artikel uit Mobiel 2, april/mei 2003

Indicatie in de pleegzorg

auteur: Dr. Ronald E. de Meyer, onderzoeker Praktikon aan de Universiteit van Nijmegen

Vette koppen in de kranten dit voorjaar: ‘Hulp aan pleegkinderen vaak verkeerd’. Dat het allemaal niet zo ongenuanceerd kan liggen, weten we natuurlijk best als ‘praktijkmensen’ in de pleegzorg. Maar hoe zit het dan wel? We vroegen de onderzoeker zelf om zijn proefschrift voor onze lezers toe te lichten. In dit artikel krijgt u de nuance achter de schreeuwende koppen uitgebreid toegelicht.

Veel onderzoekers hebben onderzocht waarom pleeggezinplaatsingen voortijdig werden afgebroken. Deze onderzoekers spraken van ongeveer 30 tot 50% van de pleegkinderen die om verschillende redenen (bijvoorbeeld ernstige gedragsproblemen) voortijdig een pleeggezin verlieten. Om te onderzoeken waarom pleeggezinplaatsingen mislukken, besloot de in 1995 ingestelde Nationale Innovatiecommissie Pleegzorg te laten onderzoeken welke redenen plaatsers gebruiken om een kind in een pleeggezin te plaatsen. Ik heb dat onderzoek uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek was om meer te weten te komen over welke kinderen met welke problemen het beste in een pleeggezin kunnen worden geholpen. Het onderliggende idee was dat als plaatsers duidelijke regels hebben voor het kiezen van de juiste zorg aan een kind, voorkomen wordt dat een kind hulp krijgt die het niet nodig heeft. Het bieden van verkeerde hulp aan het kind kan namelijk weer leiden tot een verdere ontwrichting van het kind, omdat met uithuisplaatsing bedreigde kinderen tot dusver toch al weinig zekerheid en veiligheid in hun leven hebben mogen ervaren. De verwachtingen die deze kinderen dan bij nieuwe hulp hebben, zijn niet groot door de slechte ervaringen met eerdere hulp. Vermoedelijk gedragen deze kinderen zich daarom heel lastig als ze na veel hulp in een pleeggezin geplaatst worden. Daarom moeten er duidelijke regels komen die aangeven wanneer een kind wel bij een pleeggezin moet worden geplaatst en wanneer niet.

Deze regels moeten worden vastgelegd in een zogenaamde indicatie voor pleegzorg. In een indicatie voor pleegzorg wordt beschreven waarom een kind pleegzorg nodig heeft en wat de plaatser met pleegzorg voor het kind wil bereiken. Bijvoorbeeld: het kind heeft de warmte en structuur van een gezin nodig of het kind wordt tijdelijk uithuis geplaatst, zodat de ouders van het kind even op adem kunnen komen of aan hun eigen problemen kunnen werken. Tegenwoordig zijn de Bureaus Jeugdzorg of, in geval van een onder toezicht stelling, de kinderrechter verantwoordelijk voor het plaatsen van kinderen in pleeggezinnen.

Het onderzoek

De drie belangrijkste vragen die ik met mijn onderzoek wilde beantwoorden, zijn:

1 Welke overwegingen spelen bij plaatsers zoals Bureau Jeugdzorg een rol om een kind in een pleeggezin te plaatsen?
2 Worden kinderen om bepaalde redenen sneller in een bepaald type pleeggezin geplaatst, zoals een kortverblijfgezin, een langdurig pleeggezin, een netwerkgezin, een weekendgezin of in een instelling?
3 Zijn er redenen te vinden welke kinderen met welke problemen het beste in een pleeggezin geplaatst kunnen worden en welke kinderen beter niet?

De eerste vraag welke overwegingen de plaatser heeft om een kind in een pleeggezin te plaatsen, is beantwoord door te kijken naar wat andere onderzoekers en wat Voorzieningen voor Pleegzorg (VVP) als redenen noemen. Het valt op dat onderzoekers meer de nadruk leggen op de redenen waarom een kind in een pleeggezin geplaatst moet worden en dat de VVP’s meer kijken naar de redenen waarom een kind niet in een pleeggezin geplaatst moet worden. Dit staat bekend als het ‘Ja tenzij...’ beleid van de VVP’s en wil zoveel zeggen dat de VVP’s een kind wel willen opnemen maar alleen als er geen negatieve redenen te vinden zijn die plaatsing in een pleeggezin mogelijk tot een mislukking maken. Negatieve redenen zijn bijvoorbeeld het verzet van de biologische ouders en/of van het kind zelf en problemen bij het kind zoals psychiatrische problemen, alcohol- of drugsgebruik en crimineel gedrag. De onderzoekers (zowel in Nederland als in andere landen) noemen onder meer de volgende redenen die een rol spelen bij het plaatsen van een kind in een pleeggezin:

Redenen die bij het kind liggen:

• kind heeft gedragsproblemen die niet te ernstig zijn maar waarover de ouder geen controle heeft
• jonge kinderen worden eerder in een pleeggezin geplaatst dan oudere kinderen omdat jonge kinderen zich nog beter aan een pleeggezin kunnen aanpassen
• het kind heeft lichamelijke aandoeningen of medische problematiek waardoor de opvoeding voor de ouder al dan niet tijdelijk te zwaar wordt

Redenen die bij de ouder worden gezocht:

• de ouder verwaarloost het kind geestelijk, lichamelijk en/of sociaal
• de ouder mishandelt het kind geestelijk en/of lichamelijk
• de ouder voelt zich geestelijk en/of lichamelijk niet goed (genoeg) om zelf de opvoeding van het kind ter hand te nemen
• de ouder is verslaafd aan drugs en/of alcohol en kan daardoor het kind niet opvoeden
• de ouder heeft van zichzelf niet genoeg vaardigheden om het kind op te voeden
• er spelen teveel problemen tussen de ouders met als gevolg dat de opvoeding van het kind er onder lijdt
• de relatie tussen ouder en kind is niet goed
• de ouder is al dan niet tijdelijk afwezig door bijvoorbeeld opname in een ziekenhuis of verslavingskliniek of de ouder is overleden en niemand is aanwezig om de opvoeding van het kind op zich te nemen

Redenen

Voor het beantwoorden van de tweede en derde vraag zijn pleegzorgdossiers bij twee voorzieningen voor pleegzorg in Nederland (Utrecht en Limburg) geraadpleegd.

Voor het vinden van opvallende redenen om een kind te plaatsen in een bepaald type pleeggezin heb ik 107 dossiers bestudeerd. De verhouding tussen dossiers van jongens en meisjes was 54 om 53. De gemiddelde leeftijd van zowel de jongens als meisjes was 7 jaar en 7 maanden. De in de dossiers gevonden redenen zijn onderverdeeld in uitspraken die gingen over het kind, bijvoorbeeld ‘het kind steelt’ en uitspraken die gingen over de ouder, zoals ’moeder kan kind niet aan’. Een uitspraak als ‘het kind steelt’ werd ondergebracht in de rubriek Gedragsproblemen en ‘moeder kan het kind niet aan’ in de rubriek Opvoedingsvaardigheden. De meest in het oog springende redenen om een kind in een bepaald type pleeggezin te plaatsen, zijn:

• kinderen van wie de ouder aangeeft dat hij of zij zich in een problematische situatie bevindt, worden vaker in een weekendgezin dan wel in een jeugdinstelling geplaatst
• op weekendpleegouders wordt vaker een beroep gedaan dan op andere typen pleegouders wanneer de hulpverlener vindt dat het kind gedragsproblemen of geestelijke en/of lichamelijke problemen heeft. Weekendpleegzorg wordt vaak ingezet om de biologische ouders, de pleegouders of instellingen waar het kind verblijft even te ontlasten
• wanneer ouders relatieproblemen hebben, zal de hulpverlener minder snel besluiten om een kind bij een weekendgezin onder te brengen dan bij andere typen pleeggezinnen
• kortverblijfgezinnen worden relatief vaker ingezet wanneer de ouder regelmatig last heeft van sombere of depressieve buien
• bij een combinatie van niet op korte termijn oplosbare ouder- en kindredenen, kiest de plaatser eerder voor langdurige pleegzorg
• netwerkpleeggezinnen lijken de voorkeur te hebben wanneer de ouder aangeeft steun te krijgen van familie of kennissen wanneer hij of zij problemen heeft
• ook wordt vaker voor een netwerkgezin gekozen wanneer sprake is van klachten van familieleden of kennissen die gaan over de problematische leefomstandigheden van het kind, bijvoorbeeld wanneer het kind niet thuis kan blijven en/of geen plek heeft om te wonen

Slagen of mislukken

De vraag of er redenen in de dossiers te vinden zijn die vaker voorkomen bij geslaagde pleegzorgplaatsingen dan bij mislukte pleegzorgplaatsingen is onderzocht met behulp van 210 dossiers. Hiervoor is informatie gehaald uit 108 dossiers van jongens en 102 dossiers van meisjes. De gemiddelde leeftijd van de jongens was 8 jaar en 4 maanden en van de meisjes 8 jaar en 7 maanden. Voor dit onderzoek zijn alle redenen zoals genoemd in de dossiers ondergebracht in redenen die over het kind gingen, redenen die over de ouders gingen en redenen die het gehele gezin betroffen. Zo zijn bijvoorbeeld uitspraken in de dossiers die over leerproblemen van het kind gingen, ingedeeld in de deelrubriek ‘leren en communiceren’. Uitspraken die gingen over de depressiviteit van de ouder zijn ingedeeld bij de deelrubriek ‘gemoedstoestand van de ouder’. Uitspraken die wezen op overbelasting van de ouders zijn ondergebracht in de deelrubriek ‘gezinsbelasting’. In totaal zijn er 86 redenen uit de dossiers gehaald die weer onderverdeeld zijn in 16 rubrieken zoals ‘cognitieve problemen van het kind’ waar ‘leren en communiceren’ deel van uitmaakt of ‘emotionele problemen van de moeder’ waar ‘gemoedstoestand van de ouder’ onder valt.

Een aantal redenen werd beduidend vaker gevonden bij plaatsingen waar het tot dan toe goed ging dan bij pleeggezinnen waar de plaatsing voortijdig was beëindigd. Na twee jaar ging de plaatsing nog goed bij 89% van de pleeggezinnen. Drie redenen kwamen meer voor bij pleeggezinnen waar het na twee jaar nog goed ging dan bij voortijdig afgebroken plaatsingen. Deze zijn:

Kinderen doen het goed in pleeggezinnen wanneer het volgende thuis aan de hand was:

• de emotionele en psychische problemen van de ouders
• ouders hebben (tijdelijk) geen huis en/of geen geld en kunnen daarom niet voor hun kinderen zorgen
• er spelen voogdijkwesties: wanneer de ouders via de rechter de opvoeding van hun kind willen afdwingen

Gebrek aan continuïteit

De enige maar wel heel belangrijke reden om een kind wellicht niet in een pleeggezin te plaatsen die ik in mijn onderzoek gevonden heb, is de hulpverleningsgeschiedenis van het kind. Wanneer een kind al meerdere plaatsingen of andere vormen van hulp heeft gehad, is de kans groter dan gewoonlijk dat de plaatsing in een pleeggezin fout gaat. Het gebrek aan continuïteit (zekerheid) in het leven van een kind maakt dat het kind zich moeilijker kan aanpassen aan alweer een nieuwe plek. Zo’n kind gaat dan in een pleeggezin lastig gedrag vertonen omdat het denkt dat het toch weer weg moet bij het pleeggezin. Deze reden moet, net als de door de VVP’s genoemde redenen die tegen een pleeggezinplaatsing pleiten, worden meegenomen in de beslissingen van plaatsers om een kind al dan niet bij een pleeggezin onder te brengen.

