"Pleegouders en pleegkinderen hoeven niet dezelfde levensovertuiging
te hebben. Dit is afhankelijk van de leeftijd van het kind en de duur
van de plaatsing. Bij matching moet vooral gelet worden op de ruimte
en ondersteuning die de pleegouders kunnen bieden aan het pleegkind
bij het (verder) ontwikkelen van zijn eigen levensovertuiging."
De redactie vroeg twee deskundigen op het vlak van levensovertuiging
bij kinderen hun visie op levensovertuiging in de pleegzorg.
Of we nu grote of kleine mensen zijn, allemaal stellen we ons bij
tijd en wijle vragen die de zin van het bestaan en met name ook van
ons eigen leven betreffen. Vooral ingrijpende gebeurtenissen werpen
ons terug op onszelf. Hierbij kunnen we denken aan ziekte, dood, scheiding,
catastrofes in de vorm van natuurrampen, maar ook trein- of vliegtuigongelukken
en bomaanslagen.
De kern van de vragen die zulke gebeurtenissen dichtbij en ver weg
bij ons oproepen, heeft over het algemeen betrekking op zaken als
"Hoe zie ik mijzelf en mijn leven in relatie tot de wereld om
mij heen en in relatie tot andere mensen?", en "Is er ook
iets dat deze dingen en gebeurtenissen overstijgt of omvat?"
Vaak zijn deze vragen helemaal niet zo duidelijk geformuleerd, maar
verwijzen meer naar gevoelens die ons danig in de greep kunnen hebben
en ook lange tijd kunnen houden. Die gevoelens lijken te maken te
hebben met een soort oneindige zoektocht naar een betekenisvol of
bezield verband, kortom een levensbeschouwing waarin de zinvolheid
van het leven gedacht en ervaren kan worden. In die zin lijkt het
erop dat mensen ongeneeslijk levensbeschouwelijk zijn. De vragen blijven
maar komen en de behoefte aan een zinvolle plaatsbepaling ook.
Zoektocht
Of mensen van nature levensbeschouwelijk zijn, laten we hier nu maar
even onbeantwoord. Daar zijn boekenkasten over volgeschreven. Wat
we wel weten is dat in verschillende tijden en culturen die zoektocht
naar zin is neergeslagen in religies of godsdiensten. Er zijn hele
instituties omheen gebouwd, met experts die de heilige geschriften
uitleggen, met speciaal ingerichte gebouwen, aparte rituelen en gedragsregels.
Elk van deze religieuze tradities richt zich door een speciaal aanbod
op de eigen, jongere en oudere aanhangers om hen te stimuleren tot
een rijkere en diepere manier van geloven.
Ook is bekend dat jonge kinderen al belangrijke en moeilijke levensvragen
stellen en deze met elkaar kunnen bespreken, bijvoorbeeld bij lessen
‘filosoferen met en door kinderen’, maar dat kan net zo
goed ‘theologiseren door kinderen’ genoemd worden. Peuters
en kleuters kunnen eindeloos en heel onbevangen naar het ‘wat’
en ‘waarom’ van allerlei zaken vragen. Ze staan heel erg
open voor religieuze vragen en voor wat ouders en verzorgers hierover
vertellen en hiermee doen. Wanneer er in de opvoeding aandacht besteed
wordt aan levensbeschouwelijke vorming zal de religieuze ontwikkeling
van kinderen ongeveer als volgt verlopen. Tijdens de eerste twee levensjaren
van een kind wordt de basis van het latere geloven gelegd in de relatie
die het kind met zijn ouders of verzorgers heeft. Wanneer die liefdevol,
betrokken, zorgzaam en stimulerend zijn, ontwikkelt het kind (zelf)vertrouwen,
moed, hoop en liefde die de geloofsfundamenten vormen.
Napraten
Als kinderen rond het tweede jaar gaan praten wordt de spraak een
belangrijk middel om de omgeving en ervaringen te ordenen. Dat wat
kinderen thuis over geloofszaken horen, gaan ze meestal overnemen.
Je kunt jonge kinderen hun ouders dan vaak ook letterlijk horen napraten.
Een vijfjarig gereformeerd meisje antwoordde bijvoorbeeld op de vraag
wie God is: ‘De Here God geeft licht’. Wanneer je doorvraagt
bij jonge kinderen over hun idee van ‘God’ merk je vaak
dat ze een heel tastbaar en concreet beeld hebben. God is dan een
gloeilamp, anders kan Hij toch geen licht geven? Jonge kinderen hebben
een enorme verbeeldingskracht. Fantasie en werkelijkheid lopen regelmatig
door elkaar heen. Dit komt doordat ze van veel dingen te weinig weten.
Wat ze nog niet snappen proberen ze met hun eigen fantasie grijpbaar
te maken. Zo zegt een katholiek jongetje dat je, wanneer je doodgaat,
vleugels krijgt van God.
Een gereformeerd meisje denkt dat God kan toveren.
Vanaf een jaar of zeven zijn kinderen erg leergierig. Ze richten zich
vooral op het verzamelen van allerlei feiten, maar hebben nog niet
veel oog voor de betekenis van iets. Omdat kinderen op deze leeftijd
al veel weten, kunnen ze goed onderscheid maken tussen fantasie en
werkelijkheid. In hun denken en geloven zijn ze nog wel heel concreet.
God wordt in deze periode meestal als een mens gezien, als een soort
vader die voor je zorgt. Het godsbeeld verschilt vaak per geloofsstroming.
Kritisch
Onder invloed van de ontwikkeling van het denken (abstract denken),
van de groep leeftijdgenoten waar kinderen bijhoren en van ingrijpende
gebeurtenissen (bijvoorbeeld een sterfgeval in de familie), worden
kinderen vanaf een jaar of twaalf kritisch over geloofszaken. Steeds
vaker komen vragen naar boven als: ‘Is het allemaal wel waar’,
‘Wat heb je eigenlijk aan geloven en naar de kerk gaan? En ‘Als
God bestaat, waarom laat hij dan armoede en oorlogen toe?’ Hoewel
jongeren zich flink af kunnen zetten tegen hun ouders in geloofszaken,
blijken ouders een heel grote invloed te hebben. De geloofshouding
van ouders leidt uiteindelijk vaak tot een zelfde geloofshouding bij
jongeren. Het beeld van God kan op deze leeftijd vrij abstract zijn,
bijvoorbeeld dat God een geest is of een bundeling van krachten.
Vier visies
Over het belang van geloofszaken voor kinderen kunnen ouders verschillend
denken. Grofweg onderscheiden we vier visies, twee voor levensbeschouwelijk
actieve (‘gelovige’) ouders en twee voor ouders zonder
expliciete levensovertuiging. Gelovige ouders kunnen zich volgens
de eerste visie als doel stellen dat de levensbeschouwelijke opvoeding
van hun kinderen pas geslaagd is als hun kinderen ook de ouderlijke
religieuze of godsdienstige overtuiging overnemen. Vanuit de tweede
visie kunnen gelovige ouders van mening zijn dat ze hun kinderen bekend
willen maken met de levensovertuiging die voor henzelf het belangrijkste
is. Maar ze willen ook dat hun kinderen thuis en op school kennis
maken met andere levensovertuigingen. Hun doel is uiteindelijk dat
de kinderen zelf een weloverwogen keuze zullen maken voor een bepaalde
religie, welke dat ook maar moge zijn.
Een derde visie gaat op voor ouders die zelf geen expliciete levensbeschouwelijke
oriëntatie hebben, maar het belangrijk vinden dat hun kinderen
bijvoorbeeld via de school wel in aanraking komen met een verscheidenheid
aan levensovertuigingen. In de vierde visie hechten de ouders daar
noch voor zichzelf noch voor hun kinderen enig belang aan.
