artikel uit Mobiel 4, augustus/september 2001

Terugblik van een volwassen pleegkind

thema: Pleegkinderen van ouders met psychiatrische problemen

Door: Kees Vreeburg

Sandra is 22 jaar. Toen ze tien was, besloot het Riagg dat Sandra’s moeder niet meer voor haar en haar jongere zusje kon zorgen. Ze werden in twee verschillende pleeggezinnen geplaatst. Sandra woonde bijna twee jaar bij Cor en Melissa. Nu, 10 jaar later, kijken Sandra en Cor samen terug op de plaatsing.

Sandra: "Mijn ouders waren gescheiden en mijn zusje en ik woonden bij mijn moeder. Ze was geestelijk niet goed. Ze was psychotisch en af en toe schizofreen. Ze was al een aantal keer opgenomen geweest in een psychiatrische inrichting, dan woonden mijn zusje en ik even bij onze opa en oma. En als mijn moeder dan weer thuiskwam, mochten wij ook weer terug."
"Op een bepaald moment moesten we van het Riagg naar een pleeggezin. Daarover is niet overlegd. Op dezelfde dag dat mijn moeder werd opgehaald, moesten wij weg. Nu zou dat niet meer kunnen, en gebeurt dat alleen vrijwillig."

Onmacht

"Mijn zusje en ik begrepen wel dat het niet goed zat met onze moeder. Maar ik was ook veel bezig met mijn zusje met wie ik veel overhoop lag. Mijn moeder deed wel altijd erg haar best. Ze probeerde zo normaal mogelijk te doen. Ze ging op stap met ons en dat soort dingen. Ze kon er niets aan doen. `s Zomers was het altijd erger dan `s winters. Dat weet ik nog wel. Er was veel onmacht. Mijn moeder voelde zich vaak hopeloos. Wij wilden gewoon kind zijn en eisten aandacht op. Mijn moeder kon dat niet waarmaken. Nu zegt ze weleens: ‘Sorry, dat ik niet een echte moeder kon zijn’. Als kind kon je dat niet begrijpen."

"Mijn vader is indertijd met deze situatie geconfronteerd. Hij hoorde pas na een dag dat wij in een pleeggezin geplaatst waren. Met hem is ook niet overlegd. Best gek, achteraf. Nu praat ik veel met hem daarover. Ik wil weten hoe het precies gegaan is. Hij heeft niet ingegrepen in de situatie. Hij heeft het geaccepteerd. Hij vertelde dat hij de opvoeding wel had willen doen, maar dan zijn baan had moeten opgeven of minder had moeten gaan werken, en dat kon hij zich niet veroorloven. Hij ging dus eigenlijk wel akkoord, maar had bij de beslissing betrokken willen worden."
"Zo begrijp ik nog steeds niet waarom wij na de scheiding van mijn ouders aan mijn moeder zijn toegewezen, terwijl ze psy-chisch niet in orde was. We hadden naar mijn vader moeten gaan."
"De bezoekregeling na de uithuisplaatsing was heel intensief. We gingen elk weekend en hadden het er erg leuk."

Angst

"Bij jullie in het gezin heb ik een fijne tijd gehad. Ik heb jullie echt als mijn ouders beschouwd. Mijn vader heb ik nooit zo als mijn vader gezien. Ik had niet zoveel met hem. Bij jullie was er regelmaat. We aten op tijd, mijn vriendin kon op bezoek komen en ik kon naar mijn eigen school blijven gaan. Toen ik in een pleeggezin ging wonen was niet duidelijk hoelang ik daar zou blijven. Dat heeft mij waarschijnlijk wel beziggehouden, maar dat weet ik nu niet meer."
"Terwijl ik bij jullie woonde ging ik niet zo vaak op bezoek bij mijn moeder in de inrichting. Wel later, toen ze weer naar huis terugging. Achteraf had ik meer contact met haar moeten hebben, vind ik. Ze gaf om ons.
Het was wel steeds duidelijk dat we terug zouden gaan, maar dat moest voorzichtig opgebouwd worden. Eerst ging mijn zusje terug naar huis en toen ik. Mijn moeder was huiverig voor onze terugkeer en ik was ook niet blij om te gaan. Eerst een dagje, dan een weekendje. Er was ook angst om elkaar voorgoed kwijt te raken. De angst voor mislukking."

Cor: "Wij zagen dat ook wel in. Maar hadden het gevoel dat je toch terug moest. Voor ons was het weleens lastig dat jij, zoals alle 12-jarigen, van alles wilde hebben. En, dat als je het bij ons niet kreeg, je het gewoon bij je moeder ging halen. Je moeder gaf het dan, want ze wilde haar best doen. We hebben tegen elkaar gezegd dat we voorlopig geen pleegkind meer namen, zodat jij bij ons terug kon komen als het niet goed zou gaan thuis. Want het was natuurlijk toch een gok, die terugplaatsing."

Sandra: "Ik wist dat niet. Ik weet niet zo veel meer van de terugplaatsing. Het was het laatste jaar van de basisschool. Tijdens de eindmusical woonde ik alweer thuis. Ik weet alleen dat ik niet naar huis wilde. Ik voelde het als een soort afwijzing. Zo van, ‘en nu ga je weer terug’. Ik vond dat heel erg, terwijl ik wel wist dat het moest. Ik had liever bij jullie willen blijven wonen, of bij mijn vader, met mijn moeder op afstand. Maar als kind heb je er niks over te zeggen. Ik had veel problemen op school. De omstandigheden thuis waren slecht, ook al viel het de eerste tijd na de terugplaatsing wel mee. Ik had heel goed de HAVO kunnen doen, maar bleef zitten."

Cor: "Dat je zo opzag tegen je terugkeer naar huis dat wisten wij niet. Je moeder wilde het graag. De intentie was goed. Er is nog geprobeerd haar te ondersteunen bij de opvoeding met een video-hometrainer die regelmatig kwam. Het idee was dat ze wel voor haar kinderen wilde zorgen, maar het niet zo goed kon."

Schuldgevoel

Sandra: "In het begin ging het redelijk goed. Ze deed haar best voor ons. Later werd ze agressief en ging het slechter. Ik zat in de pubertijd. Ik werd sterker. Zij bleef wel de baas, maar ze huilde veel. Ik had aandacht nodig en begrip, maar zij ook. Vriendinnen konden niet meer thuiskomen. Ik kreeg destijds wel hulp van het maatschappelijk werk, maar daar kun je alleen maar dingen aan vertellen. Op m’n zestiende ben ik naar mijn vader gegaan. Na een slaande ruzie met mijn moeder. Mijn zusje was twee jaar eerder al naar hem gegaan. Ik was dus als laatste thuis en dat was moeilijk. Ook om de beslissing te nemen om weg te gaan en haar in de steek te laten. Mijn vader nam geen initiatieven. Hij hield zich erbuiten, maar ving ons wel op.

Mijn moeder begon zich te verwaarlozen. Waste zich nauwelijks, knipte haar haren niet, dat soort dingen. Ik voelde me heel schuldig. Ik had daar veel last van. Eigenlijk moest ze opgenomen worden. Maar dat wilde ze niet. Ik moest voor haar zorgen. Ze huilde veel. Vreselijk was dat."
"Bij mijn vader ging het een tijdlang goed. Totdat ik ook met hem ruzie kreeg: ik had een vriendje en daar was hij het niet mee eens. Op een gegeven moment moest ik het huis uit van hem. Ik voelde me flink afgewezen. Toen ben ik op mezelf gaan wonen."

Redelijk goed

"Mijn moeder hebben we op een bepaald moment zover gekregen dat ze beschermd is gaan wonen. Dat gaat nu al zo’n tweeëneenhalf jaar goed. Ze heeft medicijnen en ik kan redelijk goed met haar praten. Ze klaagt niet zoveel meer en lijkt tamelijk tevreden. Achteraf lijkt het een vrij goed afgeronde situatie, maar ik heb er bij tijd en wijle toch veel last van."
Cor: "Ons idee, en dat van onze begeleiders, was indertijd dat je een kind de gelegenheid moet geven om z’n ouders te leren kennen, ook al is er wat mee aan de hand. Al is dit wel heftig. Een kind weghouden van haar moeder die zo graag voor haar wil zorgen, dat is een beslissing die je niet zo-maar neemt. Tegelijkertijd moet je het kind beschermen. Daar zit ’m de moeilijkheid."
Sandra: "Ik vind dat een kind kind moet kunnen zijn en dat is bij mij niet het geval geweest."