'Wij zijn pas acht weken pleegouder en hebben nu al de neiging om
een zwartboek op te stellen.' Zo begon een brief die we 2 jaar geleden
aan onze pleegzorgwerker schreven. We waren erg teleurgesteld in de
begeleiding die je als starter kreeg.
Het begon allemaal veelbelovend. Op onze oriënterende vraag
"heeft u informatie over pleegzorg?" volgde een algemene
informatieavond. Verhelderend. We volgden de STAP-cursus. We ontmoetten
leuke mensen, inspirerende mensen. De cursus gaf ons, meenden we,
een reëel beeld over het pleegouderschap. We durfden het wel
aan. We hadden er zin in. Na een laatste huisbezoek werden we daadwerkelijk
ingeschreven als pleegouders: we werden bemiddelbaar; crisisgezin
voor één of twee kinderen.
Vanaf dat moment deed elk telefoontje onze harten sneller kloppen.
We duwden elkaar bijkans van de trap om er als eerste bij te zijn.
Even naar buiten geweest om de vuilniszak buiten te zetten? Direct
de voicemail afluisteren. Eén vraag nog maar bij terugkomst
in het gezin: heeft pleegzorg al gebeld? Op een maandagmorgen doen
ze dat. Natuurlijk toch nog onverwachts. Twee uur later staat ie op
de stoep. Jantje. Vijf jaar pas. Zo klein.
Vragen, vragen
We maken kennis met onze pleegzorgwerker. Aardige vrouw. Zij belt
regelmatig: "En hoe gaat het met Jantje?" "Goed".
"Fijn, verder nog iets?" Altijd hebben wij wel iets. Is
Jantje al ingeënt? Wie betaalt de kosten van het overblijven?
Wanneer kan Jantje zijn moeder zien? Onze vragen kan onze pleegzorgwerker
zelden beantwoorden.
Met ons pleegkind gaat het steeds beter. Hij begint zich bij ons
al helemaal thuis te voelen en komt steeds meer los. Leuk voor hem.
Maar niet voor ons. Hij komt namelijk iets te los. Met zijn totale
ongeremdheid weten wij niet om te gaan. Eén voor één
haken de leden van ons gezin af. Vooral onze kinderen hebben het moeilijk.
We dachten dat we ze goed hadden voorbereid op de komst van een pleegkind,
maar in de dagelijkse praktijk valt het hen behoorlijk tegen. Ze vinden
Jantje druk, kinderachtig en dom. Gedurende de STAP-cursus hadden
we diverse keren gevraagd naar voorlichting over pleegzorg speciaal
voor kinderen; literatuur, een gesprek, een bijeenkomst. Er werd ons
verteld dat er een speciale kinderSTAP-cursus bestond. Direct al bij
de kennismaking vragen wij onze pleegzorgwerker hiernaar. Zij belooft
een en ander uit te zoeken. Maar we horen er nooit meer wat over.
Onze pleegzorgwerker lijkt alleen maar geïnteresseerd in het
welzijn van Jantje. Ze is opgetogen over zijn vorderingen.
Breekijzer
We besluiten een brief te schrijven. Tijdens de STAP-cursus keken
we zeven avonden lang tegen een groot bord met de criteria voor het
pleegouderschap aan: "Pleegouders blijken in staat te zijn tot
openheid en duidelijkheid in het contact, tot samenwerken als team.[..]"
Met een open en duidelijke brief zouden wij de pleegzorginstantie
wel eens even dwingen tot een goede samenwerking! Na onze aanhef (zie
boven), waarmee we de toon direct al zetten, sommen we alle vragen
op die wij de voorgaande weken aan onze pleegzorgwerker gesteld hebben
en die nog steeds niet beantwoord zijn. Naar aanleiding van de brief
worden we uitgenodigd voor een gesprek met onze pleegzorgwerker en
haar werkbegeleider. Zij openen het gesprek: "jullie hebben volkomen
gelijk". Dit hadden we niet verwacht. De brief blijkt als een
breekijzer gewerkt te hebben. De vragen eruit worden ter plekke beantwoord.
We maken een vaste wekelijkse belafspraak met onze pleegzorgwerker,
waarbij alle vragen, toezeggingen, afspraken, etcetera genoteerd zullen
worden. Deze notities worden elk telefoongesprek doorgenomen, zodat
duidelijk wordt wat is afgehandeld en wat niet. En er wordt een stagiaire
ingeschakeld. Zij komt zeven keer bij ons aan huis, speciaal voor
onze kinderen.
Dit helpt. De verhouding met onze pleegzorgwerker wordt veel beter.
Er wordt vanaf nu naar ons geluisterd. Onze kinderen genieten van
de activiteiten die de stagiaire met hen onderneemt. Ze vinden het
prettig dat ze met iemand over Jantje kunnen praten en kunnen vertellen
wat ze allemaal niet leuk aan hem vinden, zonder dat anderen daar
iets van te horen krijgen. De stagiaire leert hen beter om te gaan
met de veranderde situatie in huis. Nu onze kinderen niet meer steeds
de behoefte hebben om op Jantje af te geven, lijkt het wel of wijzelf
ook makkelijker met hem om kunnen gaan. Is Jantje werkelijk minder
druk, of lijkt dat maar zo? De rust keert terug in ons huis. We hebben
een nieuw evenwicht bereikt.
Saai
Nu, vijf plaatsingen later, hebben wij nog steeds dezelfde pleegzorgwerker.
Ze komt regelmatig op de thee. Na schooltijd en buiten onze werktijd,
zodat iedereen van ons zijn of haar ei kwijt kan. We weten inmiddels
hoe het zit met inentingen en overblijfkosten, maar elke Jantje (of
Mohammed of …) brengt toch weer andere vragen met zich mee.
Om onze eigen kinderen maken we ons, voorzover het pleegzorg betreft,
geen zorgen meer. Toen er bij onze jongste geïnformeerd werd,
hoe zij de laatste plaatsing had ervaren, gaf ze ten antwoord "Ach,
aan deze vond ik niet veel aan. Veels te saai. Doe mij er volgende
keer maar twee."