Voor pleegzorg is matching een belangrijk begrip: het gaat om een
goede afstemming tussen de pedagogische vraag van pleegkinderen en
het pedagogisch aanbod van pleeggezinnen. Twee onderzoekers van de
Universiteit van Groningen, Johan Strijker en Tjalling Zandberg, presenteerden
deze zomer hun resultaten in een boekje ‘Matching in de pleegzorg’.
Het boek is een wetenschappelijk onderzoek vol tabellen en ingewikkelde
onderzoekstermen. Geen doorsnee leesvoer voor pleegouders. Maar er
zijn verrassende uitkomsten, zeker ook voor pleegouders. Hieronder
lichten we de eindconclusie van het onderzoek toe.
In het onderzoek zijn 136 pleegkinderen betrokken. Gekeken werd naar
het ontwikkelingsverloop en een eventuele voortijdige beëindiging
van de plaatsing in een pleeggezin. De onderzoekers zochten naar een
soort beslissingshulpmiddel in de matching, waarbij het succes van
een plaatsing zo groot mogelijk kan zijn. In de slotconclusie zijn
vier typen pleegkinderen en vier typen pleeggezinnen omschreven. Aan
de hand van een schema kun je min of meer voorspellen of een plaatsing
succesvol (= niet voortijdig afgebroken) zal zijn. Uit de conclusies
komt dat voor één type pleegkind geen ‘geschikt’
pleeggezin bestaat en dat één type pleeggezin ongeschikt
is (en dat is schokkend om te horen als pleegouder) voor welk type
pleegkind dan ook.
Pleegkinderen
De vier typen pleegkinderen zijn: Teruggetrokken/Sociale problemen,
Agressief/Delinquent/Sociale problemen, Aandachtsproblemen/Sociale
problemen en Normaal. Het zijn ingewikkelde omschrijvingen voor vier
typen problemen, die in het onderzoek naar voren kwamen. Zo’n
39% van de pleegkinderen (tussen 0 en 17 jaar, 46% jongens en 54%
meisjes) wordt omschreven als ‘normaal’. Voor 11% geldt
de kwalificatie Teruggetrokken/Sociale problemen. De andere twee groepen
vertegenwoordigen 24% en 26% van de pleegkinderen.
Pleeggezinnen
Ook voor pleeggezinnen zijn vier typen omschreven in het onderzoek.
Betrokken pleegouders vormen 20% van de populatie. Conformerende pleegouders
(24%), Fragiel-gestructureerd (20%) en Structuurgezinnen (36%) zijn
benamingen van de andere typen pleegouders. In het onderzoek staan
de vier typen uitgewerkt. Zo leggen conformerende pleegouders een
sterke nadruk op aanpassing en conformiteit aan vaste regels, sociale
normen en gewoonten. De leden van het structuurgezin controleren elkaar
op hun doen en laten en het gezin is goed georganiseerd in de uitvoering
van de dagelijkse taken. Het betrokken type pleeggezin lijkt op het
gemiddelde pleegzin (qua onderzoeksscores) en kenmerkt zich door een
grote sociale en maatschappelijke betrokkenheid en de geringe nadruk
op het naleven van normen en op aanpassing aan het gezin, de school
en de samenleving. In het fragiel-gestructureerde pleeggezin worden
weinig eisen gesteld aan het kind. Er is weinig nadruk op aanpassingen,
het leveren van prestaties en het handhaven van normen.
Combinaties
Dat betekent dat het betrokken pleeggezin (20%) een groot risico
tot voortijdige afbreking van de plaatsing laat zien. Voor Teruggetrokken
pleegkinderen met sociale problemen (11%) bestaan er eigenlijk geen
- op voorhand - geschikte pleeggezinnen. De kans is groot
dat plaatsingen van deze pleegkinderen het geplande einde niet halen!
Het onderzoek geeft weliswaar antwoorden, maar roept zeker ook veel
nieuwe vragen op. Een vervolgonderzoek is daarom al in voorbereiding.
Want bij matching zijn zoveel factoren en elementen belangrijk, dat
verdere uitdieping zeker voor verdere professionalisering van de pleegzorg
geen overbodige luxe is! l
Gegevens boek:
Matching in de pleegzorg, Hulpvraag versus aanbod door Johan Strijker
en Tjalling Zandberg, Uitgeverij SWP, Amsterdam, 2001, € 12,50,
ISBN 90 6665 455 4.