Pleegouders hebben Lisa, 4 jaar oud, drie maanden in huis vanwege
een crisissituatie bij haar ouders. Lisa blijkt niet teruggeplaatst
te kunnen worden naar (een van) haar ouders. Zij gedijt in dit pleeggezin
en de pleegouders willen haar graag houden. In de Voorziening voor
Pleegzorg ontstaat nu het probleem dat als de wens van de pleegouders
gehonoreerd wordt, er een crisisopvanggezin minder beschikbaar is.
Een kind wordt in een pleeggezin geplaatst als de samenleving - de
hulpverlenende instanties - zich zorgen maakt over de opvoeding van
het kind. Een kind heeft opvoeding nodig om uit te kunnen groeien
tot een volwassene die adequaat kan functioneren in de samenleving.
Twijfel ontstaat als de ontwikkeling van een kind stagneert of verstoord
raakt en zijn ouders langdurig niet in staat blijken zijn ontwikkeling
weer in goede banen te leiden. Welke condities moeten geschapen worden
wil opvoeding mogelijk worden? Hiervoor is het nodig aan te geven
wat ‘ontwikkeling van het kind’ inhoudt en onder welke voorwaarden
een dergelijke ontwikkeling kan ontstaan.
De ontwikkeling van het kind
Het kind moet een aantal ontwikkelingstaken leren vervullen. Deze
zijn per ontwikkelings-fase te specificeren (1):
• Zijn vermogen tot hechting
• Zelfstandigheid in agressieregulatie, drift- en impulscontrole
• Sociale vaardigheden, zoals inleven in en rekening houden met
(gevoelens van) anderen, gewetensvorming
• Probleemoplossend vermogen
• Zijn capaciteiten en vaardigheden, zoals taal, motoriek, kennis
• Verantwoordelijkheid dragen voor zichzelf en anderen
• Persoonlijke en werk-relaties aangaan en onderhouden.
Het kind kan deze taken leren in interactie met een volwassene die
hem daartoe uitnodigt, stimuleert, steunt en begeleidt, dus: opvoedt.
Opvoeding
Op basis van langdurig internationaal onderzoek naar de omstandigheden
waaronder kinderen zich goed danwel verstoord ontwikkelen, kan het
volgende gezegd worden (2):
Er bestaat een hierarchie in ontwikkelingstaken. Een van de meest
fundamentele taken blijkt te zijn: het ontwikkelen van een hechtingsrelatie
met een volwassene. De hechtingsrelatie is dus persoongebonden en
duurzaam van aard.
Als het kind een dergelijke relatie met zijn belangrijkste verzorger
ontwikkelt, gaan twee belangrijke pijlers van de persoonlijkheidsontwikkeling
ontstaan, namelijk het vertrouwen in de ander en het vertrouwen in
zichzelf. Het is dus van belang in te gaan op de aard van de hechtingsrelatie.
De noodzaak tot hechten is biologisch gefundeerd: het zeer jonge
kind kan zonder de zorg van een volwassene niet overleven. Het kind
ontwikkelt (hechtings-)gedrag om zijn verzorger in zijn nabijheid
te houden. Als zijn verzorger bij voortduring ingaat op de behoeften
van het kind, dan krijgt het kind niet alleen vertrouwen in deze verzorger,
maar ook in zichzelf. Hij voelt zich ‘de moeite waard’ en
hij krijgt vertrouwen in zijn acties. Want hij krijgt het ‘antwoord’
dat hij verwacht. Het kind gaat zich dan ook richten naar deze persoon.
De relatie tussen een kind en een volwassene die het kind liefde en
leiding geeft, is een hechtings- en opvoedingsrelatie (3).
Het heel jonge kind is nog zeer afhankelijk van de volwassene. Daardoor
is hij ook zo beïnvloedbaar. Als de basisfuncties van het kind
zich hebben ontwikkeld - ongeveer met het zesde jaar - wordt het kind
minder afhankelijk van zijn hechtingspersoon en heeft zijn hechtingscapaciteit
zich ontwikkeld.
Pleegzorg
Voor een kind is het van cruciaal belang dat hij tenminste een hechtings-
en opvoedingsrelatie met een volwassene aan kan gaan en zich verder
kan ontwikkelen. De voorwaarde hiertoe is de duurzame emotionele en
praktische beschikbaarheid van de belangrijkste verzorger voor het
kind, zodat het kind vertrouwen in de ander en in zichzelf kan ontwikkelen.
Afbreking van de relatie tussen het heel jonge kind en zijn belangrijkste
verzorger is voor het kind een verlies waardoor de wereld beangstigend
wordt en zijn gevoel van eigenwaarde wordt aangetast. Als de hechtingscapaciteit
zich nog niet voldoende heeft ontwikkeld, dan kan het afbreken van
een beginnende hechtings- en opvoedingsrelatie tussen het kind en
zijn opvangouders een groot risico vormen voor de ontwikkeling van
de capaciteit tot hechten. Hij kan alle vertrouwen in volwassenen
verliezen. Het is niet te voorspellen na hoeveel wisselingen dit zal
zijn. Zo kan bij een kind dat uiteindelijk in een ‘langdurig’
pleeggezin wordt geplaatst en een begin van hechting laat zien, de
hechtings- en opvoedingsrelatie tussen hem en zijn pleegouders onherstelbare
schade oplopen als de pleegouders met de eigen kinderen op vakantie
gaan en het pleegkind in die periode laten plaatsen in een vakantie-pleeggezin
of een internaat.
Voor de overweging ‘van korte naar langdurige pleegzorg’
kan de volgende beleidslijn aangehouden worden: Een kind dat uithuis
geplaatst is, heeft weinig gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen.
Ook heeft hij ervaren dat volwassenen niet echt te vertrouwen zijn.
Als een begin van hechting, van vertrouwen is ontstaan bij crisisopvang-pleegouders,
dan is het een zegen voor het kind als hij bij deze pleegouders kan
blijven. Het risico van verdere stagnatie of verstoring van de ontwikkeling
wordt op deze wijze verminderd en het kind krijgt een kans zich geliefd
en geleid te voelen.
Wil men het kind een dergelijke kans geven, dan is het nodig dat
in een contract de verandering van korte naar langdurige pleegzorg,
van een zorgprogramma naar een opvoedings-arrangement (Trillium 2000)
duidelijk en eenduidig voor alle betrokkenen wordt vastgelegd. Met
name geldt dit voor de ouders van het kind, omdat zij, ook bij het
opvoedingsarrangement de ouders van het kind blijven.
1 Kohnstamm, 1993/1992/1997; Boom, 1999; Slot en
Spanjaard, 1999
2 Ainsworth, e.a, 1978; Bowlby, 1966/1988; Freud, 1980; Hermanns,
1992; Riksen-Walraven, 1994; Rutter & Smith, 1995; Singer, 1998;
van IJzendoorn, 1994
3 Weterings, 1977/1998