Zorgmaatschappij?
Wij zijn verbaasd, boos, woedend zelfs. Woedend op de ‘professionals’
die niet hun verantwoordelijkheid nemen.
Een meisje van 11 jaar, ons pleegzusje. Ze heeft ernstige psychische
problemen, wat haar zeer beperkt in haar functioneren. Zo kan ze eigenlijk
niet eens meer naar de basisschool. Wij zijn als pleeggezin niet meer
in staat om te bieden wat ze nodig heeft. Dit kind heeft hulp nodig!
Iedereen, zowel de hulpverleners en wij als pleeggezin, ziet de dringende
noodzaak in van een opname in een psychiatrische instelling. Nergens
in heel Nederland is er echter plaats voor een kind met een problematiek
van deze aard en in deze mate. Instellingen die eventueel geschikt
zijn willen en/of kunnen haar niet opnemen. Weigering van opname vindt
plaats vanwege óf te zware problematiek, óf, en dit
creëert de grootste verontwaardiging, vanwege het feit dat ons
zusje een pleegkind is. Het laatste argument, ´geen opname omdat
ze pleegkind is´, heeft de volgende onderbouwing: Instellingen
geven aan dat er na de behandeling twee mogelijkheden zijn: Het kind
heeft na de eerste behandeling nog een vervolgbehandeling nodig en
daar bestaan zeer lange wachtlijsten voor. De tweede mogelijkheid:
het pleegkind kan teruggeplaatst worden in een pleeggezin en het risico
dat een pleeggezin het pleegkind niet meer wil opnemen, is groter
dan wanneer het een eigen kind betreft. Waarop ze dit ‘risico’
baseren, is ons onbekend! Ze geven het kind dus bij voorbaat al geen
kans om beter te worden!
Hoe zit het met de jeugdzorg in Nederland? Een kind is afhankelijk
van anderen. Wie komt er voor ons pleegzusje en vele andere kinderen
op?
Naam en adres bij redactie bekend
Reactie studiedag ‘Ouders in de pleegzorg, een kwestie van
loslaten?’
Als STAP-begeleidster/pleegouder was ik onlangs deelnemer aan een
studiedag over de plaats van ouders in de pleegzorg. Ik begin met
het positieve dat deze dag opleverde. Het was goed om een pas op de
plaats te maken en weer eens kritisch te kijken naar bepaalde, soms
gewortelde, werkwijzen en benaderingen. Bij de besprekingen ging men
uit van de notitie van de Bleiswijkgroep, een aantal deskundigen uit
de jeugdhulpverlening. Zo was er bijvoorbeeld de suggestie ouders
te betrekken bij de jaarlijkse kindbespreking. Meer investeren in
het betrekken van ouders is de moeite zeker waard, maar door wie en
waar ligt de grens? Als ideaal uitgangspunt is het rapport prima,
maar bij de toepassing in de alledaagse pleegzorgwerkelijkheid plaats
ik vraagtekens. Een zinsnede uit het rapport: "Een reactie van
een kind op contact met zijn ouders – nachtmerries of weer gaan
bedplassen – is logisch en mag er ook zijn. Afhankelijk van de
ernst en het type reactie dient gekeken en met het kind, zijn ouders
en pleegouders besproken te worden of het bezoek hanteerbaar te maken
is voor het kind en hoe het daarin begeleid kan worden." Ik hoorde
een kinderpsychiater/werkgroeplid zeggen: "Nachtmerries op zich
zijn geen reden om het ouder-kindcontact te beperken." Gelukkig
nuanceerde een aanwezige dit door te stellen dat een kaartje of een
telefoontje ook vormen van contact zijn. De meeste pleegouders zien
het belang van oudercontact. De praktijk is echter dat met flink wat
ouders de samenwerking heel moeilijk is, ondanks investeringen. Het
is prima dat er nagedacht wordt over samenwerking, maar het moet reëel
en aanvaardbaar blijven voor de pleegouders.
G. de Lange-Mes