artikel uit Mobiel 4, augustus/september 2001

Briefwisseling

Door: Michelle en Bert

Geduld

Bert,

ik wil nog even terugkomen op een opmerking die jij een poosje geleden in Mobiel maakte over dat pleegzorg iets is van een lange adem. Dat een half jaar niet veel is. Vooral niet bij pleegkinderen. Het lijkt nu allemaal te kloppen. Maar dat moet je als verse pleegouder dus wel eerst zelf ondervinden. We hadden laatst een koffie/borrel/doorzakavond met enkele andere pleegouders, met wie we STAP hebben gevolgd.
Onbetaalbare contacten zijn dat. We luisteren naar elkaar, snappen en helpen elkaar. Het is wel een beetje dat de lamme de blinde leidt, want we zijn allemaal groentjes. De onderlinge steun helpt ons om alles in de juiste proporties te zien. Ik zou niet zonder zou kunnen. Door de voorbereidingsavonden kennen deze mensen mij ook beter dan sommigen van onze vrienden: je moet jezelf echt helemaal geven in de cursus. Vrienden willen onze zorgen en specifieke problemen met pleegkinderen nog wel eens afdoen met zoiets als: "Ja, maar je hebt er toch zelf voor gekozen". Alsof dat het gemakkelijker maakt.
Want ik snap nu waarom ik mijn rol als pleegmoeder zo enorm en onvoorbereid heftig vind. En dat is iets wat ik ook bij andere pleegmoeders ook proef. Een paar maanden is niets, dat ben ik heus met je eens. Maar het zijn wel hele lange maanden om als gezin uit balans te zijn. Ik weet nog heel goed hoe relatief gemakkelijk het leven was zonder pleegkind.
Ondanks alle voorbereidingen vragen we ons soms af waar we aan begonnen zijn. En of we nog wel verder willen en kunnen. Wat denk je? Vlakt dat gevoel af na de zoveelste plaatsing of leren we er in de loop van de tijd beter mee omgaan?

Michelle
Hallo Michelle,

Een half jaar is kort om iets fundamenteels van de grond te krijgen, maar lang als het om ellende gaat. Dat moet je jezelf en elkaar dus niet aandoen. Als er na een paar maanden weinig hoop is, moet je durven stoppen. Laat je eigen gevoel daarover niet versluieren door de opinie van anderen of door je eigen ‘ heilige moeten’. Ook voor het kind in kwestie is het beter niet eindeloos door te ploeteren tegen beter weten in. Laatst sprak ik een meisje dat in verschillende pleeggezinnen had gewoond: "Ik werd gek van de goedbedoelende pleegouders, die hun uiterste best deden om met mijn vreemde gedrag om te gaan. Ze verstikten me met hun eindeloze bereidheid, opofferingsgezindheid en verborgen teleurstelling. Wat was ik blij toen ik weer gewoon in een internaat mocht wonen. Ik had het er heerlijk met die nuchtere groepsleiding; mensen die goed voor me waren en na een aantal uren weer naar hun eigen gezin gingen. Ik heb nog steeds contact met hen en het gaat goed met mij."
Ik versta deze verzuchting als een oproep om goed aan te voelen wanneer de grens bereikt is. Dat is gelukkig een volstrekt subjectieve afweging: voor het ene gezin kan het betekenen dat ze kappen met pleegzorg; het andere blijft beschikbaar als vakantiegezin; het derde wil alleen dat ene kind nooit meer zien, maar staat open voor een volgende plaatsing; en weer een ander gezin zal eindeloos doorgaan met hetzelfde kind zonder dat hen dit leegzuigt.
Het genot van menselijke relaties is dat daar altijd onverwachte dingen bij voorkomen: bij pleegzorg dus ook. In die zin blijf je altijd een ‘groentje’. Als je geluk hebt ervaar je dat op den duur als een gegeven en niet meer als een bedreiging. Tijd, leeftijd, pleegzorg- en levenservaring hebben invloed op het omgaan met je eigen beperkingen en verwachtingen. De kracht van je kunnen zit vaak in het besef van je beperkingen. Aanvaard de ‘opdracht’ die in een bepaalde fase bij je past en de grens die daar bij hoort! Misschien is vrede hebben met je beperkingen, berusten in je onmacht, wel een prima basis om pleegzorg te bedrijven.

Bert