Vette koppen in de kranten dit voorjaar: ‘Hulp aan pleegkinderen
vaak verkeerd’. Dat het allemaal niet zo ongenuanceerd kan liggen,
weten we natuurlijk best als ‘praktijkmensen’ in de pleegzorg.
Maar hoe zit het dan wel? We vroegen de onderzoeker zelf om zijn proefschrift
voor onze lezers toe te lichten. In dit artikel krijgt u de nuance
achter de schreeuwende koppen uitgebreid toegelicht.
Veel onderzoekers hebben onderzocht waarom pleeggezinplaatsingen
voortijdig werden afgebroken. Deze onderzoekers spraken van ongeveer
30 tot 50% van de pleegkinderen die om verschillende redenen (bijvoorbeeld
ernstige gedragsproblemen) voortijdig een pleeggezin verlieten. Om
te onderzoeken waarom pleeggezinplaatsingen mislukken, besloot de
in 1995 ingestelde Nationale Innovatiecommissie Pleegzorg te laten
onderzoeken welke redenen plaatsers gebruiken om een kind in een pleeggezin
te plaatsen. Ik heb dat onderzoek uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek
was om meer te weten te komen over welke kinderen met welke problemen
het beste in een pleeggezin kunnen worden geholpen. Het onderliggende
idee was dat als plaatsers duidelijke regels hebben voor het kiezen
van de juiste zorg aan een kind, voorkomen wordt dat een kind hulp
krijgt die het niet nodig heeft. Het bieden van verkeerde hulp aan
het kind kan namelijk weer leiden tot een verdere ontwrichting van
het kind, omdat met uithuisplaatsing bedreigde kinderen tot dusver
toch al weinig zekerheid en veiligheid in hun leven hebben mogen ervaren.
De verwachtingen die deze kinderen dan bij nieuwe hulp hebben, zijn
niet groot door de slechte ervaringen met eerdere hulp. Vermoedelijk
gedragen deze kinderen zich daarom heel lastig als ze na veel hulp
in een pleeggezin geplaatst worden. Daarom moeten er duidelijke regels
komen die aangeven wanneer een kind wel bij een pleeggezin moet worden
geplaatst en wanneer niet.
Deze regels moeten worden vastgelegd in een zogenaamde indicatie
voor pleegzorg. In een indicatie voor pleegzorg wordt beschreven waarom
een kind pleegzorg nodig heeft en wat de plaatser met pleegzorg voor
het kind wil bereiken. Bijvoorbeeld: het kind heeft de warmte en structuur
van een gezin nodig of het kind wordt tijdelijk uithuis geplaatst,
zodat de ouders van het kind even op adem kunnen komen of aan hun
eigen problemen kunnen werken. Tegenwoordig zijn de Bureaus Jeugdzorg
of, in geval van een onder toezicht stelling, de kinderrechter verantwoordelijk
voor het plaatsen van kinderen in pleeggezinnen.
Het onderzoek
De drie belangrijkste vragen die ik met mijn onderzoek wilde beantwoorden,
zijn:
1 Welke overwegingen spelen bij plaatsers zoals Bureau Jeugdzorg
een rol om een kind in een pleeggezin te plaatsen?
2 Worden kinderen om bepaalde redenen sneller in een bepaald type
pleeggezin geplaatst, zoals een kortverblijfgezin, een langdurig
pleeggezin, een netwerkgezin, een weekendgezin of in een instelling?
3 Zijn er redenen te vinden welke kinderen met welke problemen het
beste in een pleeggezin geplaatst kunnen worden en welke kinderen
beter niet?
De eerste vraag welke overwegingen de plaatser heeft om een kind
in een pleeggezin te plaatsen, is beantwoord door te kijken naar wat
andere onderzoekers en wat Voorzieningen voor Pleegzorg (VVP) als
redenen noemen. Het valt op dat onderzoekers meer de nadruk leggen
op de redenen waarom een kind in een pleeggezin geplaatst moet worden
en dat de VVP’s meer kijken naar de redenen waarom een kind
niet in een pleeggezin geplaatst moet worden. Dit staat bekend als
het ‘Ja tenzij...’ beleid van de VVP’s en wil zoveel
zeggen dat de VVP’s een kind wel willen opnemen maar alleen
als er geen negatieve redenen te vinden zijn die plaatsing in een
pleeggezin mogelijk tot een mislukking maken. Negatieve redenen zijn
bijvoorbeeld het verzet van de biologische ouders en/of van het kind
zelf en problemen bij het kind zoals psychiatrische problemen, alcohol-
of drugsgebruik en crimineel gedrag. De onderzoekers (zowel in Nederland
als in andere landen) noemen onder meer de volgende redenen die een
rol spelen bij het plaatsen van een kind in een pleeggezin:
Redenen die bij het kind liggen:
• kind heeft gedragsproblemen die niet te ernstig zijn maar
waarover de ouder geen controle heeft
• jonge kinderen worden eerder in een pleeggezin geplaatst
dan oudere kinderen omdat jonge kinderen zich nog beter aan een
pleeggezin kunnen aanpassen
• het kind heeft lichamelijke aandoeningen of medische problematiek
waardoor de opvoeding voor de ouder al dan niet tijdelijk te zwaar
wordt
Redenen die bij de ouder worden gezocht:
• de ouder verwaarloost het kind geestelijk, lichamelijk
en/of sociaal
• de ouder mishandelt het kind geestelijk en/of lichamelijk
• de ouder voelt zich geestelijk en/of lichamelijk niet goed
(genoeg) om zelf de opvoeding van het kind ter hand te nemen
• de ouder is verslaafd aan drugs en/of alcohol en kan daardoor
het kind niet opvoeden
• de ouder heeft van zichzelf niet genoeg vaardigheden om
het kind op te voeden
• er spelen teveel problemen tussen de ouders met als gevolg
dat de opvoeding van het kind er onder lijdt
• de relatie tussen ouder en kind is niet goed
• de ouder is al dan niet tijdelijk afwezig door bijvoorbeeld
opname in een ziekenhuis of verslavingskliniek of de ouder is overleden
en niemand is aanwezig om de opvoeding van het kind op zich te nemen
Redenen
Voor het beantwoorden van de tweede en derde vraag zijn pleegzorgdossiers
bij twee voorzieningen voor pleegzorg in Nederland (Utrecht en Limburg)
geraadpleegd.
Voor het vinden van opvallende redenen om een kind te plaatsen in
een bepaald type pleeggezin heb ik 107 dossiers bestudeerd. De verhouding
tussen dossiers van jongens en meisjes was 54 om 53. De gemiddelde
leeftijd van zowel de jongens als meisjes was 7 jaar en 7 maanden.
De in de dossiers gevonden redenen zijn onderverdeeld in uitspraken
die gingen over het kind, bijvoorbeeld ‘het kind steelt’
en uitspraken die gingen over de ouder, zoals ’moeder kan kind
niet aan’. Een uitspraak als ‘het kind steelt’ werd
ondergebracht in de rubriek Gedragsproblemen en ‘moeder kan
het kind niet aan’ in de rubriek Opvoedingsvaardigheden. De
meest in het oog springende redenen om een kind in een bepaald type
pleeggezin te plaatsen, zijn:
• kinderen van wie de ouder aangeeft dat hij of zij zich
in een problematische situatie bevindt, worden vaker in een weekendgezin
dan wel in een jeugdinstelling geplaatst
• op weekendpleegouders wordt vaker een beroep gedaan dan
op andere typen pleegouders wanneer de hulpverlener vindt dat het
kind gedragsproblemen of geestelijke en/of lichamelijke problemen
heeft. Weekendpleegzorg wordt vaak ingezet om de biologische ouders,
de pleegouders of instellingen waar het kind verblijft even te ontlasten
• wanneer ouders relatieproblemen hebben, zal de hulpverlener
minder snel besluiten om een kind bij een weekendgezin onder te
brengen dan bij andere typen pleeggezinnen
• kortverblijfgezinnen worden relatief vaker ingezet wanneer
de ouder regelmatig last heeft van sombere of depressieve buien
• bij een combinatie van niet op korte termijn oplosbare ouder-
en kindredenen, kiest de plaatser eerder voor langdurige pleegzorg
• netwerkpleeggezinnen lijken de voorkeur te hebben wanneer
de ouder aangeeft steun te krijgen van familie of kennissen wanneer
hij of zij problemen heeft
• ook wordt vaker voor een netwerkgezin gekozen wanneer sprake
is van klachten van familieleden of kennissen die gaan over de problematische
leefomstandigheden van het kind, bijvoorbeeld wanneer het kind niet
thuis kan blijven en/of geen plek heeft om te wonen
Slagen of mislukken
De vraag of er redenen in de dossiers te vinden zijn die vaker voorkomen
bij geslaagde pleegzorgplaatsingen dan bij mislukte pleegzorgplaatsingen
is onderzocht met behulp van 210 dossiers. Hiervoor is informatie
gehaald uit 108 dossiers van jongens en 102 dossiers van meisjes.
