artikel uit Mobiel 1, februari/maart 2002

Bijbelscheef

column Henk Weltevreden

"Jij komt niet in de hemel", zegt ze zorgelijk.
Ik schrik, want zo'n fataal bericht over het komend vagevuur hoor je niet elke dag. Er is iets. Wat weten we niet, maar er zit haar iets dwars en net nu we dachten dat alles rustig zou worden. Een pleegkind, bijna vier jaar bij ons. Een half jaar geleden hoorde ze dat haar vader dood is, vermoord in Zaïre, ook dat weet ze helaas, al voor haar zesde. We zijn matig in Habakuk en andere bijbelprofeten, maar we hebben haar Afrikaanse pappa toch maar een plekje gegeven in de hemel. Voor haar rust, dan kan ze weer verder groeien, hechten, kind zijn, stabieler worden.
"Jij komt in de hel."
"Waarom?" vraag ik.
"Je zit achter een computer."
Ik pak die logica niet, maar snap dat er iets mis is. Kom daar maar eens achter.
Wat we ook doen, vragen, omzeilen, ze zwijgt als het graf, alsof ze niet mag spreken. Dat geeft ze inderdaad aan, ze mag niet spreken, het is een groot geheim. Dat doet de deur dicht, nu moeten we zeker iets los krijgen.
We bellen school, maar die doen ook niet in God. Die zitten meer in Freud, Jung en Skinner. En Michael Jackson, de kinders dansen veel met de juf in de klas, dat is goed voor hun energie. Onze kleine is wel opvallend lastig op school de laatste tijd. Ze slaat en schopt.
Op een onverwacht moment probeer ik het opnieuw.
"En jij, kom jij wel in de hemel?"
"Ik wel."
"Waarom?"
"Ik zit niet achter een computer."
"Het is een oude, dat mag toch wel?"
"Mag ook niet", zegt ze, "want straks valt De Wachttoren op je hoofd."
Hebbes! De sleutel. Er heerst een Jehova-virus in ons huis en we beseffen ineens dat haar dominante vriendinnetje wel heel erg vaak alleen met haar speelt en onze kleine flink van slag heeft gebracht. Het kind blijkt namelijk zelf al drie jaar met haar moeder in De Wachttoren te bladeren tijdens de leeskring op zondag.
Ik bel haar moeder en zeg dat het goed zou zijn voor haar club om te beseffen wat ze met kinderen doen, en dat ze al sinds 1844 het einde der Wereld preken, er al meer dan zeven keer naast zitten, zelfs na 11 september, en dat het een puik idee zou zijn om eens een computer aan te schaffen om die datum van het Duizendjarig Rijk precies te berekenen. Ontwaakt!
Ik smijt de haak erop. Geen vriendinnetje meer in huis. Voorlopig even niet.
We moeten iets doen. Ik leen uit de bibliotheek een kinderbijbel met plaatjes. Noach, die zetten we in, we zijn wel bijbelscheef, maar die ark van Noach, dat lukt. Tenslotte heeft onze kleine nog een doos vol plastic beesten. Godsvrees kanaliseren we gewoon met een flinke dosis Blijdorpbeesten.
Ze zit op schoot en bladert. Ik wijs ze aan, de zonen van Noach, het echtpaar nijlpaard en leg uit dat God alles onder water liet lopen. Voor straf. Het hoosde. Alles verdronk, de slechte dieren en alle slechte mensen.
"Ook Afrikanen?"
"Tuurlijk", zeg ik.
"Ook die pappa hebben doodgemaakt?"
"Die ook." Ze glimt tevreden en ziet dit plan helemaal zitten.
Met een zucht slaat ze het Godsboek dicht, zakt achterover en peinst.
En dan die glimlach, die denkkracht van een pleegkind, een soort zelfregulering, overleven of hoe je het ook noemt. Ze kijkt me aan.
"God is stom."
"Wat?"
"God is eigenlijk heel stom", zegt ze vol triomf.
"Hoezo?"
"Hij is de vissen vergeten."