Regelmatig verschijnen er onderzoeken die betrekking hebben op onder
toezicht gestelde of onder voogdij staande kinderen. We houden ze
tegen het licht, op zoek naar wat er over pleegouders en pleegkinderen
wordt gezegd.
Eind 2000 verschijnt als eerste belangwekkend onderzoek een uitgebreide
evaluatie van de in 1995 vernieuwde OTS-wetgeving (ondertoezichtstelling)1.
Daarin onderzoekt men of de nieuwe OTS-wetgeving de belangen van ouders,
pleegouders en vooral die van de kinderen voldoende waarborgt. Men
ondervraagt (naast andere betrokkenen) 19 jongeren, 20 gezagsouders
en 10 pleegouders.
Maar één pleegouder vindt de wet een verbetering, de
rest heeft daar geen mening over of is niet op de hoogte.
De helft van de ondervraagden vindt de rechtspositie goed. Dit is
waarschijnlijk te verklaren uit het gegeven dat de betreffende pleegouders
over het algemeen tevreden zijn over de begeleiding vanuit de pleegzorginstelling.
Het begrip ‘aanwijzing’ is voor de meesten onbekend. Zolang
men daar niet mee te maken krijgt, zal dat ook niet zo snel veranderen.
Toch is het nuttig te weten dat de gezinsvoogd een aanwijzing kan
geven aan ofwel de jeugdige ofwel de ouder. Met dit middel kan bijvoorbeeld
een ouder die zich niet aan de bezoekregeling houdt, enigszins onder
druk gezet worden.
Blokkaderecht
Pleegouders weten niet, als het om hun eigen rechtspositie gaat,
wat het uitmaakt of een pleegkind vrijwillig dan wel onvrijwillig
geplaatst is. Vier van de tien pleegouders meent blokkaderecht te
hebben, ook als het gaat om een onder toezicht gesteld kind. Dit misverstand
komt overigens ook onder hulpverleners nog regelmatig voor. Blokkaderecht
kan echter alleen ingezet worden tegen de ouders van een vrijwillig
geplaatst kind of tegen de voogdij-instelling als het gaat om een
voogdij-pupil.
Overigens zouden acht van de tien pleegouders graag willen dat er
ook voor OTS-situaties een blokkaderecht zou komen.
De algemene conclusie van het onderzoek sluit aan bij bedoeling van
de op handen zijnde Wet op de Jeugdzorg waarin de rechtspositie van
jeugdige, ouders en pleegouders een centrale peiler van het nieuwe
systeem moet worden.
Anderhalf jaar later verschijnt: "909 zorgen, een onderzoek
naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling".2)
In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat het met bijna 30% van de
kinderen, die door de rechter onder toezicht van een gezinsvoogd zijn
gesteld, na verloop van tijd beter gaat.
De onderzoekers analyseerden 103 dossiers en interviewden kinderrechters,
stafmedewerkers van Raad van de Kinderbescherming, gezinsvoogden,
ouders en kinderen.
Helaas zijn pleegouders bij dit onderzoek niet betrokken, terwijl
ook zij toch de nodige zorgen hebben en iets kunnen zeggen over de
doelmatigheid van de ondertoezichtstelling. Jammer des te meer, omdat
ook uit het onderzoek blijkt dat na twee jaar ondertoezichtstelling
bijna tweederde van de kinderen uithuis geplaatst is, waarschijnlijk
grotendeels in pleeggezinnen.
Na twee jaar ondertoezichtstelling blijkt de situatie van 28% van
de jongeren verbeterd, van 38% hetzelfde gebleven en van 33% verslechterd.
Er wordt in het onderzoek een vergelijking gemaakt tussen de verbeterde
en de verslechterde groep aan de hand van een aantal punten. Bij de
groep waar verbetering is opgetreden, hebben zich minder vaak wisselingen
van de verblijfplaats voorgedaan dan bij de verslechterde groep. Omdat
'verblijf in een pleeggezin' niet als apart gegeven onderzocht is,
kunnen er geen conclusies getrokken worden over de bijdrage die een
pleeggezinplaatsing biedt bij de doelmatigheid van een ondertoezichtstelling.
Onderzoek NVP
Interessant is het om naast deze twee onderzoeken enkele resultaten
te vermelden van de enquête die de vereniging voor pleeggezinnen
(NVP) onder haar leden heeft gehouden naar de samenwerking met (gezins)voogden
en pleegzorgwerkers.3)
Een goede samenwerking en afstemming rondom een plaatsing met alle
betrokken partijen, ouder, pleeggezin, jongeren, plaatser, pleegzorgbegeleider
en eventuele anderen zou de doelmatigheid van een ondertoezichtstelling
zeker positief beïnvloeden. Maar helaas zijn de resultaten van
de enquête verontrustend: (pleeg)gezinnen krijgen elk half jaar
te maken met een nieuwe gezinsvoogd en anders wel met een nieuwe pleegzorgwerker.
Er werden ook reacties op de enquête-uitslag uit de politieke
hoek gevraagd. Zo zegt Ineke van Gent, tweede kamerlid van Groenlinks:
"Ik ben er voor dat pleegouders, pleegzorgwerker en (gezins)voogden
langdurig aan elkaar worden gekoppeld."
"Hoog tijd voor een onderzoek naar het snelle wisselen van gezinsvoogden",
zo zegt Agnes Kant, tweede kamerlid van de SP. De zorg voor de continuïteit
staat bij de "909 zorgen" niet vermeld, maar wordt in deze
enquête door bijna iedereen genoemd.
"De gezinsvoogden zijn steeds minder op de hoogte van de pleeggezinssituatie
en het kind. Het zijn 'computerkinderen' geworden, 'dossier'-kinderen",
zo vindt Wieke Selders van de NVP Gelderland. Hij concludeert eveneens:
naar pleegouders wordt niet geluisterd.
Bekende klachten van pleegzorgwerkers en pleegouders zijn: niet of
pas weken later door de gezinsvoogd teruggebeld worden; de gezinsvoogd
komt pas in actie als een (eventueel goed oplosbaar) probleem ontaard
is in een heftige crisis.
Gezien de resultaten lijkt het niet overbodig om uitgebreid bij de
ervaringen van pleegouders stil te staan. De geringe aandacht daarvoor
in de twee eerstgenoemde onderzoeken onderstreept alleen maar het
gevoel dat er inderdaad naar pleegouders te weinig wordt geluisterd.
1 Savornin Lohman, J. de (2000), e.a. Met recht
onder toezicht gesteld. Evaluatie van de herziene OTS-wetgeving. Utrecht:
Verwey Jonker Instituut
2 Slot, prof. dr. N.W.(2002), e.a. : 909 zorgen. Een onderzoek naar
de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling. Amsterdam: Vrije Universiteit.
3 Voor meer informatie zie 'Pleegcontact' (het blad van de NVP), jrg.
13, nr. 3/4, mei 2002.