"Jij komt niet in de hemel", zegt ze zorgelijk.
Ik schrik, want zo'n fataal bericht over het komend vagevuur hoor
je niet elke dag. Er is iets. Wat weten we niet, maar er zit haar
iets dwars en net nu we dachten dat alles rustig zou worden. Een pleegkind,
bijna vier jaar bij ons. Een half jaar geleden hoorde ze dat haar
vader dood is, vermoord in Zaïre, ook dat weet ze helaas, al
voor haar zesde. We zijn matig in Habakuk en andere bijbelprofeten,
maar we hebben haar Afrikaanse pappa toch maar een plekje gegeven
in de hemel. Voor haar rust, dan kan ze weer verder groeien, hechten,
kind zijn, stabieler worden.
"Jij komt in de hel."
"Waarom?" vraag ik.
"Je zit achter een computer."
Ik pak die logica niet, maar snap dat er iets mis is. Kom daar maar
eens achter.
Wat we ook doen, vragen, omzeilen, ze zwijgt als het graf, alsof ze
niet mag spreken. Dat geeft ze inderdaad aan, ze mag niet spreken,
het is een groot geheim. Dat doet de deur dicht, nu moeten we zeker
iets los krijgen.
We bellen school, maar die doen ook niet in God. Die zitten meer in
Freud, Jung en Skinner. En Michael Jackson, de kinders dansen veel
met de juf in de klas, dat is goed voor hun energie. Onze kleine is
wel opvallend lastig op school de laatste tijd. Ze slaat en schopt.
Op een onverwacht moment probeer ik het opnieuw.
"En jij, kom jij wel in de hemel?"
"Ik wel."
"Waarom?"
"Ik zit niet achter een computer."
"Het is een oude, dat mag toch wel?"
"Mag ook niet", zegt ze, "want straks valt De Wachttoren
op je hoofd."
Hebbes! De sleutel. Er heerst een Jehova-virus in ons huis en we beseffen
ineens dat haar dominante vriendinnetje wel heel erg vaak alleen met
haar speelt en onze kleine flink van slag heeft gebracht. Het kind
blijkt namelijk zelf al drie jaar met haar moeder in De Wachttoren
te bladeren tijdens de leeskring op zondag.
Ik bel haar moeder en zeg dat het goed zou zijn voor haar club om
te beseffen wat ze met kinderen doen, en dat ze al sinds 1844 het
einde der Wereld preken, er al meer dan zeven keer naast zitten, zelfs
na 11 september, en dat het een puik idee zou zijn om eens een computer
aan te schaffen om die datum van het Duizendjarig Rijk precies te
berekenen. Ontwaakt!
Ik smijt de haak erop. Geen vriendinnetje meer in huis. Voorlopig
even niet.
We moeten iets doen. Ik leen uit de bibliotheek een kinderbijbel met
plaatjes. Noach, die zetten we in, we zijn wel bijbelscheef, maar
die ark van Noach, dat lukt. Tenslotte heeft onze kleine nog een doos
vol plastic beesten. Godsvrees kanaliseren we gewoon met een flinke
dosis Blijdorpbeesten.
Ze zit op schoot en bladert. Ik wijs ze aan, de zonen van Noach, het
echtpaar nijlpaard en leg uit dat God alles onder water liet lopen.
Voor straf. Het hoosde. Alles verdronk, de slechte dieren en alle
slechte mensen.
"Ook Afrikanen?"
"Tuurlijk", zeg ik.
"Ook die pappa hebben doodgemaakt?"
"Die ook." Ze glimt tevreden en ziet dit plan helemaal zitten.
Met een zucht slaat ze het Godsboek dicht, zakt achterover en peinst.
En dan die glimlach, die denkkracht van een pleegkind, een soort zelfregulering,
overleven of hoe je het ook noemt. Ze kijkt me aan.
"God is stom."
"Wat?"
"God is eigenlijk heel stom", zegt ze vol triomf.
"Hoezo?"
"Hij is de vissen vergeten."