De gemiddelde leeftijd van de jongens was 8 jaar en 4 maanden en van
de meisjes 8 jaar en 7 maanden. Voor dit onderzoek zijn alle redenen
zoals genoemd in de dossiers ondergebracht in redenen die over het
kind gingen, redenen die over de ouders gingen en redenen die het
gehele gezin betroffen. Zo zijn bijvoorbeeld uitspraken in de dossiers
die over leerproblemen van het kind gingen, ingedeeld in de deelrubriek
‘leren en communiceren’. Uitspraken die gingen over de
depressiviteit van de ouder zijn ingedeeld bij de deelrubriek ‘gemoedstoestand
van de ouder’. Uitspraken die wezen op overbelasting van de
ouders zijn ondergebracht in de deelrubriek ‘gezinsbelasting’.
In totaal zijn er 86 redenen uit de dossiers gehaald die weer onderverdeeld
zijn in 16 rubrieken zoals ‘cognitieve problemen van het kind’
waar ‘leren en communiceren’ deel van uitmaakt of ‘emotionele
problemen van de moeder’ waar ‘gemoedstoestand van de
ouder’ onder valt.
Een aantal redenen werd beduidend vaker gevonden bij plaatsingen
waar het tot dan toe goed ging dan bij pleeggezinnen waar de plaatsing
voortijdig was beëindigd. Na twee jaar ging de plaatsing nog
goed bij 89% van de pleeggezinnen. Drie redenen kwamen meer voor bij
pleeggezinnen waar het na twee jaar nog goed ging dan bij voortijdig
afgebroken plaatsingen. Deze zijn:
Kinderen doen het goed in pleeggezinnen wanneer het volgende thuis
aan de hand was:
• de emotionele en psychische problemen van de ouders
• ouders hebben (tijdelijk) geen huis en/of geen geld en kunnen
daarom niet voor hun kinderen zorgen
• er spelen voogdijkwesties: wanneer de ouders via de rechter
de opvoeding van hun kind willen afdwingen
Gebrek aan continuïteit
De enige maar wel heel belangrijke reden om een kind wellicht niet
in een pleeggezin te plaatsen die ik in mijn onderzoek gevonden heb,
is de hulpverleningsgeschiedenis van het kind. Wanneer een kind al
meerdere plaatsingen of andere vormen van hulp heeft gehad, is de
kans groter dan gewoonlijk dat de plaatsing in een pleeggezin fout
gaat. Het gebrek aan continuïteit (zekerheid) in het leven van
een kind maakt dat het kind zich moeilijker kan aanpassen aan alweer
een nieuwe plek. Zo’n kind gaat dan in een pleeggezin lastig
gedrag vertonen omdat het denkt dat het toch weer weg moet bij het
pleeggezin. Deze reden moet, net als de door de VVP’s genoemde
redenen die tegen een pleeggezinplaatsing pleiten, worden meegenomen
in de beslissingen van plaatsers om een kind al dan niet bij een pleeggezin
onder te brengen.
