artikel uit Mobiel 1, februari/maart 2002

thema: Van kortdurend naar langdurend

'Juist door de onzekerheid die ik heb meegemaakt...

kan ik goed voor andere kinderen zorgen'

auteur: Ineke Exel

Anna is tot mijn verbazing erg afwerend als ik haar vraag of ze wil worden geïnterviewd. Ik dacht dat ze zich nu redelijk op haar plek voelde in de maatschappij, en het wel leuk zou vinden terug te kijken op haar puberteit in een pleeggezin. Ik had altijd het idee dat ze zich in dat gezin zich prima op haar gemak voelde, ondanks een onduidelijk en onzeker begin en er goed gedijde. Sinds ze op kamers is gaan wonen heb ik haar niet vaak meer gezien, maar ben toch wel op de hoogte gebleven van haar wel en wee door mijn contacten met haar pleegouders.

Eigenlijk wilde je niet met me praten voor een interview, alleen privé. Hoe komt dat?
"Ik wil geen pleegkind meer zijn. Ik heb het altijd heel vervelend gevonden om anders te zijn. Dat was ik natuurlijk al heel vroeg, doordat mijn moeder al tijdens mijn lagere schoolperiode psychisch niet zo sterk was. Alleen: toen was het nog niet zo erg met haar, dus kon ik het huishouden zelf wel een beetje doen. En juist tijdens de puberteit begon het gedonder allemaal. Dat was helemaal niet leuk, ook al waren oom Kees en tante Jantje heel aardig."

Kun je me vertellen hoe je bij hen terecht bent gekomen?
Ze zucht, kijkt naar buiten, staart in de verte. "De jeugdzorg was natuurlijk al wel eens eerder in huis geweest, want mijn moeder is wel eens opgenomen geweest, toen ik op de lagere school zat. Maar eigenlijk begon alles pas echt toen Karel werd geboren. "Karel is haar twaalf jaar jongere halfbroer. "Mijn moeder kreeg ook nog een postnatale depressie en toen ging het steeds slechter met haar. En dus met ons. Toen mijn moeder uiteindelijk werd opgenomen was de boel natuurlijk wel een beetje uit de hand gelopen. De buurvrouw hielp me wel, maar zij heeft er ook voor gezorgd dat de jeugdzorg weer werd ingeschakeld. We hebben eerst een tijdje bij haar gewoond, maar dat ging niet zo goed. Op een keer hadden we zo’n ruzie dat ze me niet meer wilde. Toen ben ik als crisis bij oom Kees en tante Jantje geplaatst. En moest ik met die man van jeugdzorg praten om te kijken wat het beste was. Nou, ik wilde ergens samen met Karel, want ik had al die tijd ook voor hem gezorgd, maar hij ‘moest kijken wat het beste voor onze allebei was’. Dat was heel raar, iemand die ik niet kende, om daar mee te praten en dat die de beslissingen zou nemen. En toen kreeg hij plotseling een andere baan en hij kwam officieel afscheid nemen terwijl we elkaar eigenlijk nog steeds niet kenden."

Toen kwam er een nieuwe hulpverlener?
"Nou, dat duurde beste wel even, geloof ik. Pas nadat ik er vier of vijf maanden woonde was er een nieuw iemand. Ik vond haar wel aardig, maar vond het heel vervelend dat ze me zei dat mijn moeder waarschijnlijk heel lang, of misschien wel altijd, in die kliniek zou moeten blijven, en ze dus niet voor ons kon zorgen. Dat had ik aldoor wel gehoopt, natuurlijk. Ik weet nog dat ik heel kwaad was, want ik had steeds alleen maar met ze gepraat omdat ik dacht dat het toch niet echt was, en dat mijn moeder weer terug zou komen. En toen ben ik ook onderzocht door een psycholoog om te kijken wat goed voor me was. Wanneer? Nou dat was toen ik al meer dan een half jaar bij oom Kees en tante Jantje woonde. En ik was ook kwaad dat er toen uitkwam dat het voor mijn ontwikkeling beter was dat Karel en ik niet in hetzelfde gezin zouden worden geplaatst. Al die tijd hoop je toch dat het zo wordt als in je fantasie…
Ik weet nog dat ik het daarna heel moeilijk heb gehad. Ik had er uiteindelijk zelf voor gekozen om bij oom Kees en tante Jantje te blijven, en zij waren ook altijd wel lief tegen me, ook als ik kwaad was, maar ik had niet echt voor ze gekozen. En al die tijd heb ik natuurlijk wel gehoopt dat alles weer gewoon zou worden."

Een dwarse puber?
"Nou, weet je, het was heel moeilijk om zolang niet te weten waar ik aan toe was. Achteraf denk ik dat ik veel te lang heb kunnen dromen over dingen die toch niet meer mogelijk waren. Dat gedoe met die maatschappelijk werkers heeft ervoor gezorgd, dat het heel lang duurde voor ik me erbij neerlegde dat m’n moeder echt niet meer voor ons kon zorgen. Ik weet nog dat ik het ook na een paar jaar nog raar vond om geen echt thuis meer te hebben. Misschien was alles anders gelopen, makkelijker, als veel sneller duidelijk was geworden dat ik bij oom Kees en tante Jantje zou moeten blijven."

En hoe gaat het nu met je?
Ze lacht: "Ik ben over een tijdje klaar met de opleiding voor verpleegkundige en dan wil ik me specialiseren als kinderverpleegkundige. Ik denk dat ik, juist door de onzekerheid die ik heb meegemaakt best een goed oor en oog heb gekregen voor de behoeften van kinderen, dus kan mijn verleden hen waarschijnlijk helpen. Dan is alles toch nog ergens goed voor geweest. Achteraf denk ik dat het wel goed is geweest voor mijn ontwikkeling dat Karel en ik niet in hetzelfde gezin zijn geplaatst. Ik denk dat ik nu beter en bewuster een beroepskeuze heb kunnen maken. Als we samen waren opgegroeid, dan was ik me steeds verantwoordelijk voor hem blijven voelen. Maar toch is het jammer dat we als gezin niet bij elkaar konden blijven…"

Als ik haar, een paar dagen na ons gesprek, het interview laat lezen en om commentaar vraag, zegt Anna: "Weet je, het was toch wel goed om zo terug te kijken en je alles achter elkaar te vertellen. Want eigenlijk ben ik best wel gegroeid, ook de afgelopen jaren toen ik zelfstandig woonde."