Om meer richting te geven aan de keuze om een kind in een pleeggezin te plaatsen, heb ik in mijn promotieonderzoek een voorstel voor een verwijsmodel gedaan. Hiervoor zou dan nog in de nabije toekomst een goed verwijsinstrument ontwikkeld moeten worden. Dit verwijsmodel is afgeleid uit artikel 23 van de Wet op de Jeugdhulpverlening van 1989. Dit artikel schrijft voor dat de geïndiceerde hulp zo snel mogelijk moet plaatsvinden, zo dicht mogelijk bij huis gegeven moet worden, zo kort als mogelijk moet duren en in de lichtst mogelijke vorm moet worden aangeboden. Dit resulteert volgens mij in het volgende verwijsmodel voor de pleegzorg:

Pleegzorg wordt pas ingezet als blijkt dat zowel pedagogische thuishulp (bijvoorbeeld intensieve ambulante gezinsbehandelingen) als ambulante zorg (bijvoorbeeld behandelingen bij RIAGG’s) niet helpen om een uithuisplaatsing te voorkomen. Wanneer een uithuisplaatsing toch onvermijdelijk is, gaat de voorkeur uit naar pleegzorg boven residentiële zorg (opname in een 24-uurs instelling). Alleen wanneer blijkt dat pleegzorg toch niet de gewenste hulp voor het kind is, moet residentiële zorg worden ingezet.

Veel soorten

Binnen pleegzorg zijn er vervolgens weer keuzemogelijkheden. Dit zijn netwerkgezin, wanneer het een pleeggezin uit de naaste omgeving van het kind betreft, een bestandsgezin, wanneer er vooraf geen relatie tussen pleegkind en pleeggezin is en therapeutische gezinsverpleging, wanneer het kind emotionele of antisociale gedragsstoornissen heeft. Indien een geschikt netwerkgezin gevonden kan worden, heeft dit type pleeggezin de voorkeur boven een bestandsgezin. Het kind verblijft dan namelijk zo dicht mogelijk bij zijn vertrouwde omgeving. Netwerkpleegzorg wordt daarom gezien als de minst ingrijpende vorm van pleegzorg. Zowel binnen netwerk- als bestandsgezinnen kan, afhankelijk van de situatie van het kind, gekozen worden tussen een kortdurend verblijf in de zin van pleegzorg als module en een langdurig verblijf, wanneer pleegzorg als opvoedingsarrangement wordt ingezet. Een kortdurend verblijf verdient de voorkeur boven een langdurig verblijf. Weekendpleegzorg kan, net zoals andere typen pleeggezinnen die ik niet genoemd heb, onder netwerk of bestandsgezin vallen. Daarbinnen kan weer gekozen worden voor kortdurende of langdurige weekendpleegzorg.

De moraal van dit onderzoek is dat een goede indicatie voor pleegzorg, waarin staat waarom een kind pleegzorg nodig heeft, van groot belang is om continuïteit in het leven van een kind te brengen. Deze continuïteit of zekerheid voor een hulpbehoevend kind is te bereiken door meteen bij aanvang van een hulptraject de meest geschikte hulpvorm te kiezen.

 

Dr. Ronald E. de Meyer is op 13 februari jl. gepromoveerd op het proefschrift ‘Indications for Foster Care in The Netherlands: an evaluation and model proposal’ aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen (KUN). Dit proefschrift is te vinden op internet via het volgende rechtstreekse www-adres: http://webdoc.ubn.kun.nl/mono/ m/meyer_r_de/indifofoc.pdf
Momenteel werkt Ronald De Meyer bij Praktikon, de onderzoeksafdeling van het Academisch Centrum van de Sociale Wetenschappen van de KUN. Hij doet daar evaluatieonderzoek bij intensieve ambulante gezins- behandelingen. E-mailadres: