Zoals u heeft kunnen lezen in het themanummer van Mobiel van juni/juli
2002 heeft netwerkpleegzorg veel voordelen, maar vereist het tot stand
brengen en het begeleiden van netwerkpleeggezinnen een wat andere
kijk op pleegzorg. Het was en is een actueel onderwerp, ook binnen
de pleegzorg van de William Schrikker Stichting.
De W.S.S. biedt hulpverlening aan gehandicapte kinderen of kinderen
van een ouder met een handicap.
De visie: gezinsopvoeding, tenzij… ook voor een gehandicapt
kind, leek al een goede eerste stap naar die ‘andere kijk’
en de opdracht van de overheid om vooral eerst letterlijk of figuurlijk
‘dicht bij huis’ te zoeken naar opvangmogelijkheden, leek
daar naadloos op aan te sluiten.
De voordelen van netwerkplaatsing voor met name verstandelijk of
zintuiglijk gehandicapte kinderen liggen voor de hand: de pleegouders
kennen het kind en accepteren zijn verleden en culturele achtergrond
èn zijn beperkingen. Zij kiezen ervoor om juist voor hem te
zorgen. Dikwijls kennen zij het ‘recept’ al om met dit
bijzondere kind om te gaan. Voor een kind dat door zijn verstandelijke
handicap nieuwe informatie moeilijk of langzaam verwerkt of voor een
blind of doof kind, heeft het heel veel voordelen als de omgeving,
de mensen en de regels waarmee hij te maken krijgt, bekend en vertrouwd
zijn.
Ook is het voor het (gehandicapte) kind en zijn (gehandicapte) ouder
prettig als zij goed en regelmatig contact met elkaar kunnen houden
in een omgeving die zij kennen en die de ouders accepteren als verblijfplaats
voor hun kind.
Maar er kleven ook nadelen aan. Het gemak waarmee sommige netwerkpleegouders
de beperkingen van het kind accepteren kan als nadeel hebben dat zij
hem te weinig in zijn ontwikkeling stimuleren en ongewenst gedrag
niet corrigeren. Dat kan de begeleiding bemoeilijken: de pleeggezinbegeleider
die dat ter sprake brengt, wordt dan al gauw beschouwd als een pottenkijker
die zoveel mogelijk buiten de deur gehouden moet worden.
Er is veel minder kans op loyaliteitsconflicten voor het kind als
de netwerkplaatsing in goed overleg binnen het netwerk en met de eigen
ouders tot stand komt. Maar de kans op loyaliteitsconflicten wordt
juist groter als er spanningen of problemen in het netwerk zijn.
En die spanningen liggen voortdurend op de loer. Meestal betreft
het een gedwongen uithuisplaatsing vanwege onmacht van ouders om goed
genoeg voor hun kind, waar ze wel zielsveel van houden, te zorgen.
Voor verstandelijk gehandicapte ouders is dit dikwijls een herhaling
van onbegrepen falen en tekortschieten ten opzichte van normaal begaafde
familieleden. De pleegouders dragen ook de last van die geschiedenis.
Zij hebben dikwijls een ambivalente relatie met een ouder van het
kind, die binnen het netwerk vaak het onderwerp was van zorg, bescherming
en loyaliteit, maar ook van gevoelens van schuld en schaamte.
Dit zijn enige voorbeelden van specifieke problemen die zich kunnen
voordoen bij netwerkpleegzorg voor ‘Schrikkerkinderen’,
die leiden tot de conclusie dat ook deze pleegzorgvorm specifieke
deskundigheid vereist. En dat heeft weer geleid tot het opzetten en
aanbieden van cursussen netwerkpleegzorg aan gezinsonderzoekers, jeugdbeschermers
en pleeggezinbegeleiders van de W.S.S.