Petra Bastiaensen deed tussen 1998 en 2001 onderzoek naar de gevoelens
van pleegkinderen. De relatie tussen broertjes en zusjes in de
pleegzorg was eigenlijk geen kernvraag in haar onderzoek. Maar de
resultaten waren op dat punt zo opvallend dat ze een belangrijke plaats
kregen in de uitwerking van het onderzoek. Haar conclusie is: pleegkinderen
voelen zich sterk verbonden met hun broers en zussen! Zij pleit dan
ook uitdrukkelijk voor meer onderling contact. Hieronder legt ze uit
waarom.
Hoe vond het onderzoek plaats?
121 Pleeg-kinderen in de leeftijd van acht tot en met dertien jaar
zijn na aanvang van de plaatsing drie jaar gevolgd. Zij hebben jaarlijks
een vragenlijst ingevuld over de wijze waarop zij de relatie met hun
ouders, pleegouders, broers en zussen (verder brusjes genoemd) en
pleegbrusjes ervaren.
Wat vertelden pleegkinderen over hun verbondenheid met hun brusjes?
In vergelijking met kinderen in gewone opvoedingssituaties hebben
pleegkinderen het gevoel meer op hun brusjes te kunnen rekenen. Daarnaast
voelen zij zich door hun brusjes meer gewaardeerd. Bovendien ervaren
zij meer evenwicht in de relatie met hun brusjes. Tot slot hebben
pleegkinderen, meer dan kinderen in gewone opvoedingssituaties, het
gevoel dat hun brusjes hen (lichamelijk) nabij zijn.
Waarom zijn de resultaten zo opvallend?
Opmerkelijk is vooral de vergelijking met de gevoelens die pleegkinderen
voor pleegouders, eigen ouders en pleegbrusjes hebben. De onderzochte
pleegkinderen lijken afstand te bewaren tot het pleeggezin en de eigen
ouders. De emotionele ingroei in het pleeggezin komt in de eerste
drie jaar slechts beperkt op gang. De pleegkinderen kunnen of willen
niets opbouwen met personen in hun directe omgeving. Daarnaast is
de verbondenheid met de ouders gering. Pleegkinderen hebben het gevoel
niet op hun ouders te kunnen rekenen en ervaren geen evenwicht in
de relatie met hun ouders. Wel hebben zij behoefte aan fysieke nabijheid
van de ouders, maar dit is volgens de kinderen niet wederzijds. Gevoelens
van onveiligheid, verlatenheid en verwarring kunnen hierin een rol
spelen. Ook hechtingsproblematiek als gevolg van de voorgeschiedenis
of de moeite die het kost de loyaliteiten naar ouders en pleegouders
te hanteren, spelen mogelijk een rol. Deze geringe betrokkenheid op
het pleeggezin en op de biologische ouders contrasteert met de sterke
gevoelens van trouw en verbondenheid naar de brusjes.
Hoe kunnen deze resultaten verklaard worden?
Ook in andere onderzoeken komt naar voren dat pleegkinderen veel
behoefte hebben aan contact met hun brusjes en dit contact als steunend
ervaren. Gevoelens van bond- en lotgenootschap en wederzijdse bescherming
lijken hieraan ten grondslag te liggen. Brusjes hebben sowieso een
gezamenlijke geschiedenis en de relatie met een brusje is voor veel
mensen de meest langdurige relatie die ze in hun leven hebben.
In dit onderzoek woont 80% van de brusjes niet in hetzelfde pleeggezin.
Mogelijk versterkt de fysieke afstand juist de gevoelsrelatie. Een
verklaring hiervoor is dat een belangrijk kenmerk van brusjesrelaties,
namelijk ambivalentie als gevolg van rivaliteit, wegvalt bij een uithuisplaatsing.
Bij elkaar in huis wonende brusjes moeten zaken delen (variërend
van moeders schoot tot de afstandsbediening) waardoor concurrentiegevoelens
ontstaan.
Verwaarlozing door ouders of andere vormen van verminderde (fysieke
of emotionele) ouderlijke zorg kunnen leiden tot versterkte loyaliteit
tussen brusjes onderling en zorg voor elkaar. In gezinnen die niet
goed functioneren, vervullen brusjes een bufferfunctie voor elkaar.
Zij zoeken steun en bescherming bij elkaar. Omdat onvoldoende evenwicht
gevonden kan worden in de loyaliteitsgevoelens ten opzichte van de
ouders, worden de loyaliteitsbanden met de brusjes gekoesterd. Enkele
auteurs spreken in dit opzicht van overloyaliteit aan de brusjes.
In recent Zweeds onderzoek wordt geconstateerd dat de betrokkenheid
en gerichtheid op brusjes toeneemt naarmate pleegkinderen langer uithuisgeplaatst
zijn.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Hoewel dit vaak niet gemakkelijk te realiseren is, pleit dit resultaat
voor contact tussen brusjes onderling of zelfs voor het samen plaatsen
van brusjes. In verschillende studies naar pleegzorgplaatsingen van
brusjes blijken samen met hun brusjes geplaatste kinderen echter evenveel
kans te hebben op een voortijdig afgebroken plaatsing als alleen geplaatste
kinderen. Een specifieke contra-indicatie voor het samen plaatsen
is ernstige (emotionele en/of gedrags)problematiek bij één
van de brusjes.
Kernpunt is dat binnen een pleeggezinplaatsing bij de contacten met
het ouderlijk milieu niet alleen gedacht dient te worden aan de ouders.
De sterke lotsverbondenheid en de wederzijdse beschermings- en bufferfunctie
noodzaken tot een structureel contact tussen brusjes. Steun van brusjes
blijkt vooral een gunstige bijdrage te leveren aan de opgave zich
los te maken van het onvermogen van de ouders en het eigen leven van
alledag (weer) op te nemen. l
Dr. Petra Bastiaensen is orthopedagoog/gz-psycholoog en momenteel
werkzaam bij Jeugdzorg Brabant
Titel onderzoek: "Belaste pleegouders en verscheurde pleegkinderen?"
Drukkerij Vorsselmans Zundert, 2001, telefonisch te bestellen via
076-5600400.