artikel uit Mobiel 2, april/mei 2002

thema: Broertjes en zusjes van het pleegkind

Tweeling samen geplaatst

Door: Willemien Kronenberg

Wij hebben al een pleegzoon van tien jaar, die ruim een jaar bij ons woont als besloten wordt om nog twee kinderen (een tweeling van zes jaar) bij te plaatsen. In de aanloop naar de plaatsing van onze tweeling bleek de TGV (plaatser) te vinden dat beide kinderen niet tegelijk moesten komen. De kans was groter dat de kinderen goed zouden hechten als ze met een tussenpoos bij ons geplaatst werden. Wij hadden daar grote moeite mee. Die twee hummels hadden hun hele leven samen doorgebracht. Ze waren ook al zes keer samen verplaatst en nu moesten ze uit elkaar...? Na veel wikken en wegen werd toch besloten om ze tegelijk te plaatsen. En wat hadden ze er een moeite mee dat ze ieder een eigen kamer hadden: ze hadden nog nooit zonder elkaar geslapen…

Kinderpsychiater Frits de Boer deed onderzoek naar broers en zussen en besteedt ook aandacht aan broers en zussen in de pleegzorg. In het algemeen is hij er een voorstander van om kinderen uit één gezin bij elkaar te plaatsen in één pleeg- of adoptiegezin. Het geeft kansen, maar er zitten ook risico’s aan. Per geval zul je dus goed moeten overwegen wat de beste keus is.

Steun

Een van de positieve kanten van het samen plaatsen van twee (of meer) kinderen in hetzelfde pleeggezin is dat de kinderen steun hebben aan elkaar in de moeilijke overgang van het eigen gezin naar een pleeggezin. En ouders stellen het vaak erg op prijs als de kinderen bij elkaar blijven. Een ander, moeilijk te meten, voordeel is het behoud van de familieband. Het besef dat iemand je broer of zus is, betekent vooral op volwassen leeftijd veel.
De minpunten van gezamenlijke plaatsing beginnen bij een praktisch aspect. Het is gewoon moeilijk om een gezin te vinden waar meer dan één kind geplaatst kan worden. Een ander bezwaar heeft te maken met de voorgeschiedenis van de kinderen. Wanneer die is gekenmerkt door ernstige verwaarlozing of mishandeling, bestaat de kans dat dit bij een of meerdere kinderen heeft geleid tot emotionele problemen of gedragsstoornissen. Soms zijn die zo ernstig dat plaatsing in een pleeggezin niet mogelijk is. Als er nog wel aan plaatsing in een gezin wordt gedacht, is de zorg die het betreffende kind vraagt zo groot, dat het niet mogelijk is deze nog eens te delen met andere pleegkinderen, ook al zijn dit eigen broers of zussen.

Voorgeschiedenis

De voorgeschiedenis van de kinderen kan ook negatieve gevolgen hebben gehad voor hun onderlinge relatie. Beleven ze elkaar nog als broer of zus, of hebben ze nauwelijks een gezamenlijk gezinsleven gekend. Vaak zijn ze al eerder uithuis geplaatst en bij die gelegenheid al gescheiden. In al deze gevallen is er niet veel reden om te verwachten dat de kinderen elkaar steun bieden bij de overstap naar een pleeggezin. De kans is groot dat deze problemen een geslaagde plaatsing eerder in de weg zullen staan.
Het kan ook voorkomen dat deze kinderen juist zo’n sterke onderlinge band hebben ontwikkeld, dat het moeilijk is voor de pleegouders om nog een band te ontwikkelen met ieder individueel kind.
Tot slot noemt de Boer nog dat de kinderen elkaar ongunstig kunnen beïnvloeden. Als een kind in een vorige situatie de zondebokrol had, is de kans aanwezig dat die rol wordt meegenomen. Ook emotionele en gedragsproblemen kunnen elkaar versterken.

Afweging

Er is weinig onderzoek gedaan naar de voor- en nadelen van het samen plaatsen. In de praktijk zal er telkens een afweging gemaakt worden om te kijken wat de beste optie is. Wel is duidelijk dat behalve factoren aan de kant van de kinderen, ook factoren van het pleeggezin een rol spelen bij de kans op een geslaagde plaatsing. De aanwezigheid van andere kinderen verhoogt de kans op mislukken. Dit geldt zowel voor kinderen die alleen geplaatst worden als voor degenen die met een broertje of zusje worden geplaatst. Alleen als de onderlinge leeftijd drie jaar of meer scheelt, is dit gevaar minder. Bij een afwijkende hechtingsgeschiedenis geeft het contact met leeftijdsgenoten vaak veel problemen.
Verder speelt de tijd tussen de plaatsing van de verschillende kinderen een rol bij de kans op het slagen van een plaatsing. Als kinderen niet tegelijk komen maar met tussenpozen is er een grotere kans van slagen. De gelijktijdige plaatsing van meer kinderen is vergelijkbaar met de komst van een meerling. Opeens moet er zoveel gedaan worden en is de belasting voor de ouders veel groter. Als er geen haast is en de kinderen zitten bijvoorbeeld al in een tehuis, kan dit effect worden voorkomen door na enkele maanden pas de volgende te plaatsen.

Gehecht

In het geval van de tweeling is er besloten om ze samen èn tegelijk te plaatsen. Ondanks een zeer turbulent verleden, waarin ook verwaarlozing een grote rol speelde, zijn ze na vier jaar verbazend goed gehecht in het pleeggezin. Het zou goed wel kunnen zijn dat juist doordat de kinderen zo aan elkaar gehecht waren, ze ook de mogelijkheid hadden om aan hun pleegouders te hechten. De Boer geeft ook aan dat zijn verhaal gebaseerd is op gemiddelden en dat je in individuele gevallen telkens heel zorgvuldig zult moeten afwegen wat wijsheid is.
Tot slot geeft hij nog aan dat als kinderen niet bij elkaar geplaatst worden, het van groot belang is dat ze wel contact onderling blijven houden; vergelijkbaar met neefjes en nichtjes. l

Zie verder:
Frits de Boer, Een gegeven relatie; over broers en zussen. Prometheus, Amsterdam, 1994
Femmie Juffer, Broers en zussen. In: Adoptie tijdschrift jaargang 4, nummer 4 december 2025