artikel uit Mobiel 4, augustus/september 2001

Als je ouders 'in de war' zijn en blijven

thema: Pleegkinderen van ouders met psychiatrische problemen

Door: Marius Nabuurs, projectleider bijzondere pleegzorgprojecten

De Voorziening voor Pleegzorg in Zuidoost-Brabant heeft in samenwerking met de afdeling Preventie van de GGZ een programma voor een doe-praatgroep ontwikkeld voor kinderen die te maken hebben met een ouder met psychiatrische en/of verslavingsproblematiek (kortweg KOPP-kinderen genoemd). Deze praatgroep is erop gericht de risico’s te verminderen dat pleegkinderen zelf psychische problemen ontwikkelen als gevolg van de problemen van hun ouders. De afgelopen twee jaar hebben twee doe-praatgroepen voor KOPP-kinderen gedraaid en Marius Nabuurs vertelt over zijn ervaringen.

In Zuidoost-Brabant hebben twee doe-praatgroepen voor KOPP-kinderen gedraaid. De eerste groep bestond uit zes meiden in de leeftijd van 13 tot 17 jaar. In de tweede groep hebben twee jongens en drie meiden meegedaan, in de leeftijd van 11 tot 14 jaar.
De groepen worden samengesteld aan de hand van de leeftijd en de ontwikkelingsstaat van de pleegkinderen. Belangrijk is dat het pleegkind baat kan hebben bij deelname aan de groep. Als het kind al zoveel schade heeft opgelopen, ernstige gedrags- en emotionele problemen heeft en/of de situatie waarin het kind nu verblijft onvoldoende veiligheid en openheid biedt, dan is een andere vorm van hulpverlening zinvoller.

Start en informatie-uitwisseling

Een intakegesprek met pleegkind en pleegouders, met als doel wederzijdse kennismaking en informatie-uitwisseling, gaat vooraf aan de start van de doe-praatgroep. Ouders, voogden en gezinsvoogden zijn eveneens geinformeerd en dienen toestemming voor deelname te geven. Er werden drie bijeenkomsten voor de vaste pleegzorgwerker van de pleeggezinnen gehouden om hen te informeren over de inhoud en het verloop van de bijeenkomsten en over het gedrag en de ontwikkeling van het pleegkind in de groep. Na afloop worden de bevindingen en specifieke doelen voor het individuele pleegkind en -gezin doorgesproken met de pleegzorgwerker, de pleegouders en het pleegkind. Die bevindingen worden in een verslag beschreven. Ook is er extra aandacht voor de pleegouders. Voor hen zijn er drie groepsbijeenkomsten van 2,5 uur. Daarin komen de volgende onderwerpen aan bod:

  • informeren over de inhoud en de voortgang van de doe-praatgroep;
  • inzicht in de psychiatrische en/of verslavingsproblematiek van de ouder;
  • erfelijkheid;
  • begeleiding van het kind;
  • uitleggen van de problematiek van de ouder aan het pleegkind;
  • extra aandacht voor netwerkpleegouders.

Inhoud

In twaalf bijeenkomsten wordt ingegaan op een aantal thema’s zoals: kennismaking, ziek zijn, gevoelens (algemeen/specifiek), gezin van herkomst en pleeggezin, sociaal netwerk, omgaan met reacties uit de omgeving, afscheid.
De avonden zijn volgens een vast stramien opgebouwd, zodat de kinderen weten wat ze zo ongeveer kunnen verwachten. De bijeenkomsten worden begonnen met limonade en koek waarna het ‘weerbericht’ wordt gedaan. Dit houdt in dat aan de hand van pictogrammen van het weer de kinderen en de begeleiders iets vertellen over hoe het met hen gaat. De pictogrammen variëren van volledige zonneschijn tot onweer. Voor de kinderen biedt dit meteen een gelegenheid om in de groep iets over zichzelf te vertellen. In de loop van de bijeenkomsten wordt er door de deelnemers meer op doorgevraagd. Leuk was het om te merken dat de eerste groep op een gegeven moment het pictogram ‘mist’ toevoegde aan de keuzemogelijkheden. Mist stond daarbij voor: "ik weet het niet" of "ik wil niets zeggen".
Na het weerbericht wordt middels verschillende werkvormen (video, knutselen, groepsgesprek of een rollenspel) een thema uitgewerkt. Iedere avond wordt afgesloten met een korte evaluatie en ontspanning (een activiteit buiten of in de gymzaal).

Ervaringen

Naar aanleiding van reacties uit de eerste groep, zijn de bijeenkomsten van de tweede groep om de veertien dagen gepland. De eerste groep had 12 opeenvolgende bijeenkomsten. Tevens is er bij de tweede groep halverwege de avond een ontspanningsmoment ingebouwd.
In de loop van het programma zien we dat de kinderen steeds meer een hechte groep gaan vormen waarbinnen ze elkaar durven te bevragen en tips geven over hoe zij met bepaalde problemen, betrekking hebbend op een bepaald thema, omgaan. Bijvoorbeeld gepest worden omdat je in een pleeggezin woont omdat je vader of moeder psychiatrisch ziek of verslaafd is. De kinderen bepalen samen hoe ze het ziek zijn van hun vader of moeder tijdens de groepen zullen benoemen. Bij beide groepen kwamen ze tot de afspraak om te praten over mijn vader of moeder is ‘in de war’.
Bijna na iedere bijeenkomst krijgen de kinderen voor een volgende bijeenkomst huiswerk mee naar huis. Bijvoorbeeld het afmaken van een verhaal; het verzamelen van afbeeldingen waar gevoelens op uitgedrukt worden; het maken van een sociogram, enz.
De laatste bijeenkomst wordt twee maanden later gehouden. Daarin wordt teruggekeken op de hele doe- en praatgroep. De kinderen krijgen dan ook een certificaat voor deelname uitgereikt.

Informatiebrochures

Naast de doe- en praatgroep voor pleegkinderen werkt de VVP ZO-Brabant ook aan deskundigheidsbevordering over psychiatrische en/of verslavingsproblematiek. Er zijn informatiebrochures ontwikkeld voor respectievelijk pleegkinderen, pleegouders en hulpverleners. Aan een informatiebrochure voor ouders wordt nog gewerkt.

Met dank aan: Frederiek van Kuijk, behandelcoördinator, Centrum voor Pleegzorg Zuidoost-Brabant
Voor nadere informatie kunt u bellen naar tel. 040-2395252.