Om meer richting te geven aan de keuze om een kind in een pleeggezin
te plaatsen, heb ik in mijn promotieonderzoek een voorstel voor een
verwijsmodel gedaan. Hiervoor zou dan nog in de nabije toekomst een
goed verwijsinstrument ontwikkeld moeten worden. Dit verwijsmodel
is afgeleid uit artikel 23 van de Wet op de Jeugdhulpverlening van
1989. Dit artikel schrijft voor dat de geïndiceerde hulp zo snel
mogelijk moet plaatsvinden, zo dicht mogelijk bij huis gegeven moet
worden, zo kort als mogelijk moet duren en in de lichtst mogelijke
vorm moet worden aangeboden. Dit resulteert volgens mij in het volgende
verwijsmodel voor de pleegzorg:
Pleegzorg wordt pas ingezet als blijkt dat zowel pedagogische thuishulp
(bijvoorbeeld intensieve ambulante gezinsbehandelingen) als ambulante
zorg (bijvoorbeeld behandelingen bij RIAGG’s) niet helpen om
een uithuisplaatsing te voorkomen. Wanneer een uithuisplaatsing toch
onvermijdelijk is, gaat de voorkeur uit naar pleegzorg boven residentiële
zorg (opname in een 24-uurs instelling). Alleen wanneer blijkt dat
pleegzorg toch niet de gewenste hulp voor het kind is, moet residentiële
zorg worden ingezet.
Veel soorten
Binnen pleegzorg zijn er vervolgens weer keuzemogelijkheden. Dit
zijn netwerkgezin, wanneer het een pleeggezin uit de naaste omgeving
van het kind betreft, een bestandsgezin, wanneer er vooraf geen relatie
tussen pleegkind en pleeggezin is en therapeutische gezinsverpleging,
wanneer het kind emotionele of antisociale gedragsstoornissen heeft.
Indien een geschikt netwerkgezin gevonden kan worden, heeft dit type
pleeggezin de voorkeur boven een bestandsgezin. Het kind verblijft
dan namelijk zo dicht mogelijk bij zijn vertrouwde omgeving. Netwerkpleegzorg
wordt daarom gezien als de minst ingrijpende vorm van pleegzorg. Zowel
binnen netwerk- als bestandsgezinnen kan, afhankelijk van de situatie
van het kind, gekozen worden tussen een kortdurend verblijf in de
zin van pleegzorg als module en een langdurig verblijf, wanneer pleegzorg
als opvoedingsarrangement wordt ingezet. Een kortdurend verblijf verdient
de voorkeur boven een langdurig verblijf. Weekendpleegzorg kan, net
zoals andere typen pleeggezinnen die ik niet genoemd heb, onder netwerk
of bestandsgezin vallen. Daarbinnen kan weer gekozen worden voor kortdurende
of langdurige weekendpleegzorg.
De moraal van dit onderzoek is dat een goede indicatie voor pleegzorg,
waarin staat waarom een kind pleegzorg nodig heeft, van groot belang
is om continuïteit in het leven van een kind te brengen. Deze
continuïteit of zekerheid voor een hulpbehoevend kind is te bereiken
door meteen bij aanvang van een hulptraject de meest geschikte hulpvorm
te kiezen.
Dr. Ronald E. de Meyer is op 13 februari jl. gepromoveerd
op het proefschrift ‘Indications for Foster Care in The Netherlands:
an evaluation and model proposal’ aan de Katholieke Universiteit
van Nijmegen (KUN). Dit proefschrift is te vinden op internet via
het volgende rechtstreekse www-adres: http://webdoc.ubn.kun.nl/mono/
m/meyer_r_de/indifofoc.pdf
Momenteel werkt Ronald De Meyer bij Praktikon, de onderzoeksafdeling
van het Academisch Centrum van de Sociale Wetenschappen van de KUN.
Hij doet daar evaluatieonderzoek bij intensieve ambulante gezins-
behandelingen. E-mailadres: