Hanneke Driedonks, senior maatschappelijk werkster, en Reg Hoogesteger,
maatschappelijk werker, werken in het adoptieteam Rotterdam. Op basis
van een interview met hen werden niet alleen een aantal verschillen
en overeenkomsten tussen adoptie en pleegzorg opgetekend, maar ook
ontwikkelingen binnen de adoptiewereld.
De start van adoptiehulpverlening
Er bestaan wezenlijke verschillen tussen adoptie en pleegzorg. Wie
op zoek gaat naar overeenkomsten en verschillen probeert misschien
wel appels met peren te vergelijken. Adoptie is primair een middel
tot gezinsvorming, terwijl pleegzorg een vorm van jeugdhulpverlening
is. Adoptie was en is niet vanzelfsprekend gekoppeld aan hulpverlening.
Bij adoptie eindigt de bemoeienis van instanties als de adoptie een
feit is. Bij een pleegzorgplaatsing lopen de contacten met de Voorziening
voor Pleegzorg logischerwijs door. Ondanks dat het overgrote deel
van de adopties zonder problemen verloopt, is zo langzamerhand algemeen
bekend dat de ontwikkeling van adoptiekinderen zich niet altijd rimpelloos
voltrekt. Adoptieouders die hulp zochten kwamen veelal bedrogen uit.
Passende ondersteuning was moeilijk te vinden.
In de adoptiewereld werd dat als een lacune ervaren. Begin jaren negentig
is daarom een onderzoek opgezet om na te gaan in hoeverre de Therapeutische
GezinsVerplegingsmethodiek (TGV-methodiek1) van hulpverlening geschikt
was als aanbod voor adoptieouders. Het onderzoek, waaraan TGV's uit
Noord-Brabant, Rotterdam en Leiden deelnamen, werd positief afgesloten
met aanbevelingen om deze vorm van hulpverlening ook aan adoptieouders
aan te bieden.
In de tweede helft van de jaren negentig kwam voor het eerst subsidie
beschikbaar die het mogelijk maakte om in een beperkt aantal regio's
de adoptiehulpverlening op gang te brengen.
Een andere doelgroep
"In Rotterdam werd gestart met zes plaatsen. Dat werden er al
gauw 12, vervolgens 24 en toen 40. Nu gaan we richting zestig. Met
de eerste adoptieouders werd helemaal volgens de TGV-aanpak gewerkt.
Lopende de rit van de uitbreiding hebben we geconcludeerd dat het
toch om een andere doelgroep ging dan bij pleegzorg. We liepen tegen
andere vragen aan, en toen is de adoptiehulpverlening losgekoppeld
van de TGV" , vertelt Hanneke Driedonks.
"Adoptieouders komen met vragen die vooral te maken hebben de
gedragsproblemen van de kinderen. Zowel thuis als in de schoolsituatie.
Aanvankelijk waren er veel vragen rondom de wat jongere adoptiekinderen.
Nu zie je een tendens dat er veel pubers worden aangemeld. Dat betreft
dan forse problematiek met behoorlijk 'acting out'-gedrag: kinderen
die tussen metro's in surfen, kinderen die in het criminele circuit
bivakkeren."
Reg Hoogesteger vult aan: "Ook is er een toename van aanmeldingen
waarbij het de vraag is of het psychiatrische problematiek betreft
of dat het nog binnen de 'normale' problemen van de identiteitsontwikkeling
valt."
De positie waarin adoptieouders verkeren is een heel andere dan die
van pleegouders.
Hanneke merkt op: "Bij pleegzorg krijg je de hulp er automatisch
bij, meer of minder intensief. Er is altijd iemand die meekijkt en
ook bij kleine vragen daar meteen op in kan spelen. Dat is er niet
in de adoptiewereld en dus moet bij adoptieouders het water tot aan
de lippen gestegen zijn voordat ze hulp gaan halen."
