artikel uit Mobiel 6, december 2001/januari 2002

Portret van een groot pleeggezin

Door: Gabriëlle Langhout

Marijke (47) en Jac (59) hebben vier dochters. Daarnaast zorgen zij voor drie pleegkinderen, van wie er twee meervoudig gehandicapt zijn.

Wat is de samenstelling van uw gezin en wat zijn de activiteiten van de gezinsleden?

Marijke: "Van onze vier dochters studeren er twee elders (Femke (21) en Sandra (20)), die komen in de weekenden en tussendoor thuis. De twee anderen wonen nog thuis. Lonneke is 16 en zit in het laatste jaar van de HAVO. Ze gaat straks verder naar het VWO. Linsey is 12 en zit op het VSO."
Jac: "Onze oudste pleegdochter is nu 13 jaar: Karima. Ze is net als onze pleegzoon Hassan van 7 meervoudig gehandicapt. Zij volgen speciaal onderwijs. Karima woont al 8,5 jaar bij ons en Hassan nu ruim vier jaar. Paul (ook 7 jaar) is nu anderhalf jaar in ons gezin. Hij gaat naar een MLK-school. Marijke is fulltime thuis en ik ben directeur van een adviesbureau hier in de buurt."

Hoe kwamen jullie ertoe om een groot pleeggezin te worden?

Marijke: "Toen onze jongste naar de basisschool ging, stond er een stuk in de krant over het tekort aan pleeggezinnen. We hebben een informatieavond bezocht en van het een kwam het ander."
Jac: "Er zit natuurlijk ook een stuk idealisme bij. Het duurde lang voor wij kinderen kregen en we ervaarden het als onrechtvaardig dat sommige kinderen geen kansen kregen. Dat is eigenlijk het begin geweest. We zijn nu in de gelegenheid om wat te betekenen voor andere kinderen."

Waar heb je steun bij nodig, waar ben je onzeker over?

Jac: De bureaucratie, in één woord! Het hele verhaal eromheen, zeker met meervoudig gehandicapte kinderen kost ontzettend veel tijd. Het kost wel een dagdeel in de week om achter dingen aan te bellen: een busje, een rolstoel, een tillift. Het is prachtig om kinderen op deze manier te verzorgen, het alternatief is vaak een tehuis, maar het is niet altijd makkelijk. Er is onbegrip van instanties; pleegzorgwerkers hebben lang niet altijd de tijd om zaken te regelen."
Marijke: "Eigenlijk zouden de stichtingen een 'regelaar' in dienst moeten hebben om voor deze belangen op te komen!"

Hoe reageren je omgeving en je familie op het pleegouderschap?

Marijke: "Ze zijn er inmiddels aan gewend. In het begin dachten ze dat het vooral voor mij te zwaar zou zijn."
Jac: "Ze dachten dat we gek waren geworden. En eigenlijk zijn we ook een beetje gek."

Hoe ziet de begeleiding van je gezin eruit en voldoet dat aan de behoefte?

Jac: "Voor Karima, die valt onder de William Schrikker Stichting, is er eens in de twee maanden contact met de pleegzorgwerker. De jongens zijn geplaatst via de Stichting Opbouw, speciaal voor asielzoekers. Daar is nog geen sprake van ontvlechting en de voogd/pleeggezinbegeleider komt iedere maand. Dat is een aparte situatie. Zij hebben bijvoorbeeld veel minder van doen met ouderbezoeken en daar moeten we dus zelf heel goed aangeven wat wij denken wat het beste voor het kind is."

Hoe ziet het contact met de ouders en de familieleden eruit?

Marijke: "Karima ziet haar ouders éénmaal per maand. De ene keer bij ons, de ander keer bij haar ouders. Dat loopt inmiddels beter dan het ooit gedaan heeft."
Jac: " Wij vinden het belangrijk dat de ouders in beeld blijven voor onze pleegkinderen. Voor kinderen van asielzoekers is dat wat lastiger. Wij bezoeken Hassans moeder zelf een keer per jaar. Dan reizen we samen naar het land waar zij woont. Dat contact is heel goed. Paul ziet zijn vader een maal per zes weken op neutraal terrein."

Welke praktische problemen kom je tegen door de plaatsing van de kinderen?

Marijke: "Mijn bus is kapot en nu kunnen we eigenlijk nergens meer naartoe, zonder dat dit een hoop gedoe geeft. En niemand kan me helpen. Ik ben al blij als ik op tijd bij de dokter en de therapie kan zijn."
Jac: "Het gaat om hele basale dingen. Een bus, een spraakcomputer, een lift: het kost allemaal vreselijk veel tijd om dat te regelen."
Marijke: "Die bus haalt juist meervoudig gehandicapte kinderen uit hun isolement. Juist zij hebben behoefte om ‘een schaap’ niet alleen te zien op een plaatje, maar er zelf een te aaien op de kinderboerderij. En dat kan dus niet."

Hoe gaan jullie dochters om met de pleegkinderen. Draagt het bij aan hun ontwikkeling of maakt dit het moeilijker?

Lonneke, die toevallig net op deze vraag de kamer binnenkomt, begint te lachen: "Wij zijn heel erg sociaal geworden. We hebben geen drempels meer richting gehandicapten. Maar we moeten wel altijd aandacht delen. Bovendien hebben we bij iedere plaatsing veel inspraak gehad. Pleegzorg hoort er voor ons gewoon bij."
Jac: "Het hoort er inderdaad bij. Je merkt dat in hun beroepskeuzes en het sociale gedrag. Ze passen op en helpen op alle terreinen. Het draagt zeker bij aan hun ontwikkeling."

Zijn er momenten waarop jullie denken 'hier had ik nooit aan moeten beginnen'?

Marijke: "Nee!"
Jac: "Heel soms zakt de moed me in schoenen. Dan loop ik weer tegen die muur van bureaucratie op. Het had allemaal wat gemakkelijker moeten zijn. Maar ik heb absoluut geen spijt!"

Beschrijf een ervaring die illustreert 'daar doe ik het voor'.

Marijke: "De eerste keer dat Hassan, die afhankelijk was van sondevoeding toen hij bij ons kwam, zijn mond open deed voor een wokkeltje. Inmiddels krijgt hij nog maar een klein deel van zijn voeding via de sonde binnen. De rest kan hij zelf eten."
Lonneke: "Het gezicht van een lopende Karima met haar looprek."
Jac: "Paul die heel spontaan zegt dat hij het fijn vindt bij ons."