artikel uit Mobiel 6, december/januari 2002/3

thema: Levensovertuiging

Zinzorg. Over levensbeschouwelijke opvoeding in de pleegzorg

Door: Siebren Miedema en Simone de Roos

"Pleegouders en pleegkinderen hoeven niet dezelfde levensovertuiging te hebben. Dit is afhankelijk van de leeftijd van het kind en de duur van de plaatsing. Bij matching moet vooral gelet worden op de ruimte en ondersteuning die de pleegouders kunnen bieden aan het pleegkind bij het (verder) ontwikkelen van zijn eigen levensovertuiging." De redactie vroeg twee deskundigen op het vlak van levensovertuiging bij kinderen hun visie op levensovertuiging in de pleegzorg.

Of we nu grote of kleine mensen zijn, allemaal stellen we ons bij tijd en wijle vragen die de zin van het bestaan en met name ook van ons eigen leven betreffen. Vooral ingrijpende gebeurtenissen werpen ons terug op onszelf. Hierbij kunnen we denken aan ziekte, dood, scheiding, catastrofes in de vorm van natuurrampen, maar ook trein- of vliegtuigongelukken en bomaanslagen.
De kern van de vragen die zulke gebeurtenissen dichtbij en ver weg bij ons oproepen, heeft over het algemeen betrekking op zaken als "Hoe zie ik mijzelf en mijn leven in relatie tot de wereld om mij heen en in relatie tot andere mensen?", en "Is er ook iets dat deze dingen en gebeurtenissen overstijgt of omvat?" Vaak zijn deze vragen helemaal niet zo duidelijk geformuleerd, maar verwijzen meer naar gevoelens die ons danig in de greep kunnen hebben en ook lange tijd kunnen houden. Die gevoelens lijken te maken te hebben met een soort oneindige zoektocht naar een betekenisvol of bezield verband, kortom een levensbeschouwing waarin de zinvolheid van het leven gedacht en ervaren kan worden. In die zin lijkt het erop dat mensen ongeneeslijk levensbeschouwelijk zijn. De vragen blijven maar komen en de behoefte aan een zinvolle plaatsbepaling ook.

Zoektocht

Of mensen van nature levensbeschouwelijk zijn, laten we hier nu maar even onbeantwoord. Daar zijn boekenkasten over volgeschreven. Wat we wel weten is dat in verschillende tijden en culturen die zoektocht naar zin is neergeslagen in religies of godsdiensten. Er zijn hele instituties omheen gebouwd, met experts die de heilige geschriften uitleggen, met speciaal ingerichte gebouwen, aparte rituelen en gedragsregels. Elk van deze religieuze tradities richt zich door een speciaal aanbod op de eigen, jongere en oudere aanhangers om hen te stimuleren tot een rijkere en diepere manier van geloven.

Ook is bekend dat jonge kinderen al belangrijke en moeilijke levensvragen stellen en deze met elkaar kunnen bespreken, bijvoorbeeld bij lessen ‘filosoferen met en door kinderen’, maar dat kan net zo goed ‘theologiseren door kinderen’ genoemd worden. Peuters en kleuters kunnen eindeloos en heel onbevangen naar het ‘wat’ en ‘waarom’ van allerlei zaken vragen. Ze staan heel erg open voor religieuze vragen en voor wat ouders en verzorgers hierover vertellen en hiermee doen. Wanneer er in de opvoeding aandacht besteed wordt aan levensbeschouwelijke vorming zal de religieuze ontwikkeling van kinderen ongeveer als volgt verlopen. Tijdens de eerste twee levensjaren van een kind wordt de basis van het latere geloven gelegd in de relatie die het kind met zijn ouders of verzorgers heeft. Wanneer die liefdevol, betrokken, zorgzaam en stimulerend zijn, ontwikkelt het kind (zelf)vertrouwen, moed, hoop en liefde die de geloofsfundamenten vormen.