Wat betekent een en ander nu wanneer we de pedagogische relatie van
pleegouders en pleegkinderen vanuit het perspectief van ‘zin-zorg’,
de levensbeschouwelijke vorming van de pleegkinderen bekijken? Uiteraard
zijn de vier visies die we grofweg hebben onderscheiden ook van toepassing
op pleegouders. Het gaat er dus om hoe zij zichzelf als religieus
persoon zien en in hun rol als levensbeschouwelijke opvoeder. Het
is duidelijk dat dit zeer verschillend kan zijn. Maar er is pedagogisch
gesproken meer, namelijk het pleegkind in kwestie. Heel belangrijk
is de leeftijd van het kind en verder ook het te voorziene, eventuele
verdere traject van dit kind. Kortom, hoe lang is de geschatte verblijfsduur
bij deze pleegouders? En ook niet te vergeten wat het kind heeft meegemaakt
met ouders, verzorgers en pleegouders.
Ruimte voor respect
Als een kind zeer jong is, dat wil zeggen als de eigen levensbeschouwelijke
persoonsvorming niet of nog nauwelijks is ontwikkeld, is het aannemelijk
dat de pleegouders hun eigen lijn in dezen kiezen. De lijn die ze
ook bij hun eigen kinderen zouden volgen of hebben gevolgd. De zaak
wordt pas echt ingewikkeld als het om oudere pleegkinderen gaat. Zeker
bij pleegkinderen waarbij de eigen levensbeschouwelijke identiteit
al ontloken is en deze levensbeschouwelijke persoonsvorming ook nog
eens expliciet verbonden is met een bepaalde geloofsgemeenschap. Van
pleegouders mag verwacht worden dat zij dit deel van de persoonsvorming
van hun pleegkind op positieve wijze zullen benaderen en behandelen.
(Als pleegouders mag je hopen dat je pleegkind dit ook bij voorgaande
pleegouders heeft ervaren. Zo niet, dan ligt hier een bijkomende moeilijkheid.)
De eigen levensovertuiging van de pleegouders zal in zo’n geval
ook die ruimte moeten bieden om dit respect en deze benadering op
te kunnen brengen. Het mag duidelijk zijn dat indien pleegouders in
de eerste visie (en de levensbeschouwing van het pleegkind en pleegouders
fundamenteel verschillen) of de vierde visie te plaatsen zijn, er
een probleem ligt. Zeker voor het jongere kind, maar ook voor de jongere
tot een jaar of achttien, is het van groot belang dat het zich gesteund
weet in zijn eigen verdere levensbeschouwelijke persoonsvorming. Uit
onderzoek weten we dat meer nog dan de school en de leeftijdgenoten,
de ouders er hier toe doen. En waarom zou dat ook niet voor de pleegouders
gelden?
Conclusie
De conclusie hoeft dus niet te zijn dat het noodzakelijk is dat de
levensbeschouwing of het geloof van pleegkinderen met een reeds ontwikkelde
levensbeschouwelijke persoonlijkheid en de overtuiging van de pleegouders
dezelfde moet zijn. Wil echter het desbetreffende pleegkind niet in
de klem komen door een religieus loyaliteitsconflict als het gaat
om de eigen overtuiging enerzijds en de botsende overtuiging of de
duidelijke desinteresse van de pleegouders op dit punt anderzijds,
dan zal het pleegkind hoe dan ook de ruimte en ondersteuning moeten
kunnen krijgen en ervaren. Ook voor de levensbeschouwelijke opvoeding
van pleegkinderen geldt immers dat zij zich zo optimaal mogelijk tot
zelfstandige persoonlijkheden moeten kunnen ontwikkelen. De visie
en het aandeel van de pleegouders zal met dit uitgangspunt zo goed
mogelijk moeten sporen.
Prof. dr. Siebren Miedema is hoogleraar christelijk onderwijs binnen
de Faculteit der Psychologie en Pedagogiek en hoogleraar godsdienstpedagogiek
binnen de Faculteit der Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam.
e-mail:
Dr. Simone A. de Roos is onderzoeker binnen de Faculteit der Psychologie
en Pedagogiek, Vrije Universiteit Amsterdam en doet onderzoek naar
geloofsontwikkeling van kinderen vanuit gehechtheidtheoretisch perspectief.
e-mail: