artikel uit Mobiel 5, oktober/november 2001

thema: Adoptie en pleegzorg: raakvlakken en verschillen

Hulpverlening bij adoptie moet 'gewoner' worden

Door: Siemen Spinder

Hanneke Driedonks, senior maatschappelijk werkster, en Reg Hoogesteger, maatschappelijk werker, werken in het adoptieteam Rotterdam. Op basis van een interview met hen werden niet alleen een aantal verschillen en overeenkomsten tussen adoptie en pleegzorg opgetekend, maar ook ontwikkelingen binnen de adoptiewereld.

De start van adoptiehulpverlening

Er bestaan wezenlijke verschillen tussen adoptie en pleegzorg. Wie op zoek gaat naar overeenkomsten en verschillen probeert misschien wel appels met peren te vergelijken. Adoptie is primair een middel tot gezinsvorming, terwijl pleegzorg een vorm van jeugdhulpverlening is. Adoptie was en is niet vanzelfsprekend gekoppeld aan hulpverlening.
Bij adoptie eindigt de bemoeienis van instanties als de adoptie een feit is. Bij een pleegzorgplaatsing lopen de contacten met de Voorziening voor Pleegzorg logischerwijs door. Ondanks dat het overgrote deel van de adopties zonder problemen verloopt, is zo langzamerhand algemeen bekend dat de ontwikkeling van adoptiekinderen zich niet altijd rimpelloos voltrekt. Adoptieouders die hulp zochten kwamen veelal bedrogen uit. Passende ondersteuning was moeilijk te vinden.
In de adoptiewereld werd dat als een lacune ervaren. Begin jaren negentig is daarom een onderzoek opgezet om na te gaan in hoeverre de Therapeutische GezinsVerplegingsmethodiek (TGV-methodiek1) van hulpverlening geschikt was als aanbod voor adoptieouders. Het onderzoek, waaraan TGV's uit Noord-Brabant, Rotterdam en Leiden deelnamen, werd positief afgesloten met aanbevelingen om deze vorm van hulpverlening ook aan adoptieouders aan te bieden.
In de tweede helft van de jaren negentig kwam voor het eerst subsidie beschikbaar die het mogelijk maakte om in een beperkt aantal regio's de adoptiehulpverlening op gang te brengen.

Een andere doelgroep

"In Rotterdam werd gestart met zes plaatsen. Dat werden er al gauw 12, vervolgens 24 en toen 40. Nu gaan we richting zestig. Met de eerste adoptieouders werd helemaal volgens de TGV-aanpak gewerkt. Lopende de rit van de uitbreiding hebben we geconcludeerd dat het toch om een andere doelgroep ging dan bij pleegzorg. We liepen tegen andere vragen aan, en toen is de adoptiehulpverlening losgekoppeld van de TGV" , vertelt Hanneke Driedonks.
"Adoptieouders komen met vragen die vooral te maken hebben de gedragsproblemen van de kinderen. Zowel thuis als in de schoolsituatie. Aanvankelijk waren er veel vragen rondom de wat jongere adoptiekinderen. Nu zie je een tendens dat er veel pubers worden aangemeld. Dat betreft dan forse problematiek met behoorlijk 'acting out'-gedrag: kinderen die tussen metro's in surfen, kinderen die in het criminele circuit bivakkeren."
Reg Hoogesteger vult aan: "Ook is er een toename van aanmeldingen waarbij het de vraag is of het psychiatrische problematiek betreft of dat het nog binnen de 'normale' problemen van de identiteitsontwikkeling valt."

De positie waarin adoptieouders verkeren is een heel andere dan die van pleegouders.
Hanneke merkt op: "Bij pleegzorg krijg je de hulp er automatisch bij, meer of minder intensief. Er is altijd iemand die meekijkt en ook bij kleine vragen daar meteen op in kan spelen. Dat is er niet in de adoptiewereld en dus moet bij adoptieouders het water tot aan de lippen gestegen zijn voordat ze hulp gaan halen."
Anders dan bij pleegzorg is het adoptiegezin nog niet bekend bij de hulpverleners.
"De adoptieouders hebben zo lang getobd dat de behoefte aan ondersteuning groot is. Je wil hen dan beter leren kennen, maar je wil ook meteen met de problematiek van het kind aan de gang. Bij pleegzorg ken je het pleeggezin al. Er is een uitgebreid dossier, er is veel over de achtergrond bekend. Bij een aanmelding voor adoptiehulpverlening weet je nog niets van de achtergrond, en je weet niks van het kind.
Dat adoptieouders zich erkend voelen door onze benadering en de vragen die wij stellen geeft vaak een ontzettende opluchting, ‘eindelijk iemand die het begrijpt’. Soms moeten ze flink stoom afblazen. Mensen hebben zich vaak alleen voelen staan", vertelt Hanneke.
"Adoptieouders zijn vaak erg gemotiveerde ouders, die graag hulp aanvaarden. Soms sta je versteld van wat ouders al bereikt hebben met heel moeilijke kinderen. Mensen met een adoptiekind hebben heel veel inzet. Ze willen het goed doen", stelt Reg.

De begeleiding

Meteen na aanmelding wordt de adoptieouders gevraagd enkele vragenlijsten in te vullen. De intake-medewerker brengt met de adoptieouders en, indien mogelijk, de jeugdige in kaart wat er in het gezin aan de hand is en welke hulpvragen er zijn. Vervolgens wordt besloten of de begeleiding van het adoptieteam aansluit bij wat men nodig heeft. Men probeert die periode zo kort mogelijk te houden.
Hanneke: "Het betreft vrijwillige hulpverlening. In een beperkte periode proberen we zoveel mogelijk informatie over het kind te verzamelen. We willen het kort en krachtig houden, zodat mensen snel zelf de draad weer kunnen oppakken."
"Bij jongere kinderen is een relatief korte begeleidingsperiode vaak toereikend. Bij oudere kinderen is de problematiek soms zo heftig dat we daar langere contacten mee hebben. Soms twee, drie jaar, waarbij de inzet van andere specialistische hulp nodig is."
Duidelijk in het oog houden wat je wilt bereiken is in de begeleiding heel belangrijk. Er wordt bepaald welke specifieke aanpak het kind nodig heeft en welke mogelijkheden de ouders daartoe hebben. Daarover worden afspraken gemaakt, er wordt geoefend en steeds gekeken of er voortgang is.

Een belangrijk moment vormt de 'ontwikkelingsbespreking'. De eerste vindt plaats na drie maanden en daarna ieder half jaar. De adoptieouders en, als dat kan, hun kind zitten dan rond de tafel met de adoptiewerker, de behandelcoördinator en iemand die de vergadering leidt, om te bezien in hoeverre de doelen gerealiseerd zijn. Reg Hoogesteger constateert dat ouders de ontwikkelingsbespreking als een ‘officieel moment’ ervaren en er grote waarde aan hechten. "Het kost ze een halve vrije dag, maar ze hebben het er graag voor over."
Een behandelcoördinator, werkbegeleider, zeven maatschappelijk werkers en een gz-psycholoog maken deel uit van het adoptieteam. Daarnaast is er op consultbasis een psychiater aan het team verbonden.
Omdat dikwijls sprake is van hechtingsproblemen maken de adoptiewerkers gebruik van video interactie begeleiding, waarmee hechtingsproblemen in relatief korte tijd te verbeteren zijn. Ook wordt samengewerkt met andere binnen de provincie aanwezige specialismen zoals speltherapie, gesprekstherapie (RIAGG), psychomotore therapie en sociale vaardigheidstraining.

Van elkaar leren

Mogelijk kunnen de werelden van pleegzorg en adoptie iets van elkaar leren. Hanneke Driedonks daarover: "Er zijn veel parallellen. We hebben nu het gevoel dat de adoptiewereld meer van de pleegzorg kan leren dan omgekeerd. In de adoptie komt de laatste jaren nadrukkelijker de adoptiedriehoek ter sprake: het geadopteerde kind, de adoptieouders, maar ook de rol van de biologische afstandsmoeder".
Bij pleegzorg hebben de geboorteouders een vanzelfsprekende plaats in de hulpverlening. Daaraan wordt in de voorbereidingscursussen nadrukkelijk aandacht besteed. Bij adoptieouders hebben de herkomst van het kind, de geboorteouders, het land en de cultuur niet altijd een vanzelfsprekende plek in de opvoeding.
"Per gezin kan dat wisselen. Bij de één is die achtergrond van het kind wel degelijk aanwezig in de vorm van een landkaart of een fotootje of een geboortebewijs. Dat mag er dan zijn. Terwijl dat bij anderen wordt weggedacht, want - zo is de redenatie - het zijn nu je 'eigen' kinderen. Er zijn adoptieouders die een pikzwart kind ‘Jan-Willem’ noemen en absoluut niets van zijn achtergrond integreren in de opvoeding. Anderen laten het kind juist nadrukkelijk zijn eigen naam behouden en vieren zowel de dag van de verjaardag als de dag van de aankomst."

Er is veel wetenschappelijk onderzoek naar adoptie gedaan. Daarvan kan ook de pleegzorg goed gebruik maken. In de contacten die er over en weer zijn, is de blik naar elkaar gericht. Men is op zoek naar wat er van elkaar te leren valt.

Veranderingen

Binnen de adoptiewereld moet de houding ten opzichte van hulpverlening veranderen. Deels is dat al gaande. "In de voorbereidingscursus voor aspirant-adoptiefouders van Bureau VIA is nu meer aandacht voor mogelijke problemen en het stimuleren tot vroegtijdig om hulp vragen. Vroeger voelden ouders het als falen, nu wordt het inroepen van hulp meer gezien als een manier van zorgvuldig en verantwoord met je kind omgaan."
Ook de preventie van problemen verdient meer aandacht. Vanuit Bureau VIA wordt een goed begin gemaakt door een aanbod te doen voor video interactie begeleiding, meteen bij de start van de adoptie. Gebleken is dat met dat middel het hechtingsproces ondersteund en bevorderd kan worden.

Een adoptieteam zoals dat in Rotterdam bestaat nog maar in enkele regio's. De ervaring leert dat ermee in een behoefte wordt voorzien. In elke provincie zou een dergelijke vorm van adoptiehulpverlening aanwezig moeten zijn.
Hanneke Driedonks stelt tenslotte: "De algemene erkenning dat het bij adoptie gaat om kinderen die 'extra's' nodig hebben, zou moeten leiden tot meer aandacht van bijvoorbeeld consultatiebureaus, maar ook binnen het onderwijs".


Een voorbeeld

Roberto is 13 als zijn adoptieouders bij het team in Rotterdam aankloppen voor hulp. Ze hebben het gevoel dat ze zo langzamerhand de greep op zijn ontwikkeling geheel verliezen. Als de maatschappelijk werker zich samen met hen verdiept in de ontwikkelingsgeschiedenis van Roberto, blijkt dat al in groep drie van de basisschool gemeld werd dat er problemen waren in de klas. Hij vroeg veel aandacht en liet zich door de leerkracht maar moeilijk corrigeren. Acht jaar lang deden de ouders van alles om de problemen het hoofd te bieden. Nu weten ze niet meer hoe het verder moet. Dat was voor hen de reden om hulp van buitenaf in te roepen.1 TGV: Therapeutische Gezinsverpleging, een intensieve vorm van pleegzorg voor pleegkinderen die extra zorg nodig hebben.