Napraten

Als kinderen rond het tweede jaar gaan praten wordt de spraak een belangrijk middel om de omgeving en ervaringen te ordenen. Dat wat kinderen thuis over geloofszaken horen, gaan ze meestal overnemen. Je kunt jonge kinderen hun ouders dan vaak ook letterlijk horen napraten. Een vijfjarig gereformeerd meisje antwoordde bijvoorbeeld op de vraag wie God is: ‘De Here God geeft licht’. Wanneer je doorvraagt bij jonge kinderen over hun idee van ‘God’ merk je vaak dat ze een heel tastbaar en concreet beeld hebben. God is dan een gloeilamp, anders kan Hij toch geen licht geven? Jonge kinderen hebben een enorme verbeeldingskracht. Fantasie en werkelijkheid lopen regelmatig door elkaar heen. Dit komt doordat ze van veel dingen te weinig weten. Wat ze nog niet snappen proberen ze met hun eigen fantasie grijpbaar te maken. Zo zegt een katholiek jongetje dat je, wanneer je doodgaat, vleugels krijgt van God.
Een gereformeerd meisje denkt dat God kan toveren.
Vanaf een jaar of zeven zijn kinderen erg leergierig. Ze richten zich vooral op het verzamelen van allerlei feiten, maar hebben nog niet veel oog voor de betekenis van iets. Omdat kinderen op deze leeftijd al veel weten, kunnen ze goed onderscheid maken tussen fantasie en werkelijkheid. In hun denken en geloven zijn ze nog wel heel concreet. God wordt in deze periode meestal als een mens gezien, als een soort vader die voor je zorgt. Het godsbeeld verschilt vaak per geloofsstroming.

Kritisch

Onder invloed van de ontwikkeling van het denken (abstract denken), van de groep leeftijdgenoten waar kinderen bijhoren en van ingrijpende gebeurtenissen (bijvoorbeeld een sterfgeval in de familie), worden kinderen vanaf een jaar of twaalf kritisch over geloofszaken. Steeds vaker komen vragen naar boven als: ‘Is het allemaal wel waar’, ‘Wat heb je eigenlijk aan geloven en naar de kerk gaan? En ‘Als God bestaat, waarom laat hij dan armoede en oorlogen toe?’ Hoewel jongeren zich flink af kunnen zetten tegen hun ouders in geloofszaken, blijken ouders een heel grote invloed te hebben. De geloofshouding van ouders leidt uiteindelijk vaak tot een zelfde geloofshouding bij jongeren. Het beeld van God kan op deze leeftijd vrij abstract zijn, bijvoorbeeld dat God een geest is of een bundeling van krachten.

Vier visies

Over het belang van geloofszaken voor kinderen kunnen ouders verschillend denken. Grofweg onderscheiden we vier visies, twee voor levensbeschouwelijk actieve (‘gelovige’) ouders en twee voor ouders zonder expliciete levensovertuiging. Gelovige ouders kunnen zich volgens de eerste visie als doel stellen dat de levensbeschouwelijke opvoeding van hun kinderen pas geslaagd is als hun kinderen ook de ouderlijke religieuze of godsdienstige overtuiging overnemen. Vanuit de tweede visie kunnen gelovige ouders van mening zijn dat ze hun kinderen bekend willen maken met de levensovertuiging die voor henzelf het belangrijkste is. Maar ze willen ook dat hun kinderen thuis en op school kennis maken met andere levensovertuigingen. Hun doel is uiteindelijk dat de kinderen zelf een weloverwogen keuze zullen maken voor een bepaalde religie, welke dat ook maar moge zijn.
Een derde visie gaat op voor ouders die zelf geen expliciete levensbeschouwelijke oriëntatie hebben, maar het belangrijk vinden dat hun kinderen bijvoorbeeld via de school wel in aanraking komen met een verscheidenheid aan levensovertuigingen. In de vierde visie hechten de ouders daar noch voor zichzelf noch voor hun kinderen enig belang aan.

