artikel uit Mobiel 3, juni/juli 2002

Onderzoeken, onderzoeken, onderzoeken ...

auteurs: Anjo van Hout en Siemen Spinder

Regelmatig verschijnen er onderzoeken die betrekking hebben op onder toezicht gestelde of onder voogdij staande kinderen. We houden ze tegen het licht, op zoek naar wat er over pleegouders en pleegkinderen wordt gezegd.

Eind 2000 verschijnt als eerste belangwekkend onderzoek een uitgebreide evaluatie van de in 1995 vernieuwde OTS-wetgeving (ondertoezichtstelling)1.
Daarin onderzoekt men of de nieuwe OTS-wetgeving de belangen van ouders, pleegouders en vooral die van de kinderen voldoende waarborgt. Men ondervraagt (naast andere betrokkenen) 19 jongeren, 20 gezagsouders en 10 pleegouders.
Maar één pleegouder vindt de wet een verbetering, de rest heeft daar geen mening over of is niet op de hoogte.
De helft van de ondervraagden vindt de rechtspositie goed. Dit is waarschijnlijk te verklaren uit het gegeven dat de betreffende pleegouders over het algemeen tevreden zijn over de begeleiding vanuit de pleegzorginstelling.
Het begrip ‘aanwijzing’ is voor de meesten onbekend. Zolang men daar niet mee te maken krijgt, zal dat ook niet zo snel veranderen. Toch is het nuttig te weten dat de gezinsvoogd een aanwijzing kan geven aan ofwel de jeugdige ofwel de ouder. Met dit middel kan bijvoorbeeld een ouder die zich niet aan de bezoekregeling houdt, enigszins onder druk gezet worden.

Blokkaderecht

Pleegouders weten niet, als het om hun eigen rechtspositie gaat, wat het uitmaakt of een pleegkind vrijwillig dan wel onvrijwillig geplaatst is. Vier van de tien pleegouders meent blokkaderecht te hebben, ook als het gaat om een onder toezicht gesteld kind. Dit misverstand komt overigens ook onder hulpverleners nog regelmatig voor. Blokkaderecht kan echter alleen ingezet worden tegen de ouders van een vrijwillig geplaatst kind of tegen de voogdij-instelling als het gaat om een voogdij-pupil.
Overigens zouden acht van de tien pleegouders graag willen dat er ook voor OTS-situaties een blokkaderecht zou komen.
De algemene conclusie van het onderzoek sluit aan bij bedoeling van de op handen zijnde Wet op de Jeugdzorg waarin de rechtspositie van jeugdige, ouders en pleegouders een centrale peiler van het nieuwe systeem moet worden.

Anderhalf jaar later verschijnt: "909 zorgen, een onderzoek naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling".2) In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat het met bijna 30% van de kinderen, die door de rechter onder toezicht van een gezinsvoogd zijn gesteld, na verloop van tijd beter gaat.
De onderzoekers analyseerden 103 dossiers en interviewden kinderrechters, stafmedewerkers van Raad van de Kinderbescherming, gezinsvoogden, ouders en kinderen.

Helaas zijn pleegouders bij dit onderzoek niet betrokken, terwijl ook zij toch de nodige zorgen hebben en iets kunnen zeggen over de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling. Jammer des te meer, omdat ook uit het onderzoek blijkt dat na twee jaar ondertoezichtstelling bijna tweederde van de kinderen uithuis geplaatst is, waarschijnlijk grotendeels in pleeggezinnen.
Na twee jaar ondertoezichtstelling blijkt de situatie van 28% van de jongeren verbeterd, van 38% hetzelfde gebleven en van 33% verslechterd. Er wordt in het onderzoek een vergelijking gemaakt tussen de verbeterde en de verslechterde groep aan de hand van een aantal punten. Bij de groep waar verbetering is opgetreden, hebben zich minder vaak wisselingen van de verblijfplaats voorgedaan dan bij de verslechterde groep. Omdat 'verblijf in een pleeggezin' niet als apart gegeven onderzocht is, kunnen er geen conclusies getrokken worden over de bijdrage die een pleeggezinplaatsing biedt bij de doelmatigheid van een ondertoezichtstelling.

Onderzoek NVP

Interessant is het om naast deze twee onderzoeken enkele resultaten te vermelden van de enquête die de vereniging voor pleeggezinnen (NVP) onder haar leden heeft gehouden naar de samenwerking met (gezins)voogden en pleegzorgwerkers.3)
Een goede samenwerking en afstemming rondom een plaatsing met alle betrokken partijen, ouder, pleeggezin, jongeren, plaatser, pleegzorgbegeleider en eventuele anderen zou de doelmatigheid van een ondertoezichtstelling zeker positief beïnvloeden. Maar helaas zijn de resultaten van de enquête verontrustend: (pleeg)gezinnen krijgen elk half jaar te maken met een nieuwe gezinsvoogd en anders wel met een nieuwe pleegzorgwerker.

Er werden ook reacties op de enquête-uitslag uit de politieke hoek gevraagd. Zo zegt Ineke van Gent, tweede kamerlid van Groenlinks: "Ik ben er voor dat pleegouders, pleegzorgwerker en (gezins)voogden langdurig aan elkaar worden gekoppeld."
"Hoog tijd voor een onderzoek naar het snelle wisselen van gezinsvoogden", zo zegt Agnes Kant, tweede kamerlid van de SP. De zorg voor de continuïteit staat bij de "909 zorgen" niet vermeld, maar wordt in deze enquête door bijna iedereen genoemd.
"De gezinsvoogden zijn steeds minder op de hoogte van de pleeggezinssituatie en het kind. Het zijn 'computerkinderen' geworden, 'dossier'-kinderen", zo vindt Wieke Selders van de NVP Gelderland. Hij concludeert eveneens: naar pleegouders wordt niet geluisterd.
Bekende klachten van pleegzorgwerkers en pleegouders zijn: niet of pas weken later door de gezinsvoogd teruggebeld worden; de gezinsvoogd komt pas in actie als een (eventueel goed oplosbaar) probleem ontaard is in een heftige crisis.

Gezien de resultaten lijkt het niet overbodig om uitgebreid bij de ervaringen van pleegouders stil te staan. De geringe aandacht daarvoor in de twee eerstgenoemde onderzoeken onderstreept alleen maar het gevoel dat er inderdaad naar pleegouders te weinig wordt geluisterd.

1 Savornin Lohman, J. de (2000), e.a. Met recht onder toezicht gesteld. Evaluatie van de herziene OTS-wetgeving. Utrecht: Verwey Jonker Instituut
2 Slot, prof. dr. N.W.(2002), e.a. : 909 zorgen. Een onderzoek naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling. Amsterdam: Vrije Universiteit.
3 Voor meer informatie zie 'Pleegcontact' (het blad van de NVP), jrg. 13, nr. 3/4, mei 2002.