artikel uit Mobiel 5, oktober/november 2002

thema: Pleegouders over pleegouders als partners in de zorg?

Samenwerking en duidelijkheid

Door: Antoinette van Wijngaarden

'Wij zijn pas acht weken pleegouder en hebben nu al de neiging om een zwartboek op te stellen.' Zo begon een brief die we 2 jaar geleden aan onze pleegzorgwerker schreven. We waren erg teleurgesteld in de begeleiding die je als starter kreeg.

Het begon allemaal veelbelovend. Op onze oriënterende vraag "heeft u informatie over pleegzorg?" volgde een algemene informatieavond. Verhelderend. We volgden de STAP-cursus. We ontmoetten leuke mensen, inspirerende mensen. De cursus gaf ons, meenden we, een reëel beeld over het pleegouderschap. We durfden het wel aan. We hadden er zin in. Na een laatste huisbezoek werden we daadwerkelijk ingeschreven als pleegouders: we werden bemiddelbaar; crisisgezin voor één of twee kinderen.

Vanaf dat moment deed elk telefoontje onze harten sneller kloppen. We duwden elkaar bijkans van de trap om er als eerste bij te zijn. Even naar buiten geweest om de vuilniszak buiten te zetten? Direct de voicemail afluisteren. Eén vraag nog maar bij terugkomst in het gezin: heeft pleegzorg al gebeld? Op een maandagmorgen doen ze dat. Natuurlijk toch nog onverwachts. Twee uur later staat ie op de stoep. Jantje. Vijf jaar pas. Zo klein.

Vragen, vragen

We maken kennis met onze pleegzorgwerker. Aardige vrouw. Zij belt regelmatig: "En hoe gaat het met Jantje?" "Goed". "Fijn, verder nog iets?" Altijd hebben wij wel iets. Is Jantje al ingeënt? Wie betaalt de kosten van het overblijven? Wanneer kan Jantje zijn moeder zien? Onze vragen kan onze pleegzorgwerker zelden beantwoorden.

Met ons pleegkind gaat het steeds beter. Hij begint zich bij ons al helemaal thuis te voelen en komt steeds meer los. Leuk voor hem. Maar niet voor ons. Hij komt namelijk iets te los. Met zijn totale ongeremdheid weten wij niet om te gaan. Eén voor één haken de leden van ons gezin af. Vooral onze kinderen hebben het moeilijk. We dachten dat we ze goed hadden voorbereid op de komst van een pleegkind, maar in de dagelijkse praktijk valt het hen behoorlijk tegen. Ze vinden Jantje druk, kinderachtig en dom. Gedurende de STAP-cursus hadden we diverse keren gevraagd naar voorlichting over pleegzorg speciaal voor kinderen; literatuur, een gesprek, een bijeenkomst. Er werd ons verteld dat er een speciale kinderSTAP-cursus bestond. Direct al bij de kennismaking vragen wij onze pleegzorgwerker hiernaar. Zij belooft een en ander uit te zoeken. Maar we horen er nooit meer wat over. Onze pleegzorgwerker lijkt alleen maar geïnteresseerd in het welzijn van Jantje. Ze is opgetogen over zijn vorderingen.

Breekijzer

We besluiten een brief te schrijven. Tijdens de STAP-cursus keken we zeven avonden lang tegen een groot bord met de criteria voor het pleegouderschap aan: "Pleegouders blijken in staat te zijn tot openheid en duidelijkheid in het contact, tot samenwerken als team.[..]" Met een open en duidelijke brief zouden wij de pleegzorginstantie wel eens even dwingen tot een goede samenwerking! Na onze aanhef (zie boven), waarmee we de toon direct al zetten, sommen we alle vragen op die wij de voorgaande weken aan onze pleegzorgwerker gesteld hebben en die nog steeds niet beantwoord zijn. Naar aanleiding van de brief worden we uitgenodigd voor een gesprek met onze pleegzorgwerker en haar werkbegeleider. Zij openen het gesprek: "jullie hebben volkomen gelijk". Dit hadden we niet verwacht. De brief blijkt als een breekijzer gewerkt te hebben. De vragen eruit worden ter plekke beantwoord. We maken een vaste wekelijkse belafspraak met onze pleegzorgwerker, waarbij alle vragen, toezeggingen, afspraken, etcetera genoteerd zullen worden. Deze notities worden elk telefoongesprek doorgenomen, zodat duidelijk wordt wat is afgehandeld en wat niet. En er wordt een stagiaire ingeschakeld. Zij komt zeven keer bij ons aan huis, speciaal voor onze kinderen.

Dit helpt. De verhouding met onze pleegzorgwerker wordt veel beter. Er wordt vanaf nu naar ons geluisterd. Onze kinderen genieten van de activiteiten die de stagiaire met hen onderneemt. Ze vinden het prettig dat ze met iemand over Jantje kunnen praten en kunnen vertellen wat ze allemaal niet leuk aan hem vinden, zonder dat anderen daar iets van te horen krijgen. De stagiaire leert hen beter om te gaan met de veranderde situatie in huis. Nu onze kinderen niet meer steeds de behoefte hebben om op Jantje af te geven, lijkt het wel of wijzelf ook makkelijker met hem om kunnen gaan. Is Jantje werkelijk minder druk, of lijkt dat maar zo? De rust keert terug in ons huis. We hebben een nieuw evenwicht bereikt.

Saai

Nu, vijf plaatsingen later, hebben wij nog steeds dezelfde pleegzorgwerker. Ze komt regelmatig op de thee. Na schooltijd en buiten onze werktijd, zodat iedereen van ons zijn of haar ei kwijt kan. We weten inmiddels hoe het zit met inentingen en overblijfkosten, maar elke Jantje (of Mohammed of …) brengt toch weer andere vragen met zich mee. Om onze eigen kinderen maken we ons, voorzover het pleegzorg betreft, geen zorgen meer. Toen er bij onze jongste geïnformeerd werd, hoe zij de laatste plaatsing had ervaren, gaf ze ten antwoord "Ach, aan deze vond ik niet veel aan. Veels te saai. Doe mij er volgende keer maar twee."