Eind september meldden de kranten: Bekenden niet beter voor pleegkind.
Gedurende een week werden onderzoekers van de afdeling Orthopedagogiek
aan Rijksuniversiteit Groningen (RUG) regelmatig benaderd door journalisten.
De conclusie van hun vergelijkend onderzoek luidde: de kwaliteit van
een plaatsing in een gezin uit het netwerk van een pleegkind is niet
hoger dan de kwaliteit van een plaatsing bij een gezin uit het bestand
van een Voorziening voor Pleegzorg. Een artikel* met die opzienbarende
conclusie was ook voor Mobiel aanleiding om op onderzoek uit te gaan.
Hoe moeten we deze gegevens interpreteren, hoe kunnen plaatsers er
hun voordeel mee doen?
Algemene vooronderstellingen zijn dat een netwerkplaatsing voor een
pleegkind beter is, omdat er zijn meer contacten mogelijk zijn met
de ouders; er geen geen cultuurshock plaatsvindt; de pleegouder een
herkenbaar rolmodel voor de ouder kan zijn; een netwerkpleegouder
vaak meer betrokken is bij en meer bereid is te investeren in de band
tussen ouder en kind, en de terugplaatsing kan makkelijker verlopen.
Daar staat tegenover dat er soms van wordt uitgegaan dat een netwerkplaatsing
niet gewenst is, omdat het netwerkpleeggezin al deel uitmaakte van
het systeem van de ouder, die niet zodanig werd ondersteund door de
omgeving en/of familie dat hij of zij de opvoeding zelf kon voortzetten.
Onderzoek
Om bovengenoemde vooronderstellingen te toetsen, leek onderzoek wenselijk.
Drie onderzoekers volgden gedurende achttien maanden de langdurige
plaatsingen van 138 kinderen in Zuid-Holland. De bevindingen van de
pleegouders en van de pleegzorgbegeleiders werden met behulp van vragenlijsten
geïnventariseerd. Het onderzoek richtte zich onder andere op
de (soort) band van de pleegouders met hun pleegkind, hun begeleidbaarheid,
de belasting van de pleegouders en hun kinderen, of de pleegouders
een duidelijk beeld hadden van hun rol, de houding van de ouders ten
opzichte van de pleegkinderen en het gedrag dat het pleegkind vertoonde.
Op de vragenlijsten hebben de onderzoekers diverse testen gedaan.
Daarin is met name ingegaan op het functioneren van de pleeggezinnen
en de eventuele verschillen in ervaringen tussen beide soorten pleeggezinnen.
Demografische verschillen
Tussen de twee soorten pleeggezinnen in Zuid-Holland zijn enkele
verschillen te zien betreffende de samenstelling. 61 Procent van de
allochtone pleeggezinnen valt in de categorie ‘netwerkpleegouder’.
Slechts vier procent van de allochtone pleeggezinnen is ‘bestandsgezin’.
Voor autochtone pleegouders is het beeld andersom: 96 procent is bestandspleeg-ouder
en 39 procent netwerkpleegouder. De gemiddelde leeftijd verschilt
niet veel, maar er zijn in de netwerkpleegzorg wel aanmerkelijk meer
grootmoeders (16 procent) dan in de bestandspleegzorg (0 procent).
Arbeidsstatus en éénoudergezinnen zijn in beide groepen
vergelijkbaar. Het percentage netwerkouders met een niet-voltooide
beroepsopleiding is groter dan bij de bestandspleegouders. Wellicht
komt dit door het percentage grootmoeders dat in hun tijd minder scholingskansen
had dan tegenwoordig.
Wat blijkt?
Uit het onderzoek blijkt dat de vooronderstellingen niet kloppen,
ook niet als de problematiek van het pleegkind wordt meegewogen. De
zwaarte van de problematiek van het pleegkind blijkt amper van invloed
en bovendien worden in beide typen pleeggezinnen kinderen geplaatst
met meer medische, sociale en/of pedagogische problemen dan van het
‘gemiddelde’ kind. De problematiek waarmee pleeggezinnen
kunnen worden geconfronteerd is in beide soorten plaatsingen vergelijkbaar.
Conclusies
Onderzoekers J. Strijker, T. Zandberg en B.F. van der Meulen komen
tot de conclusie dat netwerkpleegzorg geen voordelen biedt boven de
traditionele bestandspleegzorg. Het belangrijkst voor een pleegkind
zijn het pedagogische klimaat en de didactische benadering door de
pleegouders: ook netwerkpleegouders zijn uitstekend in staat structuur
te bieden, ondersteuning te geven bij het volgen van een therapie,
overleg te plegen met de betrokken werkers en de ondersteuning van
een pleegzorgwerker toe te passen in hun gezinsleven. Of de netwerkpleegouders
hierbij wel of geen voorbereidingsprogramma hadden gevolgd, leek niet
van invloed op hun functioneren.
Ook bestandspleegouders zijn in staat om de band met de ouders te
onderhouden, een vertrouwensband met het kind aan te gaan, te voorkomen
dat de pleegkinderen in een loyaliteitsconflict komen, en de terugkeer
van een pleegkind naar de ouders op een positieve manier te begeleiden.
Nader onderzoek lijkt gewenst, maar de volgende conclusie lijkt gerechtvaardigd:
niet de oorsprong maar de kwaliteit(en) van een pleeggezin zijn doorslaggevend
voor het succes van de plaatsing. Voor elk pleegkind met een specifieke
behoefte moet een bekend of onbekend pleeggezin worden gezocht dat
-met ondersteuning- het gewenste opvoedingsklimaat kan bieden.
*Leestip: in januari verschijnt een boek waarin de gegevens van
bovenstaand onderzoek zijn ingebed: Matching in de pleegzorg; hulpvraag
versus pedagogisch aanbod, J. Strijker en Tj. Zandberg, SWP Amsterdam,
ISBN 90 6665 455 4
Netwerkpleegzorg biedt geen voordelen boven bestandspleegzorg.
We bespraken deze conclusie kort met één van
de onderzoekers: T. Zandberg, bijzonder hoogleraar, verbonden
aan de afdeling Orthopedagogiek van de RUG. Het was de eerste
keer in Nederland dat een vergelijking tussen beide typen
pleegzorg gemaakt werd. De onderzoeksgroep woont in Zuid-Holland.
En die groep leidt tot deze resultaten, die zijn niet zomaar
op het hele land te projecteren. Bovendien zijn de pleegouders
en pleegzorgwerkers ondervraagd. De pleegkinderen kwamen in
dit onderzoek niet aan het woord. Maar, op basis van de gegevens
die uit het onderzoek naar voren kwamen, mag duidelijk zijn
dat er geen verschil is tussen netwerkpleegouders, die achteraf
op de STAP-criteria worden beoordeeld, en goed-getrainde bestandspleegouders
met een toegespitste scholing in pleegzorg. Er worden bij
deze conclusie voorbehouden gemaakt, omdat dit onderzoek van
harte uitnodigt tot verder onderzoek. Want op onze vraag wat
het verschil is als netwerkpleegouders wèl een toegespitste
STAP-opleiding zouden volgen, geeft de heer Zandberg aan,
dat de vraag terecht is, maar dat er nader onderzoek nodig
is om deze hypothese in de praktijk te staven. (GL)
‘Verschillen tussen netwerkgezinnen en bestandsgezinnen
in de pleegzorg’, door J. Strijker, Tj. Zandberg en B.F.
van der Meulen, Pedagogiek, 21ste jaargang, nr. 3
|