artikel uit Mobiel 2, april/mei 2002

thema: Broertjes en zusjes van het pleegkind

Broertjes en zusjes als bondgenootjes

Interview met Petra Bastiaensen

Door: Jeanny Gijzen

Petra Bastiaensen deed tussen 1998 en 2001 onderzoek naar de gevoelens van pleegkinderen. De relatie tussen broertjes en zusjes in de pleegzorg was eigenlijk geen kernvraag in haar onderzoek. Maar de resultaten waren op dat punt zo opvallend dat ze een belangrijke plaats kregen in de uitwerking van het onderzoek. Haar conclusie is: pleegkinderen voelen zich sterk verbonden met hun broers en zussen! Zij pleit dan ook uitdrukkelijk voor meer onderling contact. Hieronder legt ze uit waarom.

Hoe vond het onderzoek plaats?

121 Pleeg-kinderen in de leeftijd van acht tot en met dertien jaar zijn na aanvang van de plaatsing drie jaar gevolgd. Zij hebben jaarlijks een vragenlijst ingevuld over de wijze waarop zij de relatie met hun ouders, pleegouders, broers en zussen (verder brusjes genoemd) en pleegbrusjes ervaren.

Wat vertelden pleegkinderen over hun verbondenheid met hun brusjes?

In vergelijking met kinderen in gewone opvoedingssituaties hebben pleegkinderen het gevoel meer op hun brusjes te kunnen rekenen. Daarnaast voelen zij zich door hun brusjes meer gewaardeerd. Bovendien ervaren zij meer evenwicht in de relatie met hun brusjes. Tot slot hebben pleegkinderen, meer dan kinderen in gewone opvoedingssituaties, het gevoel dat hun brusjes hen (lichamelijk) nabij zijn.

Waarom zijn de resultaten zo opvallend?

Opmerkelijk is vooral de vergelijking met de gevoelens die pleegkinderen voor pleegouders, eigen ouders en pleegbrusjes hebben. De onderzochte pleegkinderen lijken afstand te bewaren tot het pleeggezin en de eigen ouders. De emotionele ingroei in het pleeggezin komt in de eerste drie jaar slechts beperkt op gang. De pleegkinderen kunnen of willen niets opbouwen met personen in hun directe omgeving. Daarnaast is de verbondenheid met de ouders gering. Pleegkinderen hebben het gevoel niet op hun ouders te kunnen rekenen en ervaren geen evenwicht in de relatie met hun ouders. Wel hebben zij behoefte aan fysieke nabijheid van de ouders, maar dit is volgens de kinderen niet wederzijds. Gevoelens van onveiligheid, verlatenheid en verwarring kunnen hierin een rol spelen. Ook hechtingsproblematiek als gevolg van de voorgeschiedenis of de moeite die het kost de loyaliteiten naar ouders en pleegouders te hanteren, spelen mogelijk een rol. Deze geringe betrokkenheid op het pleeggezin en op de biologische ouders contrasteert met de sterke gevoelens van trouw en verbondenheid naar de brusjes.

Hoe kunnen deze resultaten verklaard worden?

Ook in andere onderzoeken komt naar voren dat pleegkinderen veel behoefte hebben aan contact met hun brusjes en dit contact als steunend ervaren. Gevoelens van bond- en lotgenootschap en wederzijdse bescherming lijken hieraan ten grondslag te liggen. Brusjes hebben sowieso een gezamenlijke geschiedenis en de relatie met een brusje is voor veel mensen de meest langdurige relatie die ze in hun leven hebben.
In dit onderzoek woont 80% van de brusjes niet in hetzelfde pleeggezin. Mogelijk versterkt de fysieke afstand juist de gevoelsrelatie. Een verklaring hiervoor is dat een belangrijk kenmerk van brusjesrelaties, namelijk ambivalentie als gevolg van rivaliteit, wegvalt bij een uithuisplaatsing. Bij elkaar in huis wonende brusjes moeten zaken delen (variërend van moeders schoot tot de afstandsbediening) waardoor concurrentiegevoelens ontstaan.
Verwaarlozing door ouders of andere vormen van verminderde (fysieke of emotionele) ouderlijke zorg kunnen leiden tot versterkte loyaliteit tussen brusjes onderling en zorg voor elkaar. In gezinnen die niet goed functioneren, vervullen brusjes een bufferfunctie voor elkaar. Zij zoeken steun en bescherming bij elkaar. Omdat onvoldoende evenwicht gevonden kan worden in de loyaliteitsgevoelens ten opzichte van de ouders, worden de loyaliteitsbanden met de brusjes gekoesterd. Enkele auteurs spreken in dit opzicht van overloyaliteit aan de brusjes. In recent Zweeds onderzoek wordt geconstateerd dat de betrokkenheid en gerichtheid op brusjes toeneemt naarmate pleegkinderen langer uithuisgeplaatst zijn.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Hoewel dit vaak niet gemakkelijk te realiseren is, pleit dit resultaat voor contact tussen brusjes onderling of zelfs voor het samen plaatsen van brusjes. In verschillende studies naar pleegzorgplaatsingen van brusjes blijken samen met hun brusjes geplaatste kinderen echter evenveel kans te hebben op een voortijdig afgebroken plaatsing als alleen geplaatste kinderen. Een specifieke contra-indicatie voor het samen plaatsen is ernstige (emotionele en/of gedrags)problematiek bij één van de brusjes.
Kernpunt is dat binnen een pleeggezinplaatsing bij de contacten met het ouderlijk milieu niet alleen gedacht dient te worden aan de ouders. De sterke lotsverbondenheid en de wederzijdse beschermings- en bufferfunctie noodzaken tot een structureel contact tussen brusjes. Steun van brusjes blijkt vooral een gunstige bijdrage te leveren aan de opgave zich los te maken van het onvermogen van de ouders en het eigen leven van alledag (weer) op te nemen. l

Dr. Petra Bastiaensen is orthopedagoog/gz-psycholoog en momenteel werkzaam bij Jeugdzorg Brabant
Titel onderzoek: "Belaste pleegouders en verscheurde pleegkinderen?" Drukkerij Vorsselmans Zundert, 2001, telefonisch te bestellen via 076-5600400.