artikel uit Mobiel 4, augustus/september 2001

"Pleegouders moeten betaald worden"

Pleegzorgmythen doorgeprikt door onderzoekster Bastiaensen

Door: Femke van den Berg

BEGIN JULI PROMOVEERDE GEZONDHEIDSZORGPSYCHOLOOG PETRA BASTIAENSEN NA ACHT JAAR ONDERZOEK OP BELASTE PLEEGOUDERS EN VERSCHEURDE KINDEREN?1 IN HAAR PROEFSCHRIFT PRIKT ZIJ 'MYTHEN' UIT PLEEGZORGLAND DOOR EN DOET ZIJ EEN AANTAL VERRASSENDE AANBEVELINGEN. MET NAME ÉÉN DAARVAN IS ONMIDDELLIJK DOOR DE MEDIA OPGEPIKT: PLEEGOUDERS MOETEN BETAALD WORDEN! "STOND ER INEENS EEN FILMPLOEG VAN RTL OP DE STOEP, MET DE VRAAG DIT STANDPUNT TOE TE LICHTEN", ZEGT BASTIAENSEN NOG STEEDS EEN BEETJE VERBAASD.

Toch benadrukt Bastiaensen dat de aandacht van de media zeker niet ongelegen komt. In haar gezellige woonkeuken in Zundert legt zij uit waarom: "De pleegzorg is in Nederland toch altijd een beetje een ondergeschoven kindje geweest. Longitudinaal wetenschappelijk onderzoek wordt maar mondjesmaat verricht, systematische hulpverlening komt onvoldoende van de grond en financiële middelen om de pleegzorg meer te professionaliseren ontbreken. Bijgevolg heeft het pleegouderschap een lage status. Als je op een feestje vertelt dat je pleegouder bent, word je meewarig aangekeken. Mensen vragen zich af waarom je in 's hemelsnaam een pleegkind in huis zou nemen: het pleegouderschap wordt gezien als een zware taak, waar nauwelijks iets tegenover staat."

Een zware taak is het inderdaad, weet Bastiaensen uit ervaring. "Voordat mijn partner en ik zelf kinderen kregen, hebben we een tijdlang een weekend in de maand een pleegkind met ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder, een aandachtsstoornis in combinatie met hyperactiviteit) in huis gehad. Na zo'n weekeinde waren we telkens gevloerd; het was zó intensief. Ik vroeg me af hoe andere pleegouders - die een kind meestal zeven dagen in de week hebben - de zorg voor pleegkinderen ervaren. Langzamerhand groeide toen het idee om onderzoek te doen naar de beleving van het pleegouderschap door pleegouders, pleegkinderen en begeleiders van de pleegouders. Toen ik ook van de universiteit het groene licht kreeg, kon mijn onderzoek in 1993 van start gaan."

Bastiaensen vond 121 pleeggezinnen bereid om mee te werken aan het onderzoek. In alle gezinnen was net een nieuw pleegkind geplaatst in de leeftijd tussen de acht en twaalf jaar. Drie jaar lang werden de gezinnen gevolgd. Elk jaar kregen zij eenmaal een gestandaardiseerde vragenlijst voorgelegd. Aan de hand van de teruggekomen vragenlijsten kon Bastiaensen zien hoe de verhoudingen in het gezin en tussen gezin en begeleiding zich ontwikkelden.

Pleegouders: zwaar belast

Die verhoudingen ontwikkelden zich deels anders dan verwacht. Zo ontdekte Bastiaensen dat pleegouders een toenemende gezinsbelasting ervaren, naarmate het kind meer gedragsproblemen vertoont. Opvallend is dat die belasting met het verstrijken der jaren niet afneemt. Integendeel zelfs. Bastiaensen: "Het blijkt dat pleegouders zich na drie jaar zelfs nog zwaarder belast voelen dan net na de plaatsing! Een verklaring is waarschijnlijk gelegen in het feit dat het gedrag van veel pleegkinderen niet echt verandert in de eerste drie jaar. Ze zijn vaak moeilijk en ze blijven moeilijk. Bovendien houden veel pleegkinderen - wellicht ook omdat ze al wat ouder zijn - hun pleegouders op een afstand. Ze bouwen nauwelijks een emotionele band op met het pleeggezin. Dat wordt door veel pleegouders als teleurstellend ervaren en daardoor neemt de gezinsbelasting toe."

Uit het onderzoek bleek ook dat het al dan niet hebben van een partner, de leeftijd van de pleegouders en het opleidings- en beroepsniveau van de pleegouders gedurende de hele plaatsing van invloed blijven op de opvoedingsbelasting. Bastiaensen: "Gek genoeg ervaren jonge en hoogopgeleide pleegouders de zorg voor een pleegkind als zwaarder dan oudere, laagopgeleide ouders. Dat heeft wellicht te maken met het hogere aspiratieniveau van hoogopgeleide mensen: zij willen niet alleen een goede pleegouder zijn, maar hebben ook ambities op het gebied van carrière en persoonlijke ontwikkeling. Dat kan spanningen opleveren."

Begeleiders: vooral meedenkers

Bastiaensen interviewde ook de begeleiders van de pleegouders en -kinderen en constateerde dat de relatie tussen pleeggezin en begeleider vooral gekenmerkt wordt door acceptatie, samenwerking, openheid en gelijkwaardigheid. De begeleider ziet zichzelf vooral als een 'meedenker', die inspringt als de pleegouders een probleem signaleren. Gespreksthema's in de begeleidingsgesprekken zijn onder meer de emotionele en psychische ontwikkeling van het kind, traumatische ervaringen, hechting en loyaliteit. In ongeveer tweederde van de gesprekken wordt niet met het kind afzonderlijk gesproken, in vijftien procent van de gevallen wordt er door begeleiders überhaupt niet met het pleegkind gepraat.

Pleegkinderen: nauwelijks loyaliteitsprobleem

Heeft een pleegkind altijd automatisch een loyaliteitsconflict? Voelt het zich verscheurd tussen zijn biologische ouders en zijn pleeggezin? In de pleegzorg gaat men er vaak van uit. Bastiaensen betwijfelde het: "Onderzoeken naar dit loyaliteitsconflict spreken elkaar tegen. Sommige onderzoekers komen tot de slotsom dat pleegkinderen een sterkere verbondenheid met hun pleeggezin ervaren dan met hun biologische gezin, anderen constateren juist het tegenovergestelde. En allemaal stellen ze dat het kind zich bekneld voelt tussen die dubbele loyaliteit. Ik wilde graag weten hoe dit nou precies zat. Wat bleek? Kinderen weten de loyaliteiten meestal goed te scheiden. Jegens hun biologische ouders ervaren ze een 'zijnsloyaliteit'; ze danken het leven aan hen en dragen hun (genetische) erfenis met zich mee. Alleen al daardoor voelen ze zich met hun natuurlijke ouders verbonden. Ten opzichte van de pleegouders is er sprake van 'verworven loyaliteit': aan hen danken pleegkinderen de dagelijkse dingen als eten, aandacht en de mogelijkheid gewoon naar school te gaan. Daarom zijn ze ook loyaal aan de pleegouders."

Ondanks die dubbele loyaliteit komt uit het onderzoek ook naar voren dat kinderen toch afstand houden ten opzichte van beide ouderparen: pleegouders én biologische ouders. Bovendien worden ook de pleegbroertjes en -zusjes niet toegelaten in de eigen belevingswereld. Bastiaensen: "Veel van de kinderen hebben al de nodige uithuisplaatsingen, internaatsverblijven en andere pleeggezinnen achter de rug. Geen wonder dat ze de boot afhouden. Emotioneel sluiten ze zich veiligheidshalve grotendeels af, behalve voor hun biologische broers en zussen. Want biologische broertjes en zusjes blijven zich heel sterk met elkaar verbonden voelen, al wonen ze niet meer bij elkaar in huis."

Vergaande aanbevelingen

Bastiaensen adviseert daarom met klem het contact tussen zussen en broers een structurele plek te geven in de pleegzorg. Het is slechts een van de 27 (!), vaak vergaande en verrassende, aanbevelingen die zij doet. Is het zo slecht gesteld met de pleegzorg in Nederland? "Dat niet per se", zegt Bastiaensen, "maar er valt wel het een en ander te verbeteren. Zo zou het goed zijn als de begeleiding van pleeggezinnen in de toekomst op meer systematische wijze vorm gaat krijgen. Nu is het vaak nog te veel een intuïtief proces; begeleiders werken nog te weinig met op maat gemaakte begeleidingsplannen. Bovendien kan het effectief zijn om de pleegouders soms als cliënt te beschouwen. Verder moet het pleegkind meer bij de begeleiding betrokken worden; nu wordt het soms letterlijk niet eens gehoord. Ook zou het goed zijn om niet langer alleen het pleegkind therapeutisch te begeleiden, maar het hele gezin. Door middel van relatief simpele technieken als een video-hometraining kan het functioneren van een gezinssysteem vrij makkelijk geanalyseerd en aangepast worden. Zo kun je bewerkstelligen dat draagkracht en draaglast in het gezin weer beter in balans komen. Dat is hard nodig, want het pleeg-ouderschap is behoorlijk zwaar. Het is niet voor niets dat Nederland kampt met een groeiend tekort aan pleegouders. Daarom vind ik dat pleegouders betaald moeten worden voor hun werk. De onkostenvergoeding die ze nu krijgen, is bij lange na niet toereikend. Als er nu niet meer geld komt, is er straks geen pleegouder meer over."

1 Bastiaensen, Petra, Belaste pleegouders en verscheurde pleegkinderen? Onderzoek naar de wijze waarop pleegouders de opvoedingssituatie beleven en pleegkinderen de relatie met het pleeggezin en het gezin van oorsprong beleven. (Zundert 2001).