artikel uit Mobiel 3, juni/juli 2001

Golfbewegingen en groei in pleegzorg

Door: Gabriëlle Langhout en Willemien Kronenberg

In vijf jaar kan een hoop gebeuren. Dat illustreert het verhaal van een echtpaar dat vijf jaar geleden geen kinderen had en nu het leven deelt met drie pleegkinderen. Aan de hand van hun waargebeurde verhaal passeren vele onderwerpen die de afgelopen periode actueel waren (en soms bleven) in hun gezin. We gunnen u een kijkje in het leven van Jan en Meike de Jong vanaf het moment dat pleegzorg een plaats kreeg in hun leven. We laten hen het verhaal vertellen. De achtergrondinformatie die u daarnaast aantreft, bestaat voornamelijk uit bewerkingen van artikelen uit eerdere nummers van Mobiel.

Na een tijd van aarzelen heeft de familie de Jong besloten om informatie in te winnen over het eventueel in huis nemen van pleegkinderen. Via een voorlichtingsfolder komen zij aan het telefoonnummer van de regionale pleegzorgorganisatie. Een telefoontje resulteert in wat schriftelijke informatie en een uitnodiging voor een informatieavond. Daar wordt in heel algemene termen verteld welk soort kinderen een plek zoeken om voor kortere of langere tijd ergens te kunnen wonen. Voor mensen die verder willen met pleegzorg is er een cursus van tien avonden, de zogeheten STAP-cursus, die tegelijkertijd als selectiemiddel werkt om uit te vinden of pleegzorg bij je past.

Jan en Meike geven zich na enig nadenken op voor deze STAP-cursus want: "Je hoeft aan het begin van de cursus nog niet gekozen te hebben of je echt pleegouders wilt worden. De hele lange zomer ging er over heen en het idee was wat naar de achtergrond gezakt. We hadden in het verleden al heel wat afgepraat over het onderwerp kinderen. We zaten op het punt dat we ons erbij neergelegd hadden dat we geen kinderen konden krijgen. Het is belangrijk dat je je kinderloosheid geaccepteerd hebt voordat je aan pleegzorg begint. Een pleegkind wordt nooit een eigen kind. Bovendien moet je ruimte houden voor de eigen ouders van het pleegkind. Adoptie was voor ons geen optie, omdat we eenvoudigweg niet voldoen aan de eisen die aan adoptieouders worden gesteld. Door het werk en de studie van Meike (orthopedagogie) wisten we precies hoe de hulpverlening aan en de behandeling van kinderen in Nederland geregeld is. Met die kennis hebben we besloten om in ons eigen gezin kinderen ondersteuning, hulp en een toekomst te bieden. We dachten met ons gezin wel aan de behoefte van een pleegkind te kunnen voldoen en hadden een pleegkind veel te bieden. In elk geval een warme, veilige plek met groeimogelijkheden."

Delen met de groep

Begin september valt de uitnodiging voor de STAP-cursus op de mat. Meike is direct enthousiast, Jan is wat terughoudender. "Dat was eigenlijk ook de verdeling op de avonden. Jan vond het lastig om in een groep te praten over wat je kinderen te bieden had; wat kinderen van jou zouden willen en welke problemen je tegