BEGIN JULI PROMOVEERDE GEZONDHEIDSZORGPSYCHOLOOG PETRA BASTIAENSEN
NA ACHT JAAR ONDERZOEK OP BELASTE PLEEGOUDERS EN VERSCHEURDE KINDEREN?1
IN HAAR PROEFSCHRIFT PRIKT ZIJ 'MYTHEN' UIT PLEEGZORGLAND DOOR EN
DOET ZIJ EEN AANTAL VERRASSENDE AANBEVELINGEN. MET NAME ÉÉN
DAARVAN IS ONMIDDELLIJK DOOR DE MEDIA OPGEPIKT: PLEEGOUDERS MOETEN
BETAALD WORDEN! "STOND ER INEENS EEN FILMPLOEG VAN RTL OP DE
STOEP, MET DE VRAAG DIT STANDPUNT TOE TE LICHTEN", ZEGT BASTIAENSEN
NOG STEEDS EEN BEETJE VERBAASD.
Toch benadrukt Bastiaensen dat de aandacht van de media zeker niet
ongelegen komt. In haar gezellige woonkeuken in Zundert legt zij uit
waarom: "De pleegzorg is in Nederland toch altijd een beetje
een ondergeschoven kindje geweest. Longitudinaal wetenschappelijk
onderzoek wordt maar mondjesmaat verricht, systematische hulpverlening
komt onvoldoende van de grond en financiële middelen om de pleegzorg
meer te professionaliseren ontbreken. Bijgevolg heeft het pleegouderschap
een lage status. Als je op een feestje vertelt dat je pleegouder bent,
word je meewarig aangekeken. Mensen vragen zich af waarom je in 's
hemelsnaam een pleegkind in huis zou nemen: het pleegouderschap wordt
gezien als een zware taak, waar nauwelijks iets tegenover staat."
Een zware taak is het inderdaad, weet Bastiaensen uit ervaring. "Voordat
mijn partner en ik zelf kinderen kregen, hebben we een tijdlang een
weekend in de maand een pleegkind met ADHD (Attention Deficit Hyperactivity
Disorder, een aandachtsstoornis in combinatie met hyperactiviteit)
in huis gehad. Na zo'n weekeinde waren we telkens gevloerd; het was
zó intensief. Ik vroeg me af hoe andere pleegouders - die een
kind meestal zeven dagen in de week hebben - de zorg voor pleegkinderen
ervaren. Langzamerhand groeide toen het idee om onderzoek te doen
naar de beleving van het pleegouderschap door pleegouders, pleegkinderen
en begeleiders van de pleegouders. Toen ik ook van de universiteit
het groene licht kreeg, kon mijn onderzoek in 1993 van start gaan."
Bastiaensen vond 121 pleeggezinnen bereid om mee te werken aan het
onderzoek. In alle gezinnen was net een nieuw pleegkind geplaatst
in de leeftijd tussen de acht en twaalf jaar. Drie jaar lang werden
de gezinnen gevolgd. Elk jaar kregen zij eenmaal een gestandaardiseerde
vragenlijst voorgelegd. Aan de hand van de teruggekomen vragenlijsten
kon Bastiaensen zien hoe de verhoudingen in het gezin en tussen gezin
en begeleiding zich ontwikkelden.
Pleegouders: zwaar belast
Die verhoudingen ontwikkelden zich deels anders dan verwacht. Zo
ontdekte Bastiaensen dat pleegouders een toenemende gezinsbelasting
ervaren, naarmate het kind meer gedragsproblemen vertoont. Opvallend
is dat die belasting met het verstrijken der jaren niet afneemt. Integendeel
zelfs. Bastiaensen: "Het blijkt dat pleegouders zich na drie
jaar zelfs nog zwaarder belast voelen dan net na de plaatsing! Een
verklaring is waarschijnlijk gelegen in het feit dat het gedrag van
veel pleegkinderen niet echt verandert in de eerste drie jaar. Ze
zijn vaak moeilijk en ze blijven moeilijk. Bovendien houden veel pleegkinderen
- wellicht ook omdat ze al wat ouder zijn - hun pleegouders op een
afstand. Ze bouwen nauwelijks een emotionele band op met het pleeggezin.
Dat wordt door veel pleegouders als teleurstellend ervaren en daardoor
neemt de gezinsbelasting toe."
Uit het onderzoek bleek ook dat het al dan niet hebben van een partner,
de leeftijd van de pleegouders en het opleidings- en beroepsniveau
van de pleegouders gedurende de hele plaatsing van invloed blijven
op de opvoedingsbelasting. Bastiaensen: "Gek genoeg ervaren jonge
en hoogopgeleide pleegouders de zorg voor een pleegkind als zwaarder
dan oudere, laagopgeleide ouders. Dat heeft wellicht te maken met
het hogere aspiratieniveau van hoogopgeleide mensen: zij willen niet
alleen een goede pleegouder zijn, maar hebben ook ambities op het
gebied van carrière en persoonlijke ontwikkeling. Dat kan spanningen
opleveren."
Begeleiders: vooral meedenkers
Bastiaensen interviewde ook de begeleiders van de pleegouders en
-kinderen en constateerde dat de relatie tussen pleeggezin en begeleider
vooral gekenmerkt wordt door acceptatie, samenwerking, openheid en
gelijkwaardigheid. De begeleider ziet zichzelf vooral als een 'meedenker',
die inspringt als de pleegouders een probleem signaleren. Gespreksthema's
in de begeleidingsgesprekken zijn onder meer de emotionele en psychische
ontwikkeling van het kind, traumatische ervaringen, hechting en loyaliteit.
In ongeveer tweederde van de gesprekken wordt niet met het kind afzonderlijk
gesproken, in vijftien procent van de gevallen wordt er door begeleiders
überhaupt niet met het pleegkind gepraat.
Pleegkinderen: nauwelijks loyaliteitsprobleem
Heeft een pleegkind altijd automatisch een loyaliteitsconflict? Voelt
het zich verscheurd tussen zijn biologische ouders en zijn pleeggezin?
In de pleegzorg gaat men er vaak van uit. Bastiaensen betwijfelde
het: "Onderzoeken naar dit loyaliteitsconflict spreken elkaar
tegen. Sommige onderzoekers komen tot de slotsom dat pleegkinderen
een sterkere verbondenheid met hun pleeggezin ervaren dan met hun
biologische gezin, anderen constateren juist het tegenovergestelde.
En allemaal stellen ze dat het kind zich bekneld voelt tussen die
dubbele loyaliteit. Ik wilde graag weten hoe dit nou precies zat.
Wat bleek? Kinderen weten de loyaliteiten meestal goed te scheiden.
Jegens hun biologische ouders ervaren ze een 'zijnsloyaliteit'; ze
danken het leven aan hen en dragen hun (genetische) erfenis met zich
mee. Alleen al daardoor voelen ze zich met hun natuurlijke ouders
verbonden. Ten opzichte van de pleegouders is er sprake van 'verworven
loyaliteit': aan hen danken pleegkinderen de dagelijkse dingen als
eten, aandacht en de mogelijkheid gewoon naar school te gaan. Daarom
zijn ze ook loyaal aan de pleegouders."
Ondanks die dubbele loyaliteit komt uit het onderzoek ook naar voren
dat kinderen toch afstand houden ten opzichte van beide ouderparen:
pleegouders én biologische ouders. Bovendien worden ook de
pleegbroertjes en -zusjes niet toegelaten in de eigen belevingswereld.
Bastiaensen: "Veel van de kinderen hebben al de nodige uithuisplaatsingen,
internaatsverblijven en andere pleeggezinnen achter de rug. Geen wonder
dat ze de boot afhouden. Emotioneel sluiten ze zich veiligheidshalve
grotendeels af, behalve voor hun biologische broers en zussen. Want
biologische broertjes en zusjes blijven zich heel sterk met elkaar
verbonden voelen, al wonen ze niet meer bij elkaar in huis."
Vergaande aanbevelingen
Bastiaensen adviseert daarom met klem het contact tussen zussen en
broers een structurele plek te geven in de pleegzorg. Het is slechts
een van de 27 (!), vaak vergaande en verrassende, aanbevelingen die
zij doet. Is het zo slecht gesteld met de pleegzorg in Nederland?
"Dat niet per se", zegt Bastiaensen, "maar er valt
wel het een en ander te verbeteren. Zo zou het goed zijn als de begeleiding
van pleeggezinnen in de toekomst op meer systematische wijze vorm
gaat krijgen. Nu is het vaak nog te veel een intuïtief proces;
begeleiders werken nog te weinig met op maat gemaakte begeleidingsplannen.
Bovendien kan het effectief zijn om de pleegouders soms als cliënt
te beschouwen. Verder moet het pleegkind meer bij de begeleiding betrokken
worden; nu wordt het soms letterlijk niet eens gehoord. Ook zou het
goed zijn om niet langer alleen het pleegkind therapeutisch te begeleiden,
maar het hele gezin. Door middel van relatief simpele technieken als
een video-hometraining kan het functioneren van een gezinssysteem
vrij makkelijk geanalyseerd en aangepast worden. Zo kun je bewerkstelligen
dat draagkracht en draaglast in het gezin weer beter in balans komen.
Dat is hard nodig, want het pleeg-ouderschap is behoorlijk zwaar.
Het is niet voor niets dat Nederland kampt met een groeiend tekort
aan pleegouders. Daarom vind ik dat pleegouders betaald moeten worden
voor hun werk. De onkostenvergoeding die ze nu krijgen, is bij lange
na niet toereikend. Als er nu niet meer geld komt, is er straks geen
pleegouder meer over."
1 Bastiaensen, Petra, Belaste pleegouders en verscheurde pleegkinderen?
Onderzoek naar de wijze waarop pleegouders de opvoedingssituatie beleven
en pleegkinderen de relatie met het pleeggezin en het gezin van oorsprong
beleven. (Zundert 2001).