"Kinderrechters in Amsterdam vinden in het algemeen dat bij
het nemen van een beslissing over de verblijfplaats van kinderen niet
zozeer moet worden uitgegaan van de letter van de wet, maar meer vanuit
een wetenschappelijke oogpunt. Dit betekent: uitgaan van datgene wat
goed is voor de ontwikkeling van een kind."
Zo stelt mr. Jaap de Groot, kinderrechter bij de rechtbank te Amsterdam.
Hij en zijn collega’s zouden bij het nemen van een beslissing
over de verblijfplaats van een kind de continuïteit van de opvoeding
zwaarder laten wegen dan de belangen van de biologische ouders.
Hij beseft dat dit standpunt ogenschijnlijk in strijd is met het doel
van de ondertoezichtstelling (ots) dat erop gericht is om de met gezag
belaste ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding
zoveel mogelijk te doen behouden en de gezinsband te bevorderen. Desondanks
blijft hij bij zijn verklaring.
Zijn redenering is helder en duidelijk: "Het belang van het kind
gaat altijd voor het belang van de ouders".
Van een dergelijke afweging zou volgens hem sprake kunnen zijn als
een kind al langer in een pleeggezin verblijft. In zo’n situatie
kan sprake zijn van ‘family life’ en zou de terugkeer van
het kind naar de biologische ouders niet in het belang van de ontwikkeling
van het kind hoeven te zijn.
Ontheffing
Ook als het gaat om een beslissing betreffende het gezag, is mr.
De Groot van mening dat de continuïteit van de opvoedingssituatie
het uitgangspunt dient te zijn. "Als je daar vanuit gaat, dan
moet het gezag eigenlijk daar komen te liggen waar de continuïteit
van de opvoeding zich afspeelt. Als je eenmaal de beslissing neemt
‘het kind verblijft hier een lange periode en het gaat goed’
dan moet dus ook op die plek het gezag liggen", aldus de kinderrechter.
Dit gebeurt naar zijn mening te weinig. Een verklaring hiervoor is
volgens hem te vinden in het probleem van de ontheffing. In zijn redenering
maakt hij een onderscheid tussen de situatie van voor de wetswijziging
op de ots in 1995 en de situatie na de wetswijziging op de ots in
1995. Vóór de wetswijziging op de ots bestond de mogelijkheid
om een ots na twee jaar te beëindigen of de Raad voor de Kinderbescherming
(RvdK) te verzoeken onderzoek te doen of er redenen waren voor een
verstrekkende maatregel. Met andere woorden: de RvdK te verzoeken
onderzoek te doen of er redenen waren om de biologische ouders uit
de ouderlijke macht te ontheffen.
Mokerslag
"Het probleem was dat de ontheffing door de biologische ouders
werd ervaren als een abdicatie, een mokerslag, en veel weerstand opriep.
Om het probleem van de ontheffing te omzeilen werd dan vaak een tussenvorm
bepaald. Bijvoorbeeld door het rituele gezag bij de ouders te laten,
maar de feitelijke uitwerking ervan bij de pleegouder te leggen",
vertelt Jaap de Groot.
Het is niet verwonderlijk dat dat voor alle betrokkenen veel onduidelijkheid
opriep en de oorzaak was van veel vervelende situaties. Zo’n
veel voorkomend probleem was bijvoorbeeld de wens van pleegouders
om met het pleegkind op vakantie te gaan, terwijl de biologische ouder
belast met het gezag weigerde toestemming te verlenen voor het verstrekken
van een paspoort aan het kind.
De wetswijziging op de ots in 1995 bracht geen oplossingen omtrent
de vraagstukken rond het gezag en de ots. Integendeel! Sinds de wetswijziging
geldt dat, als ouders het duurzaam eens zijn met de uithuisplaatsing,
een ontheffing niet nodig is. Volgens mr. De Groot is de situatie
er door de wetswijziging alleen maar onduidelijker op geworden. Hij
noemt de huidige situatie, waarbij als de ouders het duurzaam eens
zijn met de uithuisplaatsing een ontheffing niet nodig is, een ramp.
"Het is dé ramp van de afgelopen vijf jaar. Sinds de Hoven
en de Hoge Raad deze lijn hebben geïntroduceerd is het aantal
ontheffingen sterk gedaald. Daar zijn veel pleegkinderen het slachtoffer
van."
De kinderrechter benadrukt nogmaals dat hij van mening is dat, vanuit
een pedagogische oogpunt bekeken, het gezag daar moet liggen waar
het kind verblijft. Hij vindt dan ook dat als kinderen een opvoedingsarrangement
hebben de pleegouders automatisch het gezag over de kinderen moeten
verkrijgen. Dat mag naar zijn oordeel niet langer afhankelijk zijn
van de biologische ouders. "De huidige wet zit niet zo in elkaar,
terwijl dat wel zo had moeten zijn", verzucht hij.
Lege huls
Ook de beoogde positieverbetering van pleegouders is volgens de Jaap
de Groot door de wetswijziging niet gerealiseerd. "Ze zijn weggefrommeld
in artikel 263." Hij noemt als voorbeeld het recht -of juist
het ontbreken van het recht- van pleegouders om bij de kinderrechter
in beroep te gaan. "Een lege huls", zo zegt hij.
Uit zijn uiteenzetting blijkt dat het onderwerp ‘terugplaatsing’
ook voor kinderrechters een lastige materie is, waarbij gekozen moet
worden tussen het belang van de biologische ouders en het belang van
het kind. Hij laat er echter geen twijfel over bestaan wiens belang
de voorkeur verdient en onderstreept nog eens duidelijk dat gekozen
moet worden voor het belang van het kind en voor continuïteit
in de opvoedingssituatie. Intussen heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat
de kinderrechter kan bepalen dat kinderen in een pleeggezin moeten
blijven. Mr. De Groot is van mening dat pleegouders in het algemeen
serieuzer dienen te worden genomen en dat meer moet worden ingezet
op de continuïteit van de opvoeding.
Pleegouders
De Amsterdamse kinderrechter betreurt dat pleegouders niet de bevoegdheid
is gegeven om op te komen voor of tegen interventies die aan een terugplaatsing
vooraf gaan. Hij vindt dat pleegouders het recht en de mogelijkheid
moeten hebben om de kinderrechter rechtstreeks -zonder tussenkomst
van de gezinsvoogd- te benaderen. "Zij moeten medewerking krijgen
om bij de kinderrechter in beroep te kunnen gaan. Als bijvoorbeeld
een persoonlijkheidsonderzoek wordt aangevraagd, kan dat de zekerheid
van de situatie in het pleeggezin ondermijnen. Dat moeten pleegouders
ter discussie kunnen stellen."
Het voordeel van zo’n onderzoek is volgens hem dat dat uitgaat
van de situatie zoals die is. Het onderzoek moet dan wel plaatsvinden
voordat een kind gaat wennen bij de biologische ouders. Jaap de Groot
is het ook eens met het veel gehoorde pleidooi van pleegouders op
het recht om mee te mogen beslissen over de omgangsregeling tussen
de biologische ouders en het pleegkind. "Een omgangsregeling
kan absoluut een enorme inbreuk betekenen op het gezinsleven. Pleegouders
hebben nu niet het recht om daartegen op te komen." Hij hoopt
dat de wetgever pleegouders in de toekomst meer rechten zal toekennen.
Wat betreft de toekomst van het beroep kinderrechter is hij geen
voorstander van de nieuwe ontwikkelingen, waarbij het beroep ‘kinderrechter’
ophoudt te bestaan en de zaken van de kinderrechter overgaan naar
de gewone rechter. Volgens hem willen de cliënten, de ouders
en pleegouders dat helemaal niet. Mr. De Groot vindt dat je het werk
van de kinderrechter slechts goed kunt doen als je er kennis van hebt.
"Gewone rechters zijn hierin niet gespecialiseerd. Zij hebben
de kennis niet op gedragskundig gebied. Kinderrechters zijn in hun
functie goed gespecialiseerd", zegt deze deskundige kinderrechter
met een gezonde dosis betrokkenheid.