1 januari 2003 wordt een belangrijke dag in pleegzorgland. Op die
dag moeten de fusies in de jeugdhulpverlening een feit zijn. Dan dienen
de Voorzieningen voor Pleegzorg zich los gemaakt te hebben van de
plaatsende organisaties op het gebied van de jeugdzorg. Als pleegouder
merkt u niet zoveel van deze verandering. Als medewerker in de pleegzorg
des te meer.
De fusies in de jeugdhulpverlening zijn ingegeven door de nieuwe
Wet op de Jeugdzorg, die per 1 januari 2004 van kracht wordt. Door
de nieuwe wet is er straks nog maar één toegangspoort
tot de jeugdzorg: het Bureau Jeugdzorg. Binnen dit Bureau werken de
verschillende instanties op het gebied van jeugdzorg en jeugdhulpverlening
intensief samen. Hulpverleners van het Bureau onderzoeken wat er aan
de hand is met een kind dat zich aanmeldt en welke vorm van zorg het
meest geschikt is voor het kind. Dit wordt vervolgens vastgelegd in
een indicatiebesluit. Met dit indicatiebesluit in de hand kan het
kind aanspraak maken op de zorg die hij of zij volgens het besluit
nodig heeft. Anders dan in de huidige wetgeving is in de nieuwe wet
namelijk het recht op jeugdzorg verankerd. Er komt dus een acceptatieplicht;
instellingen mogen kinderen alleen nog afwijzen als ze kunnen aantonen
dat ze geen budget (meer) hebben om ze te helpen.
Fusie en de-fusie
Om de Bureaus Jeugdzorg goed te laten functioneren, zijn fusies van
de verschillende instanties die zich bezighouden met jeugdzorg onvermijdelijk.
Die fusieprocessen zijn momenteel in volle gang. Tegelijkertijd vindt
er echter ook een grootscheeps de-fusieproces plaats. De nieuwe wet
bepaalt namelijk dat plaatsende en opnemende voorzieningen straks
niet meer in één en dezelfde organisatie mogen zitten.
Dat betekent dat (gezins)voogdij-instellingen (plaatsers) en Centra
voor Pleegzorg (opnemers) verplicht moeten scheiden om op zoek te
gaan naar andere partners. Met name de Centra voor Pleegzorg lijken
daarbij gewild: vooral internaten dingen verwoed naar hun gunsten.
Desondanks kost het (de-)fusieproces de betrokken pleegzorgvoorzieningen
de nodige hoofdbrekens. Geen wonder ook, want bij een nieuwe organisatiestructuur
horen immers vaak ook nieuwe taken, nieuwe collega’s, een nieuwe
werkplek of een andere organisatiecultuur. Dat alles bij elkaar brengt
natuurlijk een hoop onzekerheid met zich mee.
Pleegzorgwerkers
Daar kan Emily Groenewegen, werkzaam bij de Stichting Jeugdzorg Zuid-Holland
Noord, afdeling Therapeutische GezinsVerpleging, van meepraten. Haar
organisatie bevindt zich midden in het fusieproces. Groenewegen: "Ook
hier heerst nog veel onduidelijkheid en dat maakt dat de medewerkers
zich ontredderd voelen. Doordat de fusie van overheidswege is opgelegd,
hebben velen het idee dat er ‘over hun hoofden heen’ wordt
beslist en dat is natuurlijk geen prettig gevoel. Bovendien bestaat
de indruk dat de provincie, die de voortrekkersrol vervult in het
fusieproces, zich vooral laat leiden door bestuurlijke overwegingen
en weinig oog heeft voor werkinhoudelijke criteria. Veel collega’s
zijn daarom bang dat de verworvenheden van de eigen organisatie verloren
zullen gaan in het fusiegewoel. Dat gevoel wordt nog versterkt door
de machtsspelletjes die aan de top van de fuserende organisaties worden
gespeeld. Aan de andere kant is het personeel ook niet blind voor
de voordelen van de fusie. Zo zal de financiële slagkracht van
de nieuwe organisatie waarschijnlijk groter zijn dan die van de huidige
Stichting Jeugdzorg en worden de lijntjes naar de nieuwe partners
van de pleegzorg, bijvoorbeeld kindertehuizen, korter. Dat komt ons
werk uiteindelijk vast en zeker ten goede."
Pleegouders
Het zal echter nog wel even duren voor het zover is, want het fusieproces
kost de betrokkenen aardig wat hoofdbrekens. In sommige provincies
zal het nog best wat voeten in de aarde hebben, voordat de Bureaus
Jeugdzorg volledig naar tevredenheid functioneren. Groenewegen: "Voorlopig
zijn we allemaal nog heel druk met het optuigen van de nieuwe organisatie.
Zo druk zelfs, dat we soms op de valreep nog afspraken moeten afzeggen,
zelfs met pleegouders, omdat er weer eens moet worden vergaderd."
Toch zullen pleegouders over het algemeen niet zoveel merken van de
fusieveranderingen. Ook tijdens en na de fusie kunnen zij -
in de meeste gevallen - met al hun vragen gewoon terecht bij
hun eigen begeleider. Pleegmoeder Antoinette van Wijngaarden weet
dat uit ervaring: "Ondanks het opgaan van Pleegzorg Amstelstad
in de fusie-organisatie SaC-Amstelstad bleef voor ons alles bij het
oude; we merkten nauwelijks dat er gefuseerd werd. Wel zagen we dat
onze begeleidster erg bezig was met het fusieproces. Zij vertelde
ons op een gegeven moment dat het samengaan van al die jeugdzorgorganisaties
op haar een grote impact had. De organisatiestructuur veranderde en
dat bracht een hoop gedoe met zich mee."
Gedoe of niet, uiteindelijk zal de rust wel weer in de tent terugkeren.
Dat is tenminste de verwachting van Emily Groenewegen: "Het verleden
leert dat fusies voor de betrokken partners uiteindelijk meestal positief
uitvallen. Laten we hopen dat dat ook ditmaal het geval zal zijn."