Anders dan bij pleegzorg is het adoptiegezin nog niet bekend bij de
hulpverleners.
"De adoptieouders hebben zo lang getobd dat de behoefte aan ondersteuning
groot is. Je wil hen dan beter leren kennen, maar je wil ook meteen
met de problematiek van het kind aan de gang. Bij pleegzorg ken je
het pleeggezin al. Er is een uitgebreid dossier, er is veel over de
achtergrond bekend. Bij een aanmelding voor adoptiehulpverlening weet
je nog niets van de achtergrond, en je weet niks van het kind.
Dat adoptieouders zich erkend voelen door onze benadering en de vragen
die wij stellen geeft vaak een ontzettende opluchting, ‘eindelijk
iemand die het begrijpt’. Soms moeten ze flink stoom afblazen.
Mensen hebben zich vaak alleen voelen staan", vertelt Hanneke.
"Adoptieouders zijn vaak erg gemotiveerde ouders, die graag hulp
aanvaarden. Soms sta je versteld van wat ouders al bereikt hebben
met heel moeilijke kinderen. Mensen met een adoptiekind hebben heel
veel inzet. Ze willen het goed doen", stelt Reg.
De begeleiding
Meteen na aanmelding wordt de adoptieouders gevraagd enkele vragenlijsten
in te vullen. De intake-medewerker brengt met de adoptieouders en,
indien mogelijk, de jeugdige in kaart wat er in het gezin aan de hand
is en welke hulpvragen er zijn. Vervolgens wordt besloten of de begeleiding
van het adoptieteam aansluit bij wat men nodig heeft. Men probeert
die periode zo kort mogelijk te houden.
Hanneke: "Het betreft vrijwillige hulpverlening. In een beperkte
periode proberen we zoveel mogelijk informatie over het kind te verzamelen.
We willen het kort en krachtig houden, zodat mensen snel zelf de draad
weer kunnen oppakken."
"Bij jongere kinderen is een relatief korte begeleidingsperiode
vaak toereikend. Bij oudere kinderen is de problematiek soms zo heftig
dat we daar langere contacten mee hebben. Soms twee, drie jaar, waarbij
de inzet van andere specialistische hulp nodig is."
Duidelijk in het oog houden wat je wilt bereiken is in de begeleiding
heel belangrijk. Er wordt bepaald welke specifieke aanpak het kind
nodig heeft en welke mogelijkheden de ouders daartoe hebben. Daarover
worden afspraken gemaakt, er wordt geoefend en steeds gekeken of er
voortgang is.
Een belangrijk moment vormt de 'ontwikkelingsbespreking'. De eerste
vindt plaats na drie maanden en daarna ieder half jaar. De adoptieouders
en, als dat kan, hun kind zitten dan rond de tafel met de adoptiewerker,
de behandelcoördinator en iemand die de vergadering leidt, om
te bezien in hoeverre de doelen gerealiseerd zijn. Reg Hoogesteger
constateert dat ouders de ontwikkelingsbespreking als een ‘officieel
moment’ ervaren en er grote waarde aan hechten. "Het kost
ze een halve vrije dag, maar ze hebben het er graag voor over."
Een behandelcoördinator, werkbegeleider, zeven maatschappelijk
werkers en een gz-psycholoog maken deel uit van het adoptieteam. Daarnaast
is er op consultbasis een psychiater aan het team verbonden.
Omdat dikwijls sprake is van hechtingsproblemen maken de adoptiewerkers
gebruik van video interactie begeleiding, waarmee hechtingsproblemen
in relatief korte tijd te verbeteren zijn. Ook wordt samengewerkt
met andere binnen de provincie aanwezige specialismen zoals speltherapie,
gesprekstherapie (RIAGG), psychomotore therapie en sociale vaardigheidstraining.
Van elkaar leren
Mogelijk kunnen de werelden van pleegzorg en adoptie iets van elkaar
leren. Hanneke Driedonks daarover: "Er zijn veel parallellen.
We hebben nu het gevoel dat de adoptiewereld meer van de pleegzorg
kan leren dan omgekeerd. In de adoptie komt de laatste jaren nadrukkelijker
de adoptiedriehoek ter sprake: het geadopteerde kind, de adoptieouders,
maar ook de rol van de biologische afstandsmoeder".
Bij pleegzorg hebben de geboorteouders een vanzelfsprekende plaats
in de hulpverlening. Daaraan wordt in de voorbereidingscursussen nadrukkelijk
aandacht besteed. Bij adoptieouders hebben de herkomst van het kind,
de geboorteouders, het land en de cultuur niet altijd een vanzelfsprekende
plek in de opvoeding.
"Per gezin kan dat wisselen. Bij de één is die
achtergrond van het kind wel degelijk aanwezig in de vorm van een
landkaart of een fotootje of een geboortebewijs. Dat mag er dan zijn.
Terwijl dat bij anderen wordt weggedacht, want - zo is de redenatie
- het zijn nu je 'eigen' kinderen. Er zijn adoptieouders die een pikzwart
kind ‘Jan-Willem’ noemen en absoluut niets van zijn achtergrond
integreren in de opvoeding. Anderen laten het kind juist nadrukkelijk
zijn eigen naam behouden en vieren zowel de dag van de verjaardag
als de dag van de aankomst."
Er is veel wetenschappelijk onderzoek naar adoptie gedaan. Daarvan
kan ook de pleegzorg goed gebruik maken. In de contacten die er over
en weer zijn, is de blik naar elkaar gericht. Men is op zoek naar
wat er van elkaar te leren valt.
Veranderingen
Binnen de adoptiewereld moet de houding ten opzichte van hulpverlening
veranderen. Deels is dat al gaande. "In de voorbereidingscursus
voor aspirant-adoptiefouders van Bureau VIA is nu meer aandacht voor
mogelijke problemen en het stimuleren tot vroegtijdig om hulp vragen.
Vroeger voelden ouders het als falen, nu wordt het inroepen van hulp
meer gezien als een manier van zorgvuldig en verantwoord met je kind
omgaan."
Ook de preventie van problemen verdient meer aandacht. Vanuit Bureau
VIA wordt een goed begin gemaakt door een aanbod te doen voor video
interactie begeleiding, meteen bij de start van de adoptie. Gebleken
is dat met dat middel het hechtingsproces ondersteund en bevorderd
kan worden.
Een adoptieteam zoals dat in Rotterdam bestaat nog maar in enkele
regio's. De ervaring leert dat ermee in een behoefte wordt voorzien.
In elke provincie zou een dergelijke vorm van adoptiehulpverlening
aanwezig moeten zijn.
Hanneke Driedonks stelt tenslotte: "De algemene erkenning dat
het bij adoptie gaat om kinderen die 'extra's' nodig hebben, zou moeten
leiden tot meer aandacht van bijvoorbeeld consultatiebureaus, maar
ook binnen het onderwijs".
Een voorbeeld
Roberto is 13 als zijn adoptieouders bij het team in Rotterdam
aankloppen voor hulp. Ze hebben het gevoel dat ze zo langzamerhand
de greep op zijn ontwikkeling geheel verliezen. Als de maatschappelijk
werker zich samen met hen verdiept in de ontwikkelingsgeschiedenis
van Roberto, blijkt dat al in groep drie van de basisschool
gemeld werd dat er problemen waren in de klas. Hij vroeg veel
aandacht en liet zich door de leerkracht maar moeilijk corrigeren.
Acht jaar lang deden de ouders van alles om de problemen het
hoofd te bieden. Nu weten ze niet meer hoe het verder moet.
Dat was voor hen de reden om hulp van buitenaf in te roepen.1
TGV: Therapeutische Gezinsverpleging, een intensieve vorm
van pleegzorg voor pleegkinderen die extra zorg nodig hebben.
|