Willis voelde zich eenzaam. Hij had het bovendien koud, en hij
was moe, en nat. Een lading sneeuw van een boomtak was zojuist in
de kraag van zijn wollen jasje gevallen, en dat vindt zelfs een das
niet prettig. En het begon donker te worden. En hij bedacht zich net,
dat hij eigenlijk verdwaald was.
Hij dacht aan zijn knusse, warme huisje in de stad. Waarom was hij
daar in hemelsnaam weggegaan? Moest dit een vakantiedag voorstellen?
Huh, voor de prijs die hij had betaald voor zijn treinkaartje had
hij ook de speelgoedtrein kunnen kopen die hij al zo lang wilde hebben.
Dan had hij nu lekker in zijn eigen warme huiskamer op zijn buik kunnen
liggen kijken naar de trein die rondje na rondje na rondje reed.
Maar nee, hij zat ergens midden in een donker bos aan de voet van
een berg en werd daar natgesneeuwd. Want hij was onderweg naar zijn
vriend Karel! Zodat Karel niet helemaal alleen zou zijn met Kerstmis!
Zijn vriend Karel, een heuse jongen. Die zo nodig aan de andere kant
van de koudste, ijzigste berg ter wereld moest wonen!
Willis had gehoord dat er ergens in dit bos een herberg moest zijn,
gerund door een das en een meneer, maar hij had die herberg nog nooit
eerder gezocht. Dat zou hij dan nu moeten doen. Hij baande zich door
de sneeuw een weggetje naar de top van een kleine, kale heuvel.
Vanaf het uiterste puntje, hij kon het net zien, door de kolkende
wolken van sneeuwvlokken heen, zag hij tussen de bomen door een oranje
lichtje schijnen. Hij draaide zijn neus in de richting van dat lichtje
en dook het donkere bos weer in.
Na een uur, waarin hij tussen de bomen door de sneeuw had gestrompeld
en over grote keien was gestruikeld, beklom hij de stenen traptreden
naar de deur van een heel kleine, heel oude herberg.
De herberg werd van binnen alleen verlicht door het vuur in de open
haard, maar na het dreigend donkere woud leek dat een vriendelijke,
stralende zee van licht. Vanaf zijn plekje bij de deur zag Willis
niemand anders in de kamer. Plotseling bewoog een bundeltje kleren
in de verste hoek van de kamer en zag hij dat er in dat stapeltje
een oude vrouw verscholen zat.
"Kom. Kom bij me zitten", zei ze. "Dan kun je een
beetje opwarmen bij de haard."
Ze was zo ongelofelijk oud en zo vreselijk rimpelig dat Willis eerste
reactie was om de koude nacht weer in te hollen, schreeuwend: "Een
heks! Een heks!". Maar haar stem had zo aardig en warm geklonken
dat hij als vanzelf deed wat ze hem zei. Het geluid van zijn pootjes
klonk hard en hol op de kale, houten vloer van de bijna lege kamer
terwijl hij in haar richting liep.
"Hang je natte jas maar daar", zei ze, terwijl ze naar
de rug van een stoel wees, "en kom maar naast me zitten op het
bankje. Er is genoeg plaats voor een kleine, vermoeide das. De herbergier
komt mij zo een kommetje soep brengen. Hij neemt er ook wel een voor
jou mee. Rust heb je nodig, en een stevig maal, dan word je weer helemaal
het oude, slimme dasje dat je was. En hoop heb je nodig, de hoop dat
morgen een betere dag zal zijn dan vandaag".
Terwijl zij samen hun soep en brood en kaas opaten, vertelde de oude
vrouw Willis over haarzelf, over de lange reis die zij had afgelegd
om bij de herberg te komen en over de lange reis die zij nog te gaan
had. Zij zou de volgende ochtend in dezelfde richting lopen als Willis:
over de hoge heuvelrug en dan naar beneden, naar beneden, naar beneden
totdat zij het bergdorpje in het dal bereikte.
Willis hoopte maar dat hij door de vrouw niet veel te langzaam vooruit
zou komen, als zij de hele lange weg door de zware, natte sneeuw op
zijn schouder zou willen steunen. Hij had blijkbaar nogal ongerust
gekeken, want de vrouw hield op met vertellen en zei tegen hem: "Ik
kan wel zien wat je denkt. Hoe kan zo’n rare, oude vrouw nou
denken dat ze nog zo’n lange tocht kan maken, hoe lang ze ook
uitrust en hoe voedzaam de soep en de kaas ook zijn?"
Op het gezicht van Willis verscheen een verlegen, beschaamde glimlach.
"Zie je, daar heb ik dit voor," zei de vrouw. En ze haalde
uit haar zak een heel klein, glanzend metalen potje met een piepklein
metalen dekseltje erop tevoorschijn. Het zag er gewoontjes maar toch
erg interessant uit. Ze deed het dekseltje omhoog, haalde diep adem
met haar neus in het potje en het leek alsof ze kracht putte uit de
geur van wat er dan ook in dat potje zat. Ze sloot het dekseltje weer,
wachtte even en gaf het potje toen aan Willis.
Het voelde licht en warm in zijn hand. Hij bekeek het zorgvuldig.
Op de platte onderkant van het potje stond een heel sierlijke ‘S’
in het metaal gekerfd.
"Ik heet Sofia," vertelde de vrouw terwijl zij Willis goed
bekeek.
Willis deed ook het dekseltje open en snoof de geur in het potje op.
Maar... hij rook eigenlijk niets. Hij keek in het potje. Dat was leeg.
Hij gaf het potje terug aan de oude vrouw. Ze gaapte, zei dat ze moe
was, wenste hem een goede nacht en zocht haar bed op.
De volgende morgen werd Willis opgewekt en heerlijk uitgerust wakker.
Het was vroeg, nog niet eens helemaal licht buiten, toen hij bedacht
dat het verstandig zou zijn om snel op te staan en te vertrekken,
zodat de oude vrouw hem niet zou vertragen.
Op aanwijzing van de herbergier vond Willis al snel de juist weg
in het bos terug, maar zijn tocht was zwaarder dan hij had verwacht.
De sneeuw was dieper en het pad was steiler. Hij werd een beetje bang.
Als hij zou vallen, zou hij misschien doorrollen tot de rotsblokken
helemaal onder aan de berg. Hoe veel verder moest hij nog omhoog?
Hij keek op. Daar, ver boven hem en zo te zien moeiteloos, liep de
oude vrouw. Ze draaide zich even om en zwaaide naar Willis. Hoe kon
ze er nou geen erg in hebben dat hij in de problemen zat? Hoe kon
ze er nou geen erg in hebben dat hij bang was? Karel had heus wel
op hem gewacht. Karel zou hem echt wel hebben geholpen. Ogenblikkelijk
dacht Willis aan alle keren dat zijn vriend Karel hem had geholpen
op dit soort dagen in de bergen. En aan de keren dat hij Karel had
geholpen. Karel was steeds weer een echte vriend gebleken. Op Karel
kon hij altijd rekenen.
Karel zou naar die bosjes verderop zijn gelopen en dan naar de rotsblokken
daar boven. Dan zou hij naar de richel zijn geklommen en die gevolgd
hebben tot aan de bergpas. Voordat hij het wist, wandelde Willis veilig
en wel over het gemakkelijke, laatste stukje van de richel naar de
pas, met het gevoel dat Karel hem toch op de een of andere manier
weer door een moeilijke situatie in de bergen had geloodst. En nu
verheugde hij zich er meer dan ooit op om Kerstmis met zijn goede
vriend door te brengen. Dat vooruitzicht leek nu mooier dan de mooiste
speelgoedtrein ter wereld.
Toen Willis bij de bergpas aankwam besloot hij in het vroege ochtendzonnetje
op een platte steen even op adem te komen. Het viel hem onmiddellijk
op. Daar, op die platte steen, stond een klein metalen potje. Het
potje van de oude vrouw. Het moest uit haar zak zijn gevallen. Hij
zou hardlopen om haar in te halen, haar het potje teruggeven en zeggen
dat het hem speet dat hij haar niet had willen helpen. Maar, terwijl
hij naar beneden keek over de sneeuwvelden en in de verre verte het
huisje van Karel kon zien, was Sofia nergens meer te bekennen.
Willis liet zich, sprakeloos van verbazing, terugvallen op de steen.
Toen viel zijn blik op de onderkant van het potje. Sierlijk gekerfd
in het metaal stond daar geen ‘S’, maar een ‘W’.
Hij keek in het potje. Het potje was nog steeds leeg, maar er kwam
hem een geur uit tegemoet die Willis van binnen warm en blij maakte.
Hij dacht aan de oude vrouw, aan Karel, zijn dierbare vriend, en aan
Kerstmis. Willis zette koers naar het dal aan de voet van de berg
in de frisse ochtendlucht.