Wat betekent een en ander nu wanneer we de pedagogische relatie van pleegouders en pleegkinderen vanuit het perspectief van ‘zin-zorg’, de levensbeschouwelijke vorming van de pleegkinderen bekijken? Uiteraard zijn de vier visies die we grofweg hebben onderscheiden ook van toepassing op pleegouders. Het gaat er dus om hoe zij zichzelf als religieus persoon zien en in hun rol als levensbeschouwelijke opvoeder. Het is duidelijk dat dit zeer verschillend kan zijn. Maar er is pedagogisch gesproken meer, namelijk het pleegkind in kwestie. Heel belangrijk is de leeftijd van het kind en verder ook het te voorziene, eventuele verdere traject van dit kind. Kortom, hoe lang is de geschatte verblijfsduur bij deze pleegouders? En ook niet te vergeten wat het kind heeft meegemaakt met ouders, verzorgers en pleegouders.

Ruimte voor respect

Als een kind zeer jong is, dat wil zeggen als de eigen levensbeschouwelijke persoonsvorming niet of nog nauwelijks is ontwikkeld, is het aannemelijk dat de pleegouders hun eigen lijn in dezen kiezen. De lijn die ze ook bij hun eigen kinderen zouden volgen of hebben gevolgd. De zaak wordt pas echt ingewikkeld als het om oudere pleegkinderen gaat. Zeker bij pleegkinderen waarbij de eigen levensbeschouwelijke identiteit al ontloken is en deze levensbeschouwelijke persoonsvorming ook nog eens expliciet verbonden is met een bepaalde geloofsgemeenschap. Van pleegouders mag verwacht worden dat zij dit deel van de persoonsvorming van hun pleegkind op positieve wijze zullen benaderen en behandelen. (Als pleegouders mag je hopen dat je pleegkind dit ook bij voorgaande pleegouders heeft ervaren. Zo niet, dan ligt hier een bijkomende moeilijkheid.) De eigen levensovertuiging van de pleegouders zal in zo’n geval ook die ruimte moeten bieden om dit respect en deze benadering op te kunnen brengen. Het mag duidelijk zijn dat indien pleegouders in de eerste visie (en de levensbeschouwing van het pleegkind en pleegouders fundamenteel verschillen) of de vierde visie te plaatsen zijn, er een probleem ligt. Zeker voor het jongere kind, maar ook voor de jongere tot een jaar of achttien, is het van groot belang dat het zich gesteund weet in zijn eigen verdere levensbeschouwelijke persoonsvorming. Uit onderzoek weten we dat meer nog dan de school en de leeftijdgenoten, de ouders er hier toe doen. En waarom zou dat ook niet voor de pleegouders gelden?

Conclusie

De conclusie hoeft dus niet te zijn dat het noodzakelijk is dat de levensbeschouwing of het geloof van pleegkinderen met een reeds ontwikkelde levensbeschouwelijke persoonlijkheid en de overtuiging van de pleegouders dezelfde moet zijn. Wil echter het desbetreffende pleegkind niet in de klem komen door een religieus loyaliteitsconflict als het gaat om de eigen overtuiging enerzijds en de botsende overtuiging of de duidelijke desinteresse van de pleegouders op dit punt anderzijds, dan zal het pleegkind hoe dan ook de ruimte en ondersteuning moeten kunnen krijgen en ervaren. Ook voor de levensbeschouwelijke opvoeding van pleegkinderen geldt immers dat zij zich zo optimaal mogelijk tot zelfstandige persoonlijkheden moeten kunnen ontwikkelen. De visie en het aandeel van de pleegouders zal met dit uitgangspunt zo goed mogelijk moeten sporen.

Prof. dr. Siebren Miedema is hoogleraar christelijk onderwijs binnen de Faculteit der Psychologie en Pedagogiek en hoogleraar godsdienstpedagogiek binnen de Faculteit der Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam.
e-mail:
Dr. Simone A. de Roos is onderzoeker binnen de Faculteit der Psychologie en Pedagogiek, Vrije Universiteit Amsterdam en doet onderzoek naar geloofsontwikkeling van kinderen vanuit gehechtheidtheoretisch perspectief.
e-mail: