artikel uit Mobiel 3, juni/juli 2002

thema: Netwerkpleegzorg

Netwerkpleegzorg dichter bij huis

Door: Riet Portengen

De netwerkpleegzorg heeft zich de laatste jaren sterk ontwikkeld. Dit is een vorm van pleegzorg waarin een gezin binnen de familie of het sociale netwerk een kind opneemt. De ouders en het kind kiezen voor een pleeggezin in de eigen omgeving. Dit besluit wordt steeds vaker genomen in een familienetwerkberaad, waarin ouders, kinderen, familieleden en leden uit het sociale netwerk met elkaar een plan voor de toekomst maken voor het kind. Professionals ondersteunen vervolgens de betrokkenen in het uitvoeren van het plan. De ondersteuning richt zich alleen op de vragen van de ouders, het kind, de pleegouders en het sociale netwerk. Het boek ‘Dichter bij huis’ geeft een beschrijving van een basismethodiek voor netwerkpleegzorg in Nederland. Deze basismethodiek is ontwikkeld vanuit 13 jaar samen werken en samen leren met ouders, kinderen, hun familie en sociale netwerk, met professionals in de jeugdzorg en door uitwisseling met collega’s in het buitenland.

Netwerkpleegzorg is een eeuwenoude traditie. De betekenis van netwerkpleegzorg hangt sterk samen met de historische context, met sociaal-culturele en religieuze invloeden, met maatschappelijke ontwikkelingen en met wetgeving. In het Romeinse Rijk verhoogde een pleegkind de status van de pleegouders. De twee stichters van het keizerrijk, Romulus en Remus, waren immers ‘verlaten’ kinderen die bij wolven waren opgegroeid. Als zelfs dieren de zorg voor ‘verlaten kinderen op zich namen en het perspectief van deze kinderen zo goed kan zijn, dan zouden pleegouders meedelen in de uiteindelijke roem. In literatuur over de Germanen en Kelten komt het ‘uitbesteden’ van kinderen aan het gezin van familie of vrienden voor. Dit werd gezien als een fatsoenlijke manier om zelf niet de ouderlijke plichten te vervullen. Het kind werd ondergebracht in een gezin dat was aangewezen door de ouders. In de zesde eeuw kwam in Zuid Frankrijk een wetgeving waarin netwerkpleegouders een financiële tegemoetkoming kregen van de ouders. Dit tot het tiende levensjaar van het kind; daarna werd het geacht in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.

Kentering

Het is bijzonder boeiend om de geschiedenis te volgen en te zien hoe via kloosters, kerken, liefdadigheids- en overheidsinstellingen professionals de macht krijgen en betekenis geven aan pleegzorg. In de westerse samenleving komt de pleegzorg letterlijk en figuurlijk steeds verder af te staan van de ouders, de familie en het sociale netwerk van kinderen. Hun positie wordt door onder meer wetgeving steeds afhankelijker van de beoordeling door professionals. Rond de jaren 1990 komt er een kentering. Een aantal ontwikkelingen leidt er toe dat netwerkpleegzorg expliciet onder de aandacht komt. Het Verdrag van de Rechten van het Kind en het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens geven erkenning aan het recht van kinderen om binnen de eigen context op te mogen groeien. Door de Wet op de Jeugdhulpverlening komt er zicht op het aantal kinderen dat bij familie en bekenden verblijft èn deze wet geeft impliciet ruimte aan netwerkpleegzorg door hulpverlening zo licht mogelijk, zo dichtbij mogelijk en zo kort mogelijk te laten plaatsvinden. Een andere ontwikkeling is dat veel migrantenfamilies de zorg voor hun kinderen binnen de eigen context opeisen; gewoon omdat dat zo gewoon is! Met steun van professionals met eenzelfde culturele achtergrond, gaf dit een sterke impuls om de pleegzorg een nieuwe betekenis en invulling te geven naast de bestandspleegzorg. Tot slot meldden zich steeds minder bestandspleegouders aan en nam de vraag naar pleegouders toe. Dit noodzaakte zelfs de ‘tegenstanders’ van netwerkpleegzorg tot het serieus onderzoeken van de mogelijkheden binnen de familie en het sociale netwerk.

Richting geven aan netwerkpleegzorg

Uit een inventarisatie in 1998 bleek dat bij de landelijke Voorzieningen voor Pleegzorg gemiddeld ruim 40% van de pleegkinderen in een netwerkpleeggezin verbleven. De meeste kinderen woonden bij grootouders of bij een oom en tante. Uit een informele steekproef bij een aantal VVP’s in 2001 blijkt dat het aantal netwerkplaatsingen nog steeds sterk toeneemt. Veel voorzieningen hebben inmiddels een visie op netwerkpleegzorg. Het beleid dat daaruit volgt is dat eerst de mogelijkheden binnen de familie en het sociale netwerk onderzocht moeten zijn, voordat een kind in een bestandsgezin geplaatst kan worden. Een netwerkplaatsing heeft veel voordelen voor de ouders, het kind en de pleegouders. Zij kennen elkaar, weten van elkaars voorgeschiedenis, hebben over het algemeen dezelfde sociaal-culturele, religieuze achtergrond, het kind blijft in de eigen omgeving, enzovoort. Als dit problemen oplevert noemen professionals dit vaak nadelen van netwerkpleegzorg. Meestal zijn dit geen nadelen, maar dilemma’s voor de professionals: wat te doen bij bijvoorbeeld ruzie binnen de familie of als het kind zich juist wil bevrijden uit de religieuze overtuiging van de ouders.
Netwerkpleegzorg vraagt een omslag in het denken en handelen van professionals. Niet de professional, maar de familie en het sociale netwerk maken samen met de ouders en het kind een plan voor de toekomst. Als de professional hen hierin serieus neemt, mag hij ook zijn vragen en dilemma’s inbrengen. De professional zal dan ook serieus genomen worden door ouders, kinderen, de familie en leden van het sociale netwerk. De professional wordt dan ook gerechtigd om zijn bijdrage te leveren aan het welslagen van het plan voor de toekomst van het kind. De rol van de professional verandert door de andere positie die hij inneemt.

Inhoud geven aan netwerkpleegzorg

De drie peilers van de methodiek ‘Netwerkpleegzorg’ zijn de attitude van professionals, een aantal theoretische concepten en daarvan afgeleide technieken en vaardigheden. Het werken vanuit de krachten en mogelijkheden van de familie en het sociale netwerk (empowerment) staat centraal in de attitude van de professional. De professional moet kunnen werken met het familienetwerkberaad in al zijn varianten. Hij moet de rol van onafhankelijk coördinator op zich kunnen nemen, maar moet als de familie dit vraagt bijvoorbeeld ook procesbegeleider kunnen zijn. Vaak wordt een familienetwerkberaad alleen gehouden als de professional besluit dat dit mogelijk is. Uitgangspunt is echter dat bij iedere uithuisplaatsing een familienetwerkberaad plaatsvindt. De familie en het sociale netwerk maakt hierin een plan voor de toekomst, spreekt met elkaar af hoe dit wordt gerealiseerd en wie welke rol speelt. In de praktijk betekent dit dat er weinig families overblijven die geen verantwoordelijkheid willen of kunnen nemen voor de toekomst van hun kinderen. Zij definiëren zelf de ondersteuning die zij nodig hebben van professionals.
Het werken vanuit sociale netwerkstrategieën is de tweede belangrijke peiler in de netwerkpleegzorg. Het maken van een genogram, ecogram, sociogram en levenslijn samen met ouders, kinderen en andere familie- en sociale netwerkleden zijn belangrijke aspecten. Dit geeft een volledig overzicht van de omvang van de familie en het sociale netwerk en de kwaliteit van de contacten. Het biedt ook zekerheid dat niemand die een belangrijke rol voor het kind speelt of kan spelen over het hoofd wordt gezien.

Derde peiler

De systeemtheorie in het algemeen en de contextuele benadering in het bijzonder is de derde peiler. Het genogram en de levenslijn van ouders en kinderen geven informatie over en inzicht in de verschillende generaties en de mogelijke samenhang met problemen en keuzes binnen families. Een valkuil voor de professional is om op basis van zijn veronderstellingen en interpretaties met collega-professionals conclusies te trekken en beslissingen te nemen. Eén van de meest gehoorde veronderstellingen is bijvoorbeeld dat grootouders hun kleinkind opvoeden omdat zij een oude rekening te vereffenen hebben met hun verslaafde zoon of dochter en/of de buitenwereld via hun kleinkind willen laten zien dat het niet hun schuld is dat hun zoon of dochter verslaafd is. Indien dit vervolgens als de motivatie van grootouders wordt bestempeld, loopt de samenwerking in de begeleiding over het algemeen stroef. Het is daarom belangrijk hoe de professional tegen motivatie van netwerkpleegouders aankijkt: als eigenbelang van netwerkpleegouders om (oude) rekeningen te vereffenen of zichzelf te bewijzen òf als een mogelijkheid om vanuit hun krachten en mogelijkheden aan continuïteit te werken in het leven van het kind. In de laatste visie ontstaat er ruimte naast de krachten en mogelijkheden, ook wederzijdse vragen en dilemma’s te bespreken. Dit biedt in de praktijk veel mogelijkheden tot een contructieve samenwerking in de begeleiding.

Hulp op maat

Het sociale competentiemodel biedt aanknopingspunten om hulp op maat te bieden aan het netwerkpleeggezin. Dit kan worden afgestemd op de levensfase van de netwerkpleegouders en de ontwikkelingsfase van het kind. In een competentiebalans wegen de pleegouders de taken af die veranderen of toenemen bij de komst van een pleegkind in het gezin, ten opzichte van de vaardigheden die zij al in huis hebben. Daarbij wordt ook gekeken welke factoren stress veroorzaken en welke het gezin juist beschermen tegen problemen. De competentiebalans biedt een uitstekende mogelijkheid om netwerkpleeg-ouders te ondersteunen tijdens de plaatsing, maar ook om ouders te begeleiden in het contact met hun kinderen en/of een terugkeer naar huis.

Invulling geven aan netwerkpleegzorg

Het boek ‘Dichter bij huis’ geeft een beschrijving van een basismethodiek voor de netwerkpleegzorg. Inmiddels zijn de ontwikkelingen verder gegaan. Een aantal Voorzieningen voor Pleegzorg hebben de basismethodiek inmiddels geïmplementeerd. In het kader van Trillium heeft een verdieping van de methodiek plaatsgevonden. Dit biedt veel materiaal voor een vervolg op het basisboek. De netwerkverkenning en het familienetwerkberaad zijn verder uitgewerkt, er is een start gemaakt met een nieuw begeleidingsmodel en met het samenwerken in zorgteams. Verder is er speciaal aandacht besteed aan grootouders die een kleinkind opvoeden en aan moslimpleeggezinnen. lRiet Portengen heeft een eigen adviesbureau Topic ~methodiek-, organisatie- en beleidsontwikkeling~ en heeft verschillende publicaties op het gebied van jeugdzorg, pleegzorg en kennismanagement op haar naam staan. Zij ontwikkelde samen met Bart van der Neut de basiscursis ‘Familie- en sociale netwerkplaatsingen’ (1996 / 2000). In Dichter bij huis wordt deze methodiek verder uitgewerkt en voor een breed publiek toegankelijk gemaakt.

Dichter bij huis. Netwerkpleegzorg in Nederland, Riet Portengen, ISBN 90 5050 919 3, prijs ca. € 26,50. Het boek verschijnt nog in 2002 bij NIZW, Utrecht.