegkinderen en pleegouders in grote pleeggezinnen (2002).
3 Steelman, L.S. cs. (2002). Reconsidering The Effects of Sibling Configuration: Recent Advances and Challenges. Annual Review of Sociology, 28, 243-269.
4 Basiscriteria Centrum voor Pleegzorg
5 Harris, J.R. (1998). The nurture assumption: Why children turn out the way they do. New York: Free Press.
6 Standpunt en beleid van de Stichting Pleegzorg Nederland.