Opgroeien in een pleeggezin, hoe kijk je daarop terug als je eenmaal
op eigen benen staat? Wat heb je geleerd in het pleeggezin en hoe
beïnvloedt dat je leven als volwassene? We vroegen het aan Jeroen
(27), Rakum (24), Ariska (19) en Aisha (18), die allemaal een (groot)
deel van hun jeugd doorbrachten bij Joke en Nelis in Leiderdorp. In
de loop der jaren nam dit echtpaar bijna honderd kinderen voor kortere
of langere tijd op in hun huis. Met een aantal pleegkinderen onderhouden
Joke en Nelis nog steeds een innig contact, zo getuige het grote aantal
foto’s aan de wand.
Jeroen is er meteen heel duidelijk over: ‘Zet maar in jullie
artikel dat onze pleegouders ontzettend veel respect verdienen’,
zegt hij. ‘Petje af voor die mensen. Zeker naarmate ik ouder
word, zie ik steeds beter wat ze eigenlijk allemaal voor ons gedaan
hebben. Op sommige momenten hadden ze wel negen kinderen in huis;
soms waren daar meerdere baby’s bij. En dat terwijl Nelis ook
nog gewoon een baan had.’ Aisha, giechelend: ‘Ja, dan
was hij die man die ’s zondags het vlees kwam snijden!’
Jeroen: ‘Nee, zonder gekheid, de manier waarop ze hun liefde
verdeelden over al die kinderen en ze ook nog het een en ander wisten
bij te brengen, is geweldig.’
Jeroen oogst veel bijval. Het is duidelijk dat de ‘kinderen’
goede herinneringen bewaren aan hun tijd in het pleeggezin. En dat
terwijl zeker Jeroen, die het kortst van alle kinderen bij Joke en
Nelis was, het niet altijd naar zijn zin had. Terwijl Ariska en Aisha
al vanaf hun babytijd bij Nelis en Joke waren en Rakum vanaf zijn
vijfde, deed Jeroen pas op elfjarige leeftijd intrede in het gezin.
Met enige tegenzin, weet hij nog wel: ‘Als kind zag ik vooral
de nadelen van de plaatsing. Ik zat er dan ook niet bepaald uit vrije
wil. Op mijn elfde ben ik weggelopen bij mijn biologische moeder,
die alcoholiste was. Ik ging naar mijn vader, maar omdat die geen
voogdij over mij had, haalde de politie mij bij hem weg. Ik ben toen
een paar maanden naar een oom en tante gegaan en daarna ben ik bij
Joke en Nelis terechtgekomen. Maar eigenlijk wilde ik terug naar mijn
vader, ook omdat die mij in materiële zin alles kon geven wat
mijn hartje begeerde. Nelis en Joke hadden natuurlijk toch minder
te besteden met al die kinderen. Uiteindelijk, na anderhalf jaar,
besliste de kinderrechter dat ik inderdaad bij mijn vader mocht gaan
wonen. Daar ging het echter helemaal niet goed met mij. Mijn vader
begon mij te misbruiken en dus moest - en wilde - ik daar ook weer
weg. Ik was toen dolgraag teruggegaan naar Joke en Nelis, maar dat
mocht niet meer van Bureau Jeugdzorg. Ik werd in een kindertehuis
geplaatst. Niet echt fijn. Achteraf wenste ik dat de kinderrechter
mij nooit had weggehaald bij Joke en Nelis.’ Rakum: ‘Dat
kan ik mij goed voorstellen. Ik vraag me ook wel eens af waarom kinderen
zo makkelijk worden teruggeplaatst in moeilijke thuissituaties. Er
wordt misschien teveel waarde gehecht aan de band met de biologische
familie, terwijl sommige kinderen volgens mij gewoon veel beter af
zijn in een pleeggezin. Tenminste, zo heb ik het zelf ervaren. En
dat probeer ik ook over te brengen in mijn baan.’
Werk
Rakum heeft sinds een half jaar een vaste baan als pedagogisch medewerker
in de jeugdhulpverlening en is dus, in de woorden van moeder Joke
‘goed terechtgekomen.’ Rakum: ‘En dat heb ik ook
voor een groot deel te danken aan alles wat ik hier heb meegekregen.
Van mijn leven voordat ik in het pleeggezin kwam, herinner ik mij
namelijk weinig. Mijn moeder pleegde zelfmoord toen ik een kleuter
was en met mijn vader heb ik tot mijn achttiende nauwelijks contact
gehad. Samen met mijn twee broers werd ik bij mijn ouders, Joke en
Nelis dus, geplaatst. Voor mij begint mijn leven zo’n beetje
vanaf dat moment. Van mijn ouders leerde ik zelf keuzes te maken.
Daardoor ben ik in staat geweest om uiteindelijk, na enige omzwervingen,
te kiezen voor een opleiding die ik interessant vond: Sociaal Pedagogisch
Werk. Daarmee heb ik een leuke baan gevonden, al heb ik inmiddels
overigens besloten dat ik nog verder ga studeren. Orthopedagogiek
ditmaal.’
Sinds zes jaar woont Rakum zelfstandig. Hoe was het om op eigen benen
te gaan staan? Rakum: ‘Leuk! Het ging meteen goed, al wenste
ik soms wel dat ik iets beter naar mijn ouders had geluisterd. Ik
had namelijk totaal geen geld opzij gezet en kon mijn kamer nauwelijks
inrichten. En dat terwijl mijn ouders ons altijd stimuleerden om een
vakantiebaantje of krantenwijk te nemen en daarvan geld te sparen.’
Nelis: ‘Niet dat jullie dat deden! De spaarpot werd telkens
opnieuw geplunderd!’ Rakum, lachend: ‘Klopt. Niet echt
slim, merkte ik toen ik het met studiefinanciering en een uitzendbaantje
moest zien te redden. Toch ging het allemaal best; ik leerde vanzelf
wat zuiniger te zijn als het nodig was, te genieten van geld op het
moment dat ik het had en ook een beetje te sparen.’ Jeroen:
‘Wat verstandig! Ik geef het geld nog steeds graag uit op het
moment dat het binnenkomt! Maar ja, ik kan mij inmiddels dan ook het
een en ander veroorloven. Ik ben gokkastenmonteur en werk inmiddels
al jaren - vanaf mijn zestiende. Bovendien heeft ook mijn vriendin
een eigen inkomen. Omdat we weinig huur betalen, hebben we het samen
best wel goed.’
Diploma
Jeroen heeft, naast zijn baan, in de avonduren nog zijn mts-diploma
gehaald. Een diploma, dat wil Ariska ook nog wel: ‘Volgend jaar
ga ik terug in de schoolbanken. Ik ben mij nu aan het oriënteren
op mogelijke opleidingen. Tot nu toe heb ik nog niets afgemaakt en
dat vind ik toch wel jammer. Omdat ik altijd van dansen mijn beroep
heb willen maken, ben ik op mijn veertiende begonnen aan de Dansacademie
in Den Haag. Daarvoor moest ik toen ook in een gastgezin gaan wonen.
Omdat de opleiding echter niet zo goed aansloot bij mijn wensen ben
ik ermee gestopt en bij mijn biologische moeder ingetrokken. Daar
woon ik nu nog steeds. Ik verdien inmiddels wat geld als choreografe,
met het geven van danslessen en met het verzorgen van optredens, maar
daarnaast heb ik ook nog een fulltime baan in de thuiszorg. Hierover
praat ik soms met mijn pleegmoeder; zij doet ook dit werk en kan mij
met haar ervaring goed adviseren. Desondanks wil ik de thuiszorg gaan
afbouwen. Het is mijn bedoeling om uiteindelijk weer terug naar school
te gaan.’
Ook Aisha zit nog op school: ‘Ik doe de detailhandelschool,
omdat ik graag een eigen parfumerie of drogisterij wil beginnen. Om
wat ervaring op te doen en een extra zakcentje bij te verdienen -
naast mijn studiefinanciering, wezenuitkering en pensioen; geld dat
door mijn tante wordt beheerd - werk ik bovendien in de ETOS. Ook
ik woon sinds ongeveer een half jaar op mezelf en dat gaat goed.’
Joke: ‘Ik mag wel zeggen dat alle kinderen gelukkig aardig hun
weg gevonden hebben in het leven.’ Nelis: ‘Niet alleen
dankzij ons, maar vooral ook dankzij elkaar. Ze hebben elkaar opgevoed.’
Joke: ‘Het is geweldig dat ze nu allemaal zo goed op eigen benen
kunnen staan. Want daar doe je het uiteindelijk toch voor.’
Contacten
De geïnterviewde pleegkinderen zijn inmiddels allemaal al een
tijdje het huis uit. Wat betekent dat voor het contact met hun pleegouders
en pleegbroers- en zussen? Zien zij elkaar nog vaak? Vragen zij hun
pleegouders nog om raad? Of kloppen ze eerder aan bij anderen?
Jeroen: ‘Het laatste. Ik ben in principe oud en wijs genoeg
om mijn problemen zelf op te lossen. Bovendien heb ik een vriendin
en een aantal goede vrienden die als familie voor mij zijn en bij
wie ik terecht kan als er iets is. Overigens merk ik dat mijn vrienden
eerder de neiging hebben om mij om raad te vragen dan andersom. Doordat
ik het een en ander heb meegemaakt, kan ik de dingen tegenwoordig
vaak aardig relativeren en daardoor een steun zijn voor anderen.’
Rakum: ‘Dat heb ik ook wel een beetje. Ik merk daarnaast dat
ik makkelijk contact maak met anderen, volgens mij omdat ik opgegroeid
ben in een groot gezin.’
Jeroen: ‘Overigens ben ik niet altijd zo’n steun en toeverlaat
voor mijn vrienden geweest. Toen er een paar jaar terug ineens heel
veel om mij heen wegviel, zag ik het leven even helemaal niet meer
zitten en belandde ik in een diepe put. Ik had het gevoel dat ik niets
meer had om voor door te gaan, maar juist toen heb ik ervaren hoeveel
mijn pleegfamilieleden eigenlijk van mij houden. Puur en alleen al
het feit dat ze om mij geven, heeft mij enorm geholpen en mij de kracht
gegeven om de moeilijkheden zelf te lijf te gaan.’
Rakum: ‘Dat is wel herkenbaar. Ook ik heb het gevoel dat ik
van huis uit zoveel handvatten heb meegekregen, dat ik inmiddels in
staat ben om mijn eigen problemen op te lossen. Daarnaast merk ik
dat ik, als de nood aan de man is, vooral naar mijn twee broers toetrek.
Wanneer ik bijvoorbeeld geldproblemen zou hebben, zou ik in eerste
instantie bij hen aankloppen, al weet ik dat ik met mijn moeilijkheden
ook bij mijn ouders terecht kan.’
Aisha: ‘ Dat heb ik ook. Met problemen ga ik meestal eerst
naar mijn tante. Zij regelt heel veel voor mij en ik kan altijd bij
haar terecht. Daarnaast heb ik een vriendje en een aantal schoolvriendinnen
met wie ik veel deel en zie ik ook mijn broers en zussen af en toe.
En met mijn pleegouders is het contact eveneens heel goed. Doordat
ik zoveel mensen om me heen heb staan, voel ik mij ook niet eenzaam.
Ik heb niet het idee dat andere mensen meer goede contacten hebben
dan ik.’
Rakum: ‘Dat heb ik ook niet. Ik heb juist met veel mensen
een band. Zo beschouw ik mijn pleegouders, pleegbroers- en zussen
als familie, maar mijn eigen familie ook. Ik maak geen onderscheid
en probeer ze allemaal regelmatig te zien en bijvoorbeeld hun verjaardagen
niet te vergeten.’
Jeroen: ‘Ook ik probeer dat contact te onderhouden, maar toch
voel ik soms meer afstand. Wanneer ik zie hoe mijn vriendin omgaat
met haar ouders, dan is dat toch anders dan het contact dat ik met
Joke en Nelis heb. Mijn vriendin zou het bijvoorbeeld de normaalste
zaak van de wereld vinden haar ouders als oppas van onze eventuele
kinderen te beschouwen, terwijl ik dat met Joke en Nelis minder heb.
Ik weet wel dat het zou kunnen, maar het voelt minder vanzelfsprekend.
Misschien komt dat ook doordat ik korter bij ze heb gewoond dan de
anderen. Ik noem Nelis en Joke daardoor ook bij hun voornaam, terwijl
de andere kinderen ‘papa en mama’ zeggen. Desondanks heb
ik wel het gevoel dat ik altijd bij ze terecht kan als het nodig is’
Aisha: ‘Ik ook.’
Ariska: ‘En ik zeker. Behalve met mijn moeder, heb ik met mijn
biologische familie helemaal geen contact. Wanneer ik zie dat vriendinnen
dat allemaal wel hebben, mis ik het soms wel een beetje. Gelukkig
heb ik ook heel veel sociale contacten opgedaan door het dansen, zingen
en acteren. Daarnaast beschouw ik mijn pleegfamilie als mijn echte
familie en daardoor voel ik mij dan ook beslist geen ‘Remi’.
Dankzij hen heb ik een echte jeugd gehad.’