Het meest kenmerkende van deze tijd is wel het feit dat -op die
uitzonderingen na waarbij de veiligheid van een kind acuut in gevaar
is- men niet meer tot uithuisplaatsing zal overgaan of alle vormen
van opvoedingsondersteuning en thuishulp hebben gefaald. En dan nog
zal men doorgaans eerder kiezen voor pleegzorg dan voor elke andere
vorm van uithuisplaatsing om het ‘herstel van het gewone leven’
voor het kind en zijn gezin te optimaliseren. In vergelijking met
vroeger is dat een heel verschil.
Pleegzorg is inmiddels een onderdeel geworden van een heel zorgarrangement.
Dit stelt eisen aan de kwaliteiten van pleegouders. Zonder een gedegen
training vooraf en zonder constante begeleiding of scholing tijdens
het verblijf van een kind in hun gezin, is het moeilijk vorm te geven
aan die nieuwe taakopvatting: een kind opvangen, tegelijkertijd het
gezin van dat kind een plek geven, zowel feitelijk door vormen van
contact als gevoelsmatig door de beleving van het kind te respecteren,
en de problematiek van het kind het hoofd bieden ook als die in de
loop van de pleeggezinplaatsing toeneemt.
Niet alleen ter ondersteuning van hun zorgtaak, maar ook ter versterking
van hun opvoedingskwaliteiten onder alle omstandigheden is begeleiding
en ondersteuning nodig. In deze bijdrage besteden we aandacht aan
de opvoedingsondersteuning van pleegouders tijdens de plaatsing.
Een heldere indicatie, een uitgewerkt hulpverleningsplan en een nauwkeurige
matching leggen de basis voor een begeleidingsplan ten behoeve van
het pleegkind, dat door pleegouders handen en voeten moet worden gegeven.
Hun zorg- en opvoedingskwaliteiten staan daar garant voor, mits deze
te allen tijde door ondersteuning en deskundigheidsbevordering worden
gevoed.
Wat wordt verwacht van pleegouders?
Pleeggezinnen moeten allereerst veiligheid en bescherming aan pleegkinderen
kunnen bieden en ze moeten ook kunnen voorzien in alle basisbehoeften
van een kind. Hierin onderscheiden ze zich echter niet van elk ander
willekeurig gezin. Het feit dat pleegouders mede uitvoering geven
aan een hulpverleningsplan, zijnde de concretisering van een psycho-sociale
indicatie, maakt dat hun aanbod aan het kind een antwoord moet geven
op de hulpvraag. Hierin onderscheidt opvoeding binnen een pleeggezin
zich wel van reguliere opvoeding. Dit vraagt van pleegouders inzicht
in problematiek van kinderen en in de wijze waarop problematiek kan
worden omgebogen in nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden.
Reguliere opvoeding verloopt spontaan, is strikt genomen niet concreet
doelgericht en wordt niet methodisch uitgevoerd. Deze karakteristieken
zijn in pleegzorg even onmisbaar: ze bieden de veiligheid, warmte,
sfeer aan een kind om het ‘gewone’ van gezinsleven te laten
aanvoelen. Bovenop deze karakteristieken zijn bewust handelen, een
doelgerichte aanpak en soms methodisch werken even noodzakelijk. In
die zin is binnen pleegzorg sprake van ‘specifiek opvoeden’.
Pleegouders moeten daarom zowel kunnen vragen om zeer specifieke begeleiding
als bereid zijn opvoedingsondersteuning te krijgen wanneer dit noodzakelijk
wordt geacht door de begeleider, zonder dat daarmee de vraag naar
het ‘falen’ moet worden gesteld.
Aanbod ten behoeve van pleegouders
Al te lang heeft men in het verleden de pleegouders tekort gedaan
door hen niet als participanten in het hulpverleningsproces te zien,
maar als cliënten. We doen pleegouders tekort wanneer we bij
het aanbieden van ondersteuning, in welke vorm dan ook, daarmee impliciet
of expliciet suggereren dat er wat schort aan hun vaardigheden of
capaciteiten.
Er is een zeer ruim aanbod aan ondersteuning op dit moment voorradig.
We maken daarbij een onderscheid tussen educatie, begeleiding, opvoedingsondersteuning
en behandeling.
Onder ‘educatie’ verstaan we zowel vormingsactiviteiten,
die zich richten op de basiskwaliteiten of -eisen van pleegouderschap
(bijvoorbeeld een STAP-cursus) als ‘trainingen’, die voortbouwen
op een basiskennis, vaardigheid of attitude (bijvoorbeeld een cursus
‘hechting’).
‘Begeleiding’ verwijst doorgaans naar de activiteiten van
pleeggezinbegeleiders of maatschappelijk werkenden in relatie tot
een pleeggezin. Het omvat dan het geheel aan bezoeken, inspanningen
en contacten aan en in functie van de pleegzorgsituatie. De normale,
dagelijkse gang van zaken betreffende het pleegkind en zijn gezin,
staan hierin centraal.
Het begrip ‘opvoedingsondersteuning’ is een verzamelnaam
voor zowel preventieve als hulpverleningsactiviteiten. Het accent
ligt op beïnvloeding van opvoedingsgedrag, opvoedingsvaardigheden,
denkbeelden, of al dan niet algemene problemen; men gaat ervan uit
dat deze verbeterd kunnen worden.
Het onderscheid tussen opvoedingsondersteuning en behandeling, c.q.
intensieve behandeling, ligt in het respectievelijk preventieve en
herstellende aspect. Ook pleegouders kunnen voor behandeling in aanmerking
komen, maar dan heeft zich een problematische opvoedingssituatie voorgedaan,
die de voortgang van de plaatsing op grond van problemen bij het pleegkind
of in het pleeggezin in gevaar brengt.
Samengevat is het onderscheid tussen begeleiding, educatie, opvoedingsondersteuning
en behandeling essentieel. Er is een gradueel verschil tussen elke
vorm van gezinsbemoeienis, lopend vanaf wederzijdse informatie tot
en met interventie. Elk van deze vier soorten kan zowel individueel
als in groep plaatsvinden en kan -afhankelijk van het doel- gericht
zijn op het kind, op het pleeggezin als opvoedingssysteem of op het
pleeggezin als intermediair tussen pleegkind en zijn primair milieu
(Coact Consult, 2000).
Voor een goed gedocumenteerd overzicht van wat in pleegzorgland wordt
aangeboden, verwijzen we naar Gijzen (1997) en Loeffen (1999).
Belang van een pedagogisch aanbod aan pleegouders
Zeker, maar niet uitsluitend, in geval van ‘pleegzorg als opvoedingsarrangement’
(langdurende plaatsingen) zijn educatie en ondersteuning belangrijk.
Het kind zal zich binnen het pleeggezin ontwikkelen en dit vergt continue
inzet van de pleegouders. Het aantal pleegkinderen met emotionele
en gedragsproblemen uit ernstig verstoorde gezinnen zal zeker toenemen.
Het in contact kunnen blijven met deze kinderen in het pleeggezin
is een moeilijke opgave, getuige de aanzienlijke hoeveelheid voortijdig
afgebroken plaatsingen als gevolg van deze of nieuw ontstane problematiek
tijdens de plaatsing. Pedagogische deskundigheid en bijscholing van
zowel begeleiders als pleegouders is daarom een noodzaak. Streven
we stabiliteit en continuïteit na voor een pleegkind, dan is
het belangrijk om het kind in zijn veranderingen en in de uitingswijze
van zijn problematiek te kunnen blijven steunen.
Elk begeleidingsmoment van pleegouders of van het hele pleeggezin
speelt daarin al een essentiële rol. Hier wordt pleegzorg op
maat gemaakt. Hier ontstaat de ruimte om te praten over zaken als
hechting, oudercontact, teamafspraken, of lange termijn-doelen.
Een ander onmisbaar element zijn de ‘informele’ bijeenkomsten
van pleegouders onderling. Thema-avonden, ontspannende activiteiten
en discussie-avonden versterken het gevoel van voorbereid zijn op
de dagelijkse beslommeringen en hoogtepunten in het gezin. Deze ‘zelfhulp’-initiatieven
en ‘mantelzorgactiviteiten’ zijn essentieel in het gehele
traject van vorming en scholing.
Zoals eerder betoogd, is ook opvoedingsondersteuning een optie waarvoor
een pleeggezin in aanmerking kan komen. Er is dan echter sprake van
preventief handelen. Een opvoedingsnood is gesignaleerd, ingegeven
door hetzij vragen rond het kind, de beleving van het eigen handelen
of dat van het kind, of door de interactie met het gezin van het kind.
Pleegouders kunnen in een situatie terecht komen dat educatie onvoldoende
is en ondersteuning noodzakelijk wordt. Het leidt te ver om hier alle
initiatieven en projecten te noemen. We volstaan met bijvoorbeeld
de Gordon-cursus en de cursus ‘Praten met kinderen’ (Van
As, en Janssens, 1995; 1997). Maar ook elementen uit behandelingstechnieken
kunnen pleegouders aangeleerd worden om problematische opvoedingssituaties
rondom het pleegkind het hoofd te bieden. Pleegouders zijn dan de
‘mediatoren’ die op instructie van de begeleider bijvoorbeeld
gedrag trainen, sociale vaardigheden aanleren of agressie leren beteugelen.
Nog een stap verder betreft het (intensieve) behandeling van pleegouders,
alhoewel slechts in een beperkt aantal gevallen voorkomend. Ook pleegouders/pleeggezinnen
kunnen ‘hulp’ in strikte zin nodig hebben. Het betreft dan
bijvoorbeeld situaties waarin een plaatsing dreigt af te breken of
gezinsleden in een persoonlijke, emotionele of interactieproblematiek
dreigen te komen. Videohome-training, Intensieve gezinshulp, de zogenaamde
‘home-projecten’, zoals ‘Families First’, zijn
illustraties van interventies die dan in aanmerking komen. Maar de
volledigheid gebiedt om hier in feite alle ambulante interventievormen
te noemen, die er op het terrein van de hulpverlening bestaan.
Slotbeschouwing
We zijn van mening dat ontwikkeling van educatietrajecten, het beschikbaar
stellen van opvoedingsondersteunende activiteiten en desgevallend
van behandeling een enorme ruggesteun aan pleegouders kunnen geven.
Het nijpende tekort aan pleeggezinnen kan mogelijk bestreden worden
door de deskundigheid te vergroten.
Het soms nog ‘softe’ imago van pleegzorg kan plaats maken
voor een meer ‘professioneel’ imago. Het ‘beroeps’-beeld
van pleegouders draagt bij tot ‘erkenning’. Er kan een wervend
karakter van uit gaan. Wil dit echter zeggen dat we naar beroepspleegzorg
toe moeten? De unieke combinatie van opvoeden en specifiek opvoeden
binnen het pleeggezin staat in feite beroepspleegzorg in de weg. Alleen
in geval van intensieve pleegzorg ten behoeve van kinderen met ernstige
problemen, zoals ze in gezinshuizen, therapeutische gezinsverpleging
of gezinsprojecten worden opgevangen, doet de behoefte aan professioneel
handelen groeien. Wanneer dit zijn intrede doet in de reguliere pleegzorg
vervagen wellicht de grenzen met deze varianten van intensieve pleegzorg
en wordt de continuïteit van de plaatsing bevorderd.
Ook het aanbieden van zorgondersteuning (bijv. hulp in de huishouding,
studie- en werkfaciliteiten), een onderwerp dat in dit kader niet
werd behandeld, biedt pleegouders ruimte om zich met meer deskundigheid
op de specifieke opvoeding te richten.
(Een meer uitgewerkte versie van deze bijdrage zal binnenkort als
hoofdstuk in een boek verschijnen)
Dr. Luk M.H. Robbroeckx, redactielid
Katholieke Universiteit Nijmegen
Sectie Orthopedagogiek;
Gezin en Gedrag
Adres: Postbus 9104, 6500 HD Nijmegen.
E-mail:
Literatuurverwijzingen
- As, N.M.C. Van, & Janssens, J.M.A.M. (1995). Praten met kinderen.
Een boek voor ouders en andere opvoeders. Leuven: Garant.
- As, N.M.C. Van, & Janssens, J.M.A.M. (1997). Praten met kinderen.
Handboek voor de begeleider. Leuven: Garant.
- Coact Consult, (2000). Pleegzorg in een veranderende jeugdzorg.
Utrecht: VOG.
- Gijzen, J. (1997). Wijzer in pleegzorg. Inventarisatie deskundigheidsbevordering.
Amsterdam: Stichting Op Kleine Schaal.
- Loeffen, M. (1999). Pleegzorg. Inventarisatie visies Voorzieningen
voor Pleegzorg. Utrecht: VOG.