artikel uit Mobiel 6, december 2001/januari 2002

Naar een ruimer pedagogisch ondersteuningsaanbod voor pleegouders

Door: Luk Robbroeckx

Het meest kenmerkende van deze tijd is wel het feit dat -op die uitzonderingen na waarbij de veiligheid van een kind acuut in gevaar is- men niet meer tot uithuisplaatsing zal overgaan of alle vormen van opvoedingsondersteuning en thuishulp hebben gefaald. En dan nog zal men doorgaans eerder kiezen voor pleegzorg dan voor elke andere vorm van uithuisplaatsing om het ‘herstel van het gewone leven’ voor het kind en zijn gezin te optimaliseren. In vergelijking met vroeger is dat een heel verschil.

Pleegzorg is inmiddels een onderdeel geworden van een heel zorgarrangement. Dit stelt eisen aan de kwaliteiten van pleegouders. Zonder een gedegen training vooraf en zonder constante begeleiding of scholing tijdens het verblijf van een kind in hun gezin, is het moeilijk vorm te geven aan die nieuwe taakopvatting: een kind opvangen, tegelijkertijd het gezin van dat kind een plek geven, zowel feitelijk door vormen van contact als gevoelsmatig door de beleving van het kind te respecteren, en de problematiek van het kind het hoofd bieden ook als die in de loop van de pleeggezinplaatsing toeneemt.
Niet alleen ter ondersteuning van hun zorgtaak, maar ook ter versterking van hun opvoedingskwaliteiten onder alle omstandigheden is begeleiding en ondersteuning nodig. In deze bijdrage besteden we aandacht aan de opvoedingsondersteuning van pleegouders tijdens de plaatsing.
Een heldere indicatie, een uitgewerkt hulpverleningsplan en een nauwkeurige matching leggen de basis voor een begeleidingsplan ten behoeve van het pleegkind, dat door pleegouders handen en voeten moet worden gegeven. Hun zorg- en opvoedingskwaliteiten staan daar garant voor, mits deze te allen tijde door ondersteuning en deskundigheidsbevordering worden gevoed.

Wat wordt verwacht van pleegouders?

Pleeggezinnen moeten allereerst veiligheid en bescherming aan pleegkinderen kunnen bieden en ze moeten ook kunnen voorzien in alle basisbehoeften van een kind. Hierin onderscheiden ze zich echter niet van elk ander willekeurig gezin. Het feit dat pleegouders mede uitvoering geven aan een hulpverleningsplan, zijnde de concretisering van een psycho-sociale indicatie, maakt dat hun aanbod aan het kind een antwoord moet geven op de hulpvraag. Hierin onderscheidt opvoeding binnen een pleeggezin zich wel van reguliere opvoeding. Dit vraagt van pleegouders inzicht in problematiek van kinderen en in de wijze waarop problematiek kan worden omgebogen in nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden.
Reguliere opvoeding verloopt spontaan, is strikt genomen niet concreet doelgericht en wordt niet methodisch uitgevoerd. Deze karakteristieken zijn in pleegzorg even onmisbaar: ze bieden de veiligheid, warmte, sfeer aan een kind om het ‘gewone’ van gezinsleven te laten aanvoelen. Bovenop deze karakteristieken zijn bewust handelen, een doelgerichte aanpak en soms methodisch werken even noodzakelijk. In die zin is binnen pleegzorg sprake van ‘specifiek opvoeden’. Pleegouders moeten daarom zowel kunnen vragen om zeer specifieke begeleiding als bereid zijn opvoedingsondersteuning te krijgen wanneer dit noodzakelijk wordt geacht door de begeleider, zonder dat daarmee de vraag naar het ‘falen’ moet worden gesteld.

Aanbod ten behoeve van pleegouders

Al te lang heeft men in het verleden de pleegouders tekort gedaan door hen niet als participanten in het hulpverleningsproces te zien, maar als cliënten. We doen pleegouders tekort wanneer we bij het aanbieden van ondersteuning, in welke vorm dan ook, daarmee impliciet of expliciet suggereren dat er wat schort aan hun vaardigheden of capaciteiten.

Er is een zeer ruim aanbod aan ondersteuning op dit moment voorradig. We maken daarbij een onderscheid tussen educatie, begeleiding, opvoedingsondersteuning en behandeling.
Onder ‘educatie’ verstaan we zowel vormingsactiviteiten, die zich richten op de basiskwaliteiten of -eisen van pleegouderschap (bijvoorbeeld een STAP-cursus) als ‘trainingen’, die voortbouwen op een basiskennis, vaardigheid of attitude (bijvoorbeeld een cursus ‘hechting’).
‘Begeleiding’ verwijst doorgaans naar de activiteiten van pleeggezinbegeleiders of maatschappelijk werkenden in relatie tot een pleeggezin. Het omvat dan het geheel aan bezoeken, inspanningen en contacten aan en in functie van de pleegzorgsituatie. De normale, dagelijkse gang van zaken betreffende het pleegkind en zijn gezin, staan hierin centraal.
Het begrip ‘opvoedingsondersteuning’ is een verzamelnaam voor zowel preventieve als hulpverleningsactiviteiten. Het accent ligt op beïnvloeding van opvoedingsgedrag, opvoedingsvaardigheden, denkbeelden, of al dan niet algemene problemen; men gaat ervan uit dat deze verbeterd kunnen worden.
Het onderscheid tussen opvoedingsondersteuning en behandeling, c.q. intensieve behandeling, ligt in het respectievelijk preventieve en herstellende aspect. Ook pleegouders kunnen voor behandeling in aanmerking komen, maar dan heeft zich een problematische opvoedingssituatie voorgedaan, die de voortgang van de plaatsing op grond van problemen bij het pleegkind of in het pleeggezin in gevaar brengt.
Samengevat is het onderscheid tussen begeleiding, educatie, opvoedingsondersteuning en behandeling essentieel. Er is een gradueel verschil tussen elke vorm van gezinsbemoeienis, lopend vanaf wederzijdse informatie tot en met interventie. Elk van deze vier soorten kan zowel individueel als in groep plaatsvinden en kan -afhankelijk van het doel- gericht zijn op het kind, op het pleeggezin als opvoedingssysteem of op het pleeggezin als intermediair tussen pleegkind en zijn primair milieu (Coact Consult, 2000).

Voor een goed gedocumenteerd overzicht van wat in pleegzorgland wordt aangeboden, verwijzen we naar Gijzen (1997) en Loeffen (1999).

Belang van een pedagogisch aanbod aan pleegouders

Zeker, maar niet uitsluitend, in geval van ‘pleegzorg als opvoedingsarrangement’ (langdurende plaatsingen) zijn educatie en ondersteuning belangrijk. Het kind zal zich binnen het pleeggezin ontwikkelen en dit vergt continue inzet van de pleegouders. Het aantal pleegkinderen met emotionele en gedragsproblemen uit ernstig verstoorde gezinnen zal zeker toenemen. Het in contact kunnen blijven met deze kinderen in het pleeggezin is een moeilijke opgave, getuige de aanzienlijke hoeveelheid voortijdig afgebroken plaatsingen als gevolg van deze of nieuw ontstane problematiek tijdens de plaatsing. Pedagogische deskundigheid en bijscholing van zowel begeleiders als pleegouders is daarom een noodzaak. Streven we stabiliteit en continuïteit na voor een pleegkind, dan is het belangrijk om het kind in zijn veranderingen en in de uitingswijze van zijn problematiek te kunnen blijven steunen.
Elk begeleidingsmoment van pleegouders of van het hele pleeggezin speelt daarin al een essentiële rol. Hier wordt pleegzorg op maat gemaakt. Hier ontstaat de ruimte om te praten over zaken als hechting, oudercontact, teamafspraken, of lange termijn-doelen.

Een ander onmisbaar element zijn de ‘informele’ bijeenkomsten van pleegouders onderling. Thema-avonden, ontspannende activiteiten en discussie-avonden versterken het gevoel van voorbereid zijn op de dagelijkse beslommeringen en hoogtepunten in het gezin. Deze ‘zelfhulp’-initiatieven en ‘mantelzorgactiviteiten’ zijn essentieel in het gehele traject van vorming en scholing.
Zoals eerder betoogd, is ook opvoedingsondersteuning een optie waarvoor een pleeggezin in aanmerking kan komen. Er is dan echter sprake van preventief handelen. Een opvoedingsnood is gesignaleerd, ingegeven door hetzij vragen rond het kind, de beleving van het eigen handelen of dat van het kind, of door de interactie met het gezin van het kind. Pleegouders kunnen in een situatie terecht komen dat educatie onvoldoende is en ondersteuning noodzakelijk wordt. Het leidt te ver om hier alle initiatieven en projecten te noemen. We volstaan met bijvoorbeeld de Gordon-cursus en de cursus ‘Praten met kinderen’ (Van As, en Janssens, 1995; 1997). Maar ook elementen uit behandelingstechnieken kunnen pleegouders aangeleerd worden om problematische opvoedingssituaties rondom het pleegkind het hoofd te bieden. Pleegouders zijn dan de ‘mediatoren’ die op instructie van de begeleider bijvoorbeeld gedrag trainen, sociale vaardigheden aanleren of agressie leren beteugelen.

Nog een stap verder betreft het (intensieve) behandeling van pleegouders, alhoewel slechts in een beperkt aantal gevallen voorkomend. Ook pleegouders/pleeggezinnen kunnen ‘hulp’ in strikte zin nodig hebben. Het betreft dan bijvoorbeeld situaties waarin een plaatsing dreigt af te breken of gezinsleden in een persoonlijke, emotionele of interactieproblematiek dreigen te komen. Videohome-training, Intensieve gezinshulp, de zogenaamde ‘home-projecten’, zoals ‘Families First’, zijn illustraties van interventies die dan in aanmerking komen. Maar de volledigheid gebiedt om hier in feite alle ambulante interventievormen te noemen, die er op het terrein van de hulpverlening bestaan.

Slotbeschouwing

We zijn van mening dat ontwikkeling van educatietrajecten, het beschikbaar stellen van opvoedingsondersteunende activiteiten en desgevallend van behandeling een enorme ruggesteun aan pleegouders kunnen geven. Het nijpende tekort aan pleeggezinnen kan mogelijk bestreden worden door de deskundigheid te vergroten.
Het soms nog ‘softe’ imago van pleegzorg kan plaats maken voor een meer ‘professioneel’ imago. Het ‘beroeps’-beeld van pleegouders draagt bij tot ‘erkenning’. Er kan een wervend karakter van uit gaan. Wil dit echter zeggen dat we naar beroepspleegzorg toe moeten? De unieke combinatie van opvoeden en specifiek opvoeden binnen het pleeggezin staat in feite beroepspleegzorg in de weg. Alleen in geval van intensieve pleegzorg ten behoeve van kinderen met ernstige problemen, zoals ze in gezinshuizen, therapeutische gezinsverpleging of gezinsprojecten worden opgevangen, doet de behoefte aan professioneel handelen groeien. Wanneer dit zijn intrede doet in de reguliere pleegzorg vervagen wellicht de grenzen met deze varianten van intensieve pleegzorg en wordt de continuïteit van de plaatsing bevorderd.
Ook het aanbieden van zorgondersteuning (bijv. hulp in de huishouding, studie- en werkfaciliteiten), een onderwerp dat in dit kader niet werd behandeld, biedt pleegouders ruimte om zich met meer deskundigheid op de specifieke opvoeding te richten.

(Een meer uitgewerkte versie van deze bijdrage zal binnenkort als hoofdstuk in een boek verschijnen)

Dr. Luk M.H. Robbroeckx, redactielid
Katholieke Universiteit Nijmegen
Sectie Orthopedagogiek;
Gezin en Gedrag
Adres: Postbus 9104, 6500 HD Nijmegen.
E-mail:

Literatuurverwijzingen

- As, N.M.C. Van, & Janssens, J.M.A.M. (1995). Praten met kinderen. Een boek voor ouders en andere opvoeders. Leuven: Garant.
- As, N.M.C. Van, & Janssens, J.M.A.M. (1997). Praten met kinderen. Handboek voor de begeleider. Leuven: Garant.
- Coact Consult, (2000). Pleegzorg in een veranderende jeugdzorg. Utrecht: VOG.
- Gijzen, J. (1997). Wijzer in pleegzorg. Inventarisatie deskundigheidsbevordering. Amsterdam: Stichting Op Kleine Schaal.
- Loeffen, M. (1999). Pleegzorg. Inventarisatie visies Voorzieningen voor Pleegzorg. Utrecht: VOG.