De landelijke overheid wil de kwaliteit van de pleegzorg versterken
en heeft in 1998 hiervoor een driejarig project opgezet, genaamd Trillium.
In de loop van de afgelopen drie jaar hebt u hierover vast wel het
een en ander gelezen, ook in Mobiel. Afgelopen december was de slotconferentie
van Trillium, waar de resultaten van het driejarige project werden
gepresenteerd.
Bijna 400 deelnemers kwamen af op de slotconferentie, allemaal benieuwd
naar de behaalde of nog te verwezenlijken verbeteringen en vernieuwingen
in de pleegzorg. Onder hen ook drie redactieleden van Mobiel. Zij
vroegen Leo Bisschops, voorzitter van de Landelijke Pleegzorg, wat
hij vindt van de resultaten van Trillium. Zijn heldere antwoorden
geven zicht op de behaalde resultaten, maar hij spreekt tevens zijn
bezorgdheid uit over de voortgang van de vernieuwingen.
Ook vindt u informatie over het belangrijkste resultaat van het Trilliumproject:
de projecten ‘Terug naar huis’. Deze projecten geven vorm
aan de nieuwe pleegzorgvisie, die inhoudt dat er twee soorten pleegzorg
zijn, die afhankelijk zijn van de mogelijkheden van de ouders van
het pleegkind. Hebben ouders nog mogelijkheden, dan moet alles op
alles gezet worden om op korte termijn terugkeer naar huis mogelijk
te maken (de hulpverleningsvariant). Is dat niet het geval, dan moeten
zowel pleegkinderen en pleegouders als ouders de duidelijkheid krijgen
dat het kind langere tijd in het pleeggezin blijft, met een duidelijke
rol voor de ouders (de opvoedingsvariant). Er zijn veel nieuwe ideeën
geopperd en (soms) in praktijk gebracht. Maar zoals in het boekje
‘Anders denken, anders doen’ ook al wordt opgemerkt, is
het voor oogsten nog te vroeg. Nu nog de vaart erin houden…
Vragen aan Leo Bisschops
Wat merken pleegouders van de resultaten van Trillium in de praktijk?
Het belangrijkste doel bij de start van Trillium was om de beweging
van vernieuwing die er al was in de pleegzorg beter te stroomlijnen
en nieuwe impulsen te geven. Ik constateer dat veel bereikt is: er
is een gemeenschappelijk gedragen visie op pleegzorg, de methodiekontwikkeling
heeft een versnelling laten zien. En er is sprake van een blijvende
verhoging van de pleegzorgvergoeding die bovendien eindelijk geïndexeerd
is. De pleegzorg deelt mee in nieuwe regelingen voor mensen die arbeid-
en zorgtaken combineren. Er wordt gesnoeid in onzinnige regels. Er
zijn belastingvoordelen voor pleegouders en pleegouders kunnen de
pleegvergoeding houden bij voogdijoverdracht. Ook zal het nog lopende
verbetertraject ‘Com-municatie met Pleegouders’ veel oud
zeer wegnemen. Als tenminste iedereen bereid is in de voorgehouden
spiegel te kijken.
Zijn we er dan?
Nee, veel belangrijke zaken zijn nog niet afgerond. Met name het verder
uitwerken van de hulpverleningsvariant en de opvoedingsvariant moet
nog plaatsvinden. Een versteviging van de positie van pleegouders
(ook in formele zin) is daarvan afhankelijk. De onbalans die er is
tussen een maximale pedagogische verantwoordelijkheid tegenover minimale
rechten zal verdwijnen. De overheid heeft daar op dit moment het initiatief
maar het is me te stil!
De voorzitter van de NVP zei op de slotconferentie: "Pleegzorg
vindt plaats in de gezinnen en niet in de bureaus van de organisaties.
Dus: versterk de gezinnen!" Wat vindt u daarvan?
Natuurlijk zijn de voorzieningen voor pleegzorg geen doel op zich
en ontlenen ze hun bestaansrecht aan de meerwaarde die ze hebben voor
de (pleeg-)ouders en de kinderen.
Persoonlijk ben ik van mening dat een verdere versterking van de pleegzorg
in Nederland plaats vindt door de introductie van betaald pleeg-ouderschap.
Velen zijn het daarmee nog niet met mij eens maar ik denk dat het
op den duur onontkoombaar is. In feite vindt het al geruisloos plaats
in de varianten van gezinshuizen, geschakeld aan grotere multifunctionele
organisaties.
Prof.dr. Jo Hermanns pleitte tijdens de slotbijeenkomst voor een
rigoreuze verschuiving van internaatsplaatsingen naar pleegzorg. Een
streven van 90% pleegzorg en 10% internaat. Is dat nu al een reëele
optie?
We zien nu al dat er steeds meer combinaties van zorg worden aangeboden.
Dat kan variëren van overwegend opvang in een internaat, gecombineerd
met weekendopvang in een pleeggezin, of een verblijf in een pleeggezin
met soms een tijdelijk verblijf in een internaat. Ik hoop dat deze
ontwikkeling zich verder voortzet. De uitspraak van Jo Hermanns heeft
voor mij meer een strategisch karakter. Op dit moment verblijven nog
teveel kinderen in een internaatsopvang, waar pleegzorg een prima
aanbod zou kunnen zijn. Nederland loopt wat dat betreft internationaal
niet voorop. Hoe komt het toch dat in Nieuw-Zeeland en sommige delen
van Engeland wel het percentage gehaald wordt dat Hermanns noemt?
Voor uitbreiding van de pleegzorg zijn veel nieuwe pleegouders
nodig. Welke ontwikkelingen maken de pleegzorg in de toekomst aantrekkelijker?
Dat zal nog een hele klus zijn. Ik denk dan aan de groeiende deelname
van vrouwen in het arbeidsproces. Daarnaast zal de professionele kinderopvang
en met name de gastouderopvang een flinke concurrent worden. Als we
in deze ontwikkelingen pleegouders willen blijven vinden, zijn we
verplicht om naast een afdoende pleegzorgvergoeding ook pleegouders
volledig mee te laten delen in de faciliteiten die alle werkende ouders
in Nederland ontvangen. Ik hoop dat de goede voorstellen van de Nederlandse
Gezinsraad op dat terrein niet in een lade verdwijnen.
Waar waren de ouders en de pleegkinderen tijdens de slotbijeenkomst?
De ouders waren vertegenwoordigd door iemand van het platform zorgvragers
uit Limburg, helaas onvoldoende. Tijdens het hele Trillium-proces
hebben we via gesprekken en onderzoek veel moeite gedaan hun mening
te leren kennen. Maar het blijft een kwetsbare groep als het gaat
om het in het openbaar optreden. Gelukkig zie ik daar geleidelijk
wat verandering in komen.
Wat de deelname van de pleegkinderen betreft: hiervoor hadden we een
bureau gevraagd om samen met de jongeren een programma voor te bereiden.
Helaas heeft dat niet tot concrete plannen geleid.
Wie gaat er (na Trillium) voor zorgen dat de druk op de ketel
blijft?
Dat is inderdaad een belangrijk aandachtspunt. Er is veel enthousiasme
en betrokkenheid in de huidige pleegzorg. Het zelfbewustzijn in de
pleegzorg is sterk gegroeid. Er is een breed draagvlak voor de nieuwe
ontwikkelingen. Ook de concept-wet op de jeugdzorg biedt nieuwe kansen.
Tegelijk liggen daar ook risico’s. Want de invoering van de nieuwe
wet zal van de hele jeugdsector veel energie vragen. Veel aandacht
zal uitgaan naar de inrichting van het nieuwe stelsel, met name ook
naar de nieuwe taken van het bureau jeugdzorg. Ik hoop dat in het
landelijke vernieuwingstraject de pleegzorg een heldere plaats krijgt.
De Nederlandse Vereniging voor Pleeg-gezinnen (NVP) en de Stichting
Pleegzorg Nederland (SPN) zullen de vinger goed aan de pols moeten
houden, anders gaat de vaart eruit! l