Op de IFCO-conferentie die van 8 tot en met 11 augustus in Tampere
in Finland werd gehouden, waren heel veel pleegouders aanwezig. De
redactie van Mobiel raakte aan de praat met een pleegmoeder, Helmi
en een pleegouderechtpaar, Antti en Kerttu, die een gezinshuis hebben.
We vroegen hun antwoorden op de enigszins aangepaste vragen van deze
rubriek.
Helmi
Helmi is 49 jaar en werkt parttime met gehandicapte kinderen in dagbehandeling.
Ze woont met haar man (52 jaar, technisch monteur bij een instelling)
en twee pleegdochters van 16 en 18 jaar in een stad op zo’n
dertig kilometer van Tampere. De pleegdochters gaan beiden nog naar
school en hebben duidelijke plannen voor hun toekomst. De oudste wil
dokter worden en de jongste wil het onderwijs in en als dat niet lukt
een boerderij gaan beheren. De meisjes zijn zusjes en wonen nu al
bijna twaalf jaar bij Helmi en haar man. Naast haar werk en haar pleegmoederschap,
is ze ook trainer voor nieuwe pleegouders in haar regio.
Hoe kwamen jullie ertoe om een pleeggezin te worden?
"We hebben altijd al kinderen willen hebben. En het was ook
een zoete inval hier. Kinderen van buren, vrienden en familie waren
altijd bij ons thuis. Zelf konden we geen kinderen krijgen, dus was
pleegzorg voor ons een oplossing."
Hoe reageerden je omgeving en familie op het pleegouderschap?
"We kregen en krijgen veel steun. Iedereen had deze stap wel
verwacht. Ook onze pleegdochters wilden heel graag bij ons wonen.
Onze ouders vonden het fijn om grootouders te worden."
Hoe ziet de begeleiding van het gezin eruit en voldoet die aan de
behoefte?
In het begin kregen we meer begeleiding dan nu, maar dat is logisch,
want toen hadden we ook meer nodig! Nu zien we de maatschappelijk
werker zo’n zes keer per jaar. En dat is genoeg."
Waar heb je steun bij nodig, waar ben je onzeker over?
"Ik ben niet zo onzeker. Na alle beginproblemen heb ik nu een
rotsvast vertrouwen in de toekomst. Mijn echtgenoot is mij tot grote
steun, hij is mijn rots. De meisjes willen wel doorlopend de garantie
dat ze altijd bij ons mogen blijven. Van mij mag het!"
Hoe ziet het contact met de ouders en familieleden eruit?
"Hun vader is al meer dan tien jaar geleden vertrokken om nooit
meer terug te komen. Moeder woont ver weg en komt één
keer per jaar op bezoek. Dat is genoeg. We hebben plannen om de kinderen
te adopteren."
Zijn er momenten waarop je denkt: ‘Hier had ik nooit aan moeten
beginnen’?
"Nee, die heb ik nooit gehad. Ook al zat ik onder de blauwe
plekken of beten ze me uit pure onmacht, zo’n gedachte heb ik
nooit gehad."
Beschrijf een ervaring die illustreert ‘daar doe ik het voor’?
"De meiden zijn mijn kinderen. Ik denk niet aan mezelf als pleegmoeder,
maar als hun moeder die hen de kans geeft op een nieuw leven!"
Annti en Kerttu
Annti en Kerttu runnen samen een gezinshuis. Ze zijn beiden in dienst
bij een pleegzorgorganisatie en krijgen daarnaast budget om professionele
hulp in te kopen. Ze zijn inmiddels bijna 60 jaar en hebben sinds
1979 ervaring als pleegouders. In 1999 verbouwden ze een oude school
tot gezinshuis en nu wonen acht jongeren (vier jongens en vier meisjes)
van 12 tot 17 jaar in hun huis. Kinderen die langdurig of voor korte
tijd uithuis geplaatst zijn, nemen zij op. De minimumleeftijd is zeven
jaar. Er is één broer-zus-plaatsing bij de acht kinderen
die nu onder hun hoede geplaatst zijn.
Hoe kwamen jullie ertoe om een pleeggezin te worden?
Antti: "We konden geen kinderen krijgen en wilden graag toch
iets doen voor kinderen. Adoptie was in de jaren ’70 nog niet
zo gewoon, dus dit was een goed alternatief."
Hoe reageerden je omgeving en familie op het pleegouderschap?
Kerttu: "We kregen veel steun. Toen we net gestart waren, werkten
we beiden nog buitenshuis en kregen veel hulp van onze omgeving. We
hebben, voordat we dit gezinshuis begonnen, acht kinderen groot gebracht,
waaronder veel broerjes en zusjes!"
Antti: " We hebben op dit moment contact met een gezinshuis bij
ons in de buurt. Dat is fijn. We kunnen ervaringen uitwisselen en
de kinderen kunnen zien dat er ook andere kinderen zijn die in eenzelfde
situatie zitten."
Hoe ziet de begeleiding van het gezin eruit en voldoet die aan de
behoefte?
Antti: "Maatschappelijk werkers hebben weinig tijd, net zoals
vast ook in Nederland. Dat was wel eens onvoldoende in de begintijd.
Nu zijn we toch meer een soort bedrijf en kopen we gerichte hulp in.
Wij bepalen wat we nodig hebben. Soms ook voor onszelf. Nu gaat het
allemaal veel gemakkelijker."
Hoe ziet het contact met de ouders en familieleden eruit?
Kerttu: "Dat hangt natuurlijk heel erg af van de situatie van
het kind. Sommige kinderen hebben helemaal geen contact meer en dat
vind ik jammer. Wij vinden contact met hun ‘wortels’ heel
erg belangrijk. Daarom is er in ons huis ook een logeerkamer, zodat
ouders kunnen blijven slapen. Een van de sprekers tijdens de conferentie
zei: "Het halve werk is gedaan als je goed contact hebt met de
geboorte-ouders van je pleegkind". En dat is heel erg waar!"
Zijn er momenten waarop je denkt: ‘Hier had ik nooit aan moeten
beginnen’?
Antti: "Vroeger dacht ik dat wel eens. Maar nu, met alle ervaringen
en de ontwikkelingen in onze eigen rol als pleegouders, weten we precies
wat we aankunnen. We kunnen trouwens alle ondersteuning die we nodig
achten, inkopen. Dus we staan stevig in onze schoenen.
Beschrijf een ervaring die illustreert ‘daar doe ik het voor’?
Kerttu en Annti: "Pleegouder zijn is onze lifestyle. We zouden
niet zonder kunnen en het zo weer doen!" l