De netwerkpleegzorg heeft zich de laatste jaren sterk ontwikkeld.
Dit is een vorm van pleegzorg waarin een gezin binnen de familie of
het sociale netwerk een kind opneemt. De ouders en het kind kiezen
voor een pleeggezin in de eigen omgeving. Dit besluit wordt steeds
vaker genomen in een familienetwerkberaad, waarin ouders, kinderen,
familieleden en leden uit het sociale netwerk met elkaar een plan
voor de toekomst maken voor het kind. Professionals ondersteunen vervolgens
de betrokkenen in het uitvoeren van het plan. De ondersteuning richt
zich alleen op de vragen van de ouders, het kind, de pleegouders en
het sociale netwerk. Het boek ‘Dichter bij huis’
geeft een beschrijving van een basismethodiek voor netwerkpleegzorg
in Nederland. Deze basismethodiek is ontwikkeld vanuit 13 jaar samen
werken en samen leren met ouders, kinderen, hun familie en sociale
netwerk, met professionals in de jeugdzorg en door uitwisseling met
collega’s in het buitenland.
Netwerkpleegzorg is een eeuwenoude traditie. De betekenis van netwerkpleegzorg
hangt sterk samen met de historische context, met sociaal-culturele
en religieuze invloeden, met maatschappelijke ontwikkelingen en met
wetgeving. In het Romeinse Rijk verhoogde een pleegkind de status
van de pleegouders. De twee stichters van het keizerrijk, Romulus
en Remus, waren immers ‘verlaten’ kinderen die bij wolven
waren opgegroeid. Als zelfs dieren de zorg voor ‘verlaten kinderen
op zich namen en het perspectief van deze kinderen zo goed kan zijn,
dan zouden pleegouders meedelen in de uiteindelijke roem. In literatuur
over de Germanen en Kelten komt het ‘uitbesteden’ van
kinderen aan het gezin van familie of vrienden voor. Dit werd gezien
als een fatsoenlijke manier om zelf niet de ouderlijke plichten te
vervullen. Het kind werd ondergebracht in een gezin dat was aangewezen
door de ouders. In de zesde eeuw kwam in Zuid Frankrijk een wetgeving
waarin netwerkpleegouders een financiële tegemoetkoming kregen
van de ouders. Dit tot het tiende levensjaar van het kind; daarna
werd het geacht in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.
Kentering
Het is bijzonder boeiend om de geschiedenis te volgen en te zien
hoe via kloosters, kerken, liefdadigheids- en overheidsinstellingen
professionals de macht krijgen en betekenis geven aan pleegzorg. In
de westerse samenleving komt de pleegzorg letterlijk en figuurlijk
steeds verder af te staan van de ouders, de familie en het sociale
netwerk van kinderen. Hun positie wordt door onder meer wetgeving
steeds afhankelijker van de beoordeling door professionals. Rond de
jaren 1990 komt er een kentering. Een aantal ontwikkelingen leidt
er toe dat netwerkpleegzorg expliciet onder de aandacht komt. Het
Verdrag van de Rechten van het Kind en het Europees Verdrag van de
Rechten van de Mens geven erkenning aan het recht van kinderen om
binnen de eigen context op te mogen groeien. Door de Wet op de Jeugdhulpverlening
komt er zicht op het aantal kinderen dat bij familie en bekenden verblijft
èn deze wet geeft impliciet ruimte aan netwerkpleegzorg door
hulpverlening zo licht mogelijk, zo dichtbij mogelijk en zo kort mogelijk
te laten plaatsvinden. Een andere ontwikkeling is dat veel migrantenfamilies
de zorg voor hun kinderen binnen de eigen context opeisen; gewoon
omdat dat zo gewoon is! Met steun van professionals met eenzelfde
culturele achtergrond, gaf dit een sterke impuls om de pleegzorg een
nieuwe betekenis en invulling te geven naast de bestandspleegzorg.
Tot slot meldden zich steeds minder bestandspleegouders aan en nam
de vraag naar pleegouders toe. Dit noodzaakte zelfs de ‘tegenstanders’
van netwerkpleegzorg tot het serieus onderzoeken van de mogelijkheden
binnen de familie en het sociale netwerk.
Richting geven aan netwerkpleegzorg
Uit een inventarisatie in 1998 bleek dat bij de landelijke Voorzieningen
voor Pleegzorg gemiddeld ruim 40% van de pleegkinderen in een netwerkpleeggezin
verbleven. De meeste kinderen woonden bij grootouders of bij een oom
en tante. Uit een informele steekproef bij een aantal VVP’s
in 2001 blijkt dat het aantal netwerkplaatsingen nog steeds sterk
toeneemt. Veel voorzieningen hebben inmiddels een visie op netwerkpleegzorg.
Het beleid dat daaruit volgt is dat eerst de mogelijkheden binnen
de familie en het sociale netwerk onderzocht moeten zijn, voordat
een kind in een bestandsgezin geplaatst kan worden. Een netwerkplaatsing
heeft veel voordelen voor de ouders, het kind en de pleegouders. Zij
kennen elkaar, weten van elkaars voorgeschiedenis, hebben over het
algemeen dezelfde sociaal-culturele, religieuze achtergrond, het kind
blijft in de eigen omgeving, enzovoort. Als dit problemen oplevert
noemen professionals dit vaak nadelen van netwerkpleegzorg. Meestal
zijn dit geen nadelen, maar dilemma’s voor de professionals:
wat te doen bij bijvoorbeeld ruzie binnen de familie of als het kind
zich juist wil bevrijden uit de religieuze overtuiging van de ouders.
Netwerkpleegzorg vraagt een omslag in het denken en handelen van professionals.
Niet de professional, maar de familie en het sociale netwerk maken
samen met de ouders en het kind een plan voor de toekomst. Als de
professional hen hierin serieus neemt, mag hij ook zijn vragen en
dilemma’s inbrengen. De professional zal dan ook serieus genomen
worden door ouders, kinderen, de familie en leden van het sociale
netwerk. De professional wordt dan ook gerechtigd om zijn bijdrage
te leveren aan het welslagen van het plan voor de toekomst van het
kind. De rol van de professional verandert door de andere positie
die hij inneemt.
Inhoud geven aan netwerkpleegzorg
De drie peilers van de methodiek ‘Netwerkpleegzorg’ zijn
de attitude van professionals, een aantal theoretische concepten en
daarvan afgeleide technieken en vaardigheden. Het werken vanuit de
krachten en mogelijkheden van de familie en het sociale netwerk (empowerment)
staat centraal in de attitude van de professional. De professional
moet kunnen werken met het familienetwerkberaad in al zijn varianten.
Hij moet de rol van onafhankelijk coördinator op zich kunnen
nemen, maar moet als de familie dit vraagt bijvoorbeeld ook procesbegeleider
kunnen zijn. Vaak wordt een familienetwerkberaad alleen gehouden als
de professional besluit dat dit mogelijk is. Uitgangspunt is echter
dat bij iedere uithuisplaatsing een familienetwerkberaad plaatsvindt.
De familie en het sociale netwerk maakt hierin een plan voor de toekomst,
spreekt met elkaar af hoe dit wordt gerealiseerd en wie welke rol
speelt. In de praktijk betekent dit dat er weinig families overblijven
die geen verantwoordelijkheid willen of kunnen nemen voor de toekomst
van hun kinderen. Zij definiëren zelf de ondersteuning die zij
nodig hebben van professionals.
Het werken vanuit sociale netwerkstrategieën is de tweede belangrijke
peiler in de netwerkpleegzorg. Het maken van een genogram, ecogram,
sociogram en levenslijn samen met ouders, kinderen en andere familie-
en sociale netwerkleden zijn belangrijke aspecten. Dit geeft een volledig
overzicht van de omvang van de familie en het sociale netwerk en de
kwaliteit van de contacten. Het biedt ook zekerheid dat niemand die
een belangrijke rol voor het kind speelt of kan spelen over het hoofd
wordt gezien.
Derde peiler
De systeemtheorie in het algemeen en de contextuele benadering in
het bijzonder is de derde peiler. Het genogram en de levenslijn van
ouders en kinderen geven informatie over en inzicht in de verschillende
generaties en de mogelijke samenhang met problemen en keuzes binnen
families. Een valkuil voor de professional is om op basis van zijn
veronderstellingen en interpretaties met collega-professionals conclusies
te trekken en beslissingen te nemen. Eén van de meest gehoorde
veronderstellingen is bijvoorbeeld dat grootouders hun kleinkind opvoeden
omdat zij een oude rekening te vereffenen hebben met hun verslaafde
zoon of dochter en/of de buitenwereld via hun kleinkind willen laten
zien dat het niet hun schuld is dat hun zoon of dochter verslaafd
is. Indien dit vervolgens als de motivatie van grootouders wordt bestempeld,
loopt de samenwerking in de begeleiding over het algemeen stroef.
Het is daarom belangrijk hoe de professional tegen motivatie van netwerkpleegouders
aankijkt: als eigenbelang van netwerkpleegouders om (oude) rekeningen
te vereffenen of zichzelf te bewijzen òf als een mogelijkheid
om vanuit hun krachten en mogelijkheden aan continuïteit te werken
in het leven van het kind. In de laatste visie ontstaat er ruimte
naast de krachten en mogelijkheden, ook wederzijdse vragen en dilemma’s
te bespreken. Dit biedt in de praktijk veel mogelijkheden tot een
contructieve samenwerking in de begeleiding.
Hulp op maat
Het sociale competentiemodel biedt aanknopingspunten om hulp op maat
te bieden aan het netwerkpleeggezin. Dit kan worden afgestemd op de
levensfase van de netwerkpleegouders en de ontwikkelingsfase van het
kind. In een competentiebalans wegen de pleegouders de taken af die
veranderen of toenemen bij de komst van een pleegkind in het gezin,
ten opzichte van de vaardigheden die zij al in huis hebben. Daarbij
wordt ook gekeken welke factoren stress veroorzaken en welke het gezin
juist beschermen tegen problemen. De competentiebalans biedt een uitstekende
mogelijkheid om netwerkpleeg-ouders te ondersteunen tijdens de plaatsing,
maar ook om ouders te begeleiden in het contact met hun kinderen en/of
een terugkeer naar huis.
Invulling geven aan netwerkpleegzorg
Het boek ‘Dichter bij huis’ geeft een beschrijving van
een basismethodiek voor de netwerkpleegzorg. Inmiddels zijn de ontwikkelingen
verder gegaan. Een aantal Voorzieningen voor Pleegzorg hebben de basismethodiek
inmiddels geïmplementeerd. In het kader van Trillium heeft een
verdieping van de methodiek plaatsgevonden. Dit biedt veel materiaal
voor een vervolg op het basisboek. De netwerkverkenning en het familienetwerkberaad
zijn verder uitgewerkt, er is een start gemaakt met een nieuw begeleidingsmodel
en met het samenwerken in zorgteams. Verder is er speciaal aandacht
besteed aan grootouders die een kleinkind opvoeden en aan moslimpleeggezinnen.
lRiet Portengen heeft een eigen adviesbureau Topic ~methodiek-, organisatie-
en beleidsontwikkeling~ en heeft verschillende publicaties op het
gebied van jeugdzorg, pleegzorg en kennismanagement op haar naam staan.
Zij ontwikkelde samen met Bart van der Neut de basiscursis ‘Familie-
en sociale netwerkplaatsingen’ (1996 / 2000). In Dichter bij
huis wordt deze methodiek verder uitgewerkt en voor een breed publiek
toegankelijk gemaakt.
Dichter bij huis. Netwerkpleegzorg in Nederland,
Riet Portengen, ISBN 90 5050 919 3, prijs ca. € 26,50. Het boek
verschijnt nog in 2002 bij NIZW, Utrecht.