artikel uit Mobiel 5, oktober/november 2001

Portret van een netwerkpleeggezin

Door: Kate Eaton

Gabriela (25) zorgt al bijna twee jaar voor de kinderen van haar ‘grote’ zus Cindy (35).

Wat is de samenstelling van uw gezin en wat zijn de activiteiten van de gezinsleden?

Gabriela: "Ik ben alleenstaand moeder, met een zoon van vijf. De kinderen van mijn zus wonen bij mij. Marlene, 16, loopt stage in een verzorgingshuis; Timothy, 15, gaat naar het VMBO en de jongsten, Carol van 9 en Paulie, naar de lagere school. Ik werkte tot voor kort als beveiligingsbeambte en ga nu een opleiding voor telefoniste/receptioniste volgen. Ik hoop daarmee na afloop aan de slag te kunnen."

Hoe kwam je ertoe om netwerkpleegouder te worden?

Cindy: "Ik werd vijf jaar geleden dakloos en wilde niet met mijn kinderen zwerven. Ik zocht hulp voor hen, zodat ik mijn zaakjes zou kunnen regelen. Maar mijn twee oudsten kwamen in een pleeggezin, waar ze erg slecht behandeld werden. Het duurde bijna vier jaar, voordat ze iemand in vertrouwen durfden nemen. Gabriela heeft ze toen, met de politie en Jeugdzorg, opgehaald -zonder schoenen, jassen of hun andere spulletjes- en in huis genomen."
Gabriela: "Toen werd ik netwerkpleegouder. Er loopt een gerechtelijk onderzoek naar de ex-pleegvader. De kinderen hebben veel meegemaakt en ik wil graag dat ze psychische begeleiding krijgen. We proberen in het gezin niet meer terug te kijken, maar juist vooruit. Marlene, Timothy en Carol doen het -na een moeilijke start- nu best goed, ook op school. Er is structuur en veiligheid in ons gezin; ik sta pal voor de kinderen."
Cindy: "Met mij gaat het ook beter. Maar ik heb nog geen huis."

Waar heb je steun bij nodig, waar ben je onzeker over?

Gabriela: "We willen dat de kinderen therapie krijgen om te verwerken wat er is gebeurd. Zodat ze verder kunnen zonder al te veel schade. Cindy heeft ook hulp nodig. Zij voelt zich erg schuldig. Dat is geen gezonde manier om met de kinderen verder te gaan."

Hoe reageren je omgeving en je familie op het pleegouderschap?

Gabriela: "Die vinden dit heel normaal. Als ik vijf jaar geleden zelf een woning had gehad waren de kinderen toen bij mij gekomen en hadden ze dat allemaal niet hoeven meemaken. Het is in onze cultuur (Surinaamse, red.) gewoon om voor de kinderen van je broers of zussen te zorgen als hen dat zelf niet lukt."

Hoe ziet de begeleiding van je gezin eruit en voldoet die aan de behoefte?

Cindy: "In het vorige pleeggezin werd de begeleiding niet binnengelaten. En ik kreeg, met mijn grote mond, het stempel ‘schreeuwerd’ en werd niet serieus genomen. Dat de situatie daar zo lang onopgemerkt is gebleven, zegt genoeg."
Gabriela: "We hebben nu andere begeleiders, van jeugdzorg en pleegzorg. Zij doen hun best om dingen voor elkaar te krijgen. Mijn zus heeft bijvoorbeeld binnenkort een gesprek bij huisvesting. We hopen dat ze woonruimte krijgt, in de buurt, zodat we voorlopig samen voor de kinderen kunnen blijven zorgen. Soms heb ik schoon genoeg van de begeleiding. Waar waren ze toen het niet goed ging? Nu is het mosterd na de maaltijd; de kinderen hebben het hier goed."

Hoe ziet het contact met de ouders en familieleden eruit?

Gabriela: "Cindy is overdag bij haar kinderen en bij mij. We helpen elkaar. Soms moet ze er even tussenuit, wordt het haar teveel, en ‘s avonds slaapt ze in een gehuurde kamer. Soms heb ik hulp nodig en dan is Cindy er voor mij en voor de kinderen."

Welke praktische problemen kom je tegen door de plaatsing van de kinderen?

Gabriela: "Geld is een probleem, en de rompslomp die erbij komt. Ik heb na een akkoord van de pleegzorginstelling bedden gekocht. Maar de rekening is nog niet betaald. Als ik dat had geweten had ik een andere oplossing gezocht, tweedehands met een likje verf of zo. Zo ook met het busvervoer van en naar school. In het begin reisden de kinderen met strippenkaarten. Die kaarten kreeg ik niet vergoed. Dat soort dingen. En mijn vraag om therapie voor de kinderen: ik weet dat ik dat zelf niet kan en dat ze tegen mij misschien niet alles durven of willen zeggen. Toch komt die hulp niet van de grond."

Hoe gaat je zoon om met de pleegkinderen? Draagt het bij aan zijn ontwikkeling of maakt dit het moeilijker?

Gabriela: "Mijn zoon vindt het gewoon dat zijn neefje en nichtjes hier wonen. Het is wel fijn voor hem dat hij buiten kan spelen met zijn oudere nichtje. Ik heb soms het gevoel dat ik te weinig aandacht voor hem heb. Het is heel anders om voor vier kinderen dan om voor één kind te zorgen. Als je ziet hoe het er hier ‘s morgens vroeg aan toe gaat! Als ik moe ben, word ik soms kribbig. Dat vind ik vervelend."

Zijn er momenten waarop u denkt ‘hier had ik nooit aan moeten beginnen’?

Gabriela: "Nee. Het is wel eens zwaar, maar we doen het samen. Het enige waar ik spijt van heb is dat ik de kinderen niet onmiddellijk in huis kon nemen toen Cindy dakloos werd."

Beschrijf een ervaring die illustreert ‘daar doe ik het voor’.

Gabriela: "Het mooiste voorbeeld is de stage van Marlene. In het begin had ze wel moeite met school, maar ze is zich steeds meer gaan inzetten. Nu mag ze als enige van haar groep zelfstandig werken. Dan denk ik ‘daar gaat het om’. Ook voor de toekomst."