artikel uit Mobiel 6, december 2001/januari 2002

Wetenschappelijk onderzoek:
Het gaat om de kwaliteit(en) van een pleeggezin

Ontwikkelingsmogelijkheden in netwerkgezin net zo groot als in bestandsgezin

Door: Ineke Exel/Gabriëlle Langhout

Eind september meldden de kranten: Bekenden niet beter voor pleegkind. Gedurende een week werden onderzoekers van de afdeling Orthopedagogiek aan Rijksuniversiteit Groningen (RUG) regelmatig benaderd door journalisten. De conclusie van hun vergelijkend onderzoek luidde: de kwaliteit van een plaatsing in een gezin uit het netwerk van een pleegkind is niet hoger dan de kwaliteit van een plaatsing bij een gezin uit het bestand van een Voorziening voor Pleegzorg. Een artikel* met die opzienbarende conclusie was ook voor Mobiel aanleiding om op onderzoek uit te gaan. Hoe moeten we deze gegevens interpreteren, hoe kunnen plaatsers er hun voordeel mee doen?

Algemene vooronderstellingen zijn dat een netwerkplaatsing voor een pleegkind beter is, omdat er zijn meer contacten mogelijk zijn met de ouders; er geen geen cultuurshock plaatsvindt; de pleegouder een herkenbaar rolmodel voor de ouder kan zijn; een netwerkpleegouder vaak meer betrokken is bij en meer bereid is te investeren in de band tussen ouder en kind, en de terugplaatsing kan makkelijker verlopen.
Daar staat tegenover dat er soms van wordt uitgegaan dat een netwerkplaatsing niet gewenst is, omdat het netwerkpleeggezin al deel uitmaakte van het systeem van de ouder, die niet zodanig werd ondersteund door de omgeving en/of familie dat hij of zij de opvoeding zelf kon voortzetten.

Onderzoek

Om bovengenoemde vooronderstellingen te toetsen, leek onderzoek wenselijk. Drie onderzoekers volgden gedurende achttien maanden de langdurige plaatsingen van 138 kinderen in Zuid-Holland. De bevindingen van de pleegouders en van de pleegzorgbegeleiders werden met behulp van vragenlijsten geïnventariseerd. Het onderzoek richtte zich onder andere op de (soort) band van de pleegouders met hun pleegkind, hun begeleidbaarheid, de belasting van de pleegouders en hun kinderen, of de pleegouders een duidelijk beeld hadden van hun rol, de houding van de ouders ten opzichte van de pleegkinderen en het gedrag dat het pleegkind vertoonde.
Op de vragenlijsten hebben de onderzoekers diverse testen gedaan. Daarin is met name ingegaan op het functioneren van de pleeggezinnen en de eventuele verschillen in ervaringen tussen beide soorten pleeggezinnen.

Demografische verschillen

Tussen de twee soorten pleeggezinnen in Zuid-Holland zijn enkele verschillen te zien betreffende de samenstelling. 61 Procent van de allochtone pleeggezinnen valt in de categorie ‘netwerkpleegouder’. Slechts vier procent van de allochtone pleeggezinnen is ‘bestandsgezin’. Voor autochtone pleegouders is het beeld andersom: 96 procent is bestandspleeg-ouder en 39 procent netwerkpleegouder. De gemiddelde leeftijd verschilt niet veel, maar er zijn in de netwerkpleegzorg wel aanmerkelijk meer grootmoeders (16 procent) dan in de bestandspleegzorg (0 procent). Arbeidsstatus en éénoudergezinnen zijn in beide groepen vergelijkbaar. Het percentage netwerkouders met een niet-voltooide beroepsopleiding is groter dan bij de bestandspleegouders. Wellicht komt dit door het percentage grootmoeders dat in hun tijd minder scholingskansen had dan tegenwoordig.

Wat blijkt?

Uit het onderzoek blijkt dat de vooronderstellingen niet kloppen, ook niet als de problematiek van het pleegkind wordt meegewogen. De zwaarte van de problematiek van het pleegkind blijkt amper van invloed en bovendien worden in beide typen pleeggezinnen kinderen geplaatst met meer medische, sociale en/of pedagogische problemen dan van het ‘gemiddelde’ kind. De problematiek waarmee pleeggezinnen kunnen worden geconfronteerd is in beide soorten plaatsingen vergelijkbaar.

Conclusies

Onderzoekers J. Strijker, T. Zandberg en B.F. van der Meulen komen tot de conclusie dat netwerkpleegzorg geen voordelen biedt boven de traditionele bestandspleegzorg. Het belangrijkst voor een pleegkind zijn het pedagogische klimaat en de didactische benadering door de pleegouders: ook netwerkpleegouders zijn uitstekend in staat structuur te bieden, ondersteuning te geven bij het volgen van een therapie, overleg te plegen met de betrokken werkers en de ondersteuning van een pleegzorgwerker toe te passen in hun gezinsleven. Of de netwerkpleegouders hierbij wel of geen voorbereidingsprogramma hadden gevolgd, leek niet van invloed op hun functioneren.
Ook bestandspleegouders zijn in staat om de band met de ouders te onderhouden, een vertrouwensband met het kind aan te gaan, te voorkomen dat de pleegkinderen in een loyaliteitsconflict komen, en de terugkeer van een pleegkind naar de ouders op een positieve manier te begeleiden.
Nader onderzoek lijkt gewenst, maar de volgende conclusie lijkt gerechtvaardigd: niet de oorsprong maar de kwaliteit(en) van een pleeggezin zijn doorslaggevend voor het succes van de plaatsing. Voor elk pleegkind met een specifieke behoefte moet een bekend of onbekend pleeggezin worden gezocht dat -met ondersteuning- het gewenste opvoedingsklimaat kan bieden.

*Leestip: in januari verschijnt een boek waarin de gegevens van bovenstaand onderzoek zijn ingebed: Matching in de pleegzorg; hulpvraag versus pedagogisch aanbod, J. Strijker en Tj. Zandberg, SWP Amsterdam, ISBN 90 6665 455 4


Netwerkpleegzorg biedt geen voordelen boven bestandspleegzorg. We bespraken deze conclusie kort met één van de onderzoekers: T. Zandberg, bijzonder hoogleraar, verbonden aan de afdeling Orthopedagogiek van de RUG. Het was de eerste keer in Nederland dat een vergelijking tussen beide typen pleegzorg gemaakt werd. De onderzoeksgroep woont in Zuid-Holland. En die groep leidt tot deze resultaten, die zijn niet zomaar op het hele land te projecteren. Bovendien zijn de pleegouders en pleegzorgwerkers ondervraagd. De pleegkinderen kwamen in dit onderzoek niet aan het woord. Maar, op basis van de gegevens die uit het onderzoek naar voren kwamen, mag duidelijk zijn dat er geen verschil is tussen netwerkpleegouders, die achteraf op de STAP-criteria worden beoordeeld, en goed-getrainde bestandspleegouders met een toegespitste scholing in pleegzorg. Er worden bij deze conclusie voorbehouden gemaakt, omdat dit onderzoek van harte uitnodigt tot verder onderzoek. Want op onze vraag wat het verschil is als netwerkpleegouders wèl een toegespitste STAP-opleiding zouden volgen, geeft de heer Zandberg aan, dat de vraag terecht is, maar dat er nader onderzoek nodig is om deze hypothese in de praktijk te staven. (GL)

‘Verschillen tussen netwerkgezinnen en bestandsgezinnen in de pleegzorg’, door J. Strijker, Tj. Zandberg en B.F. van der Meulen, Pedagogiek, 21ste jaargang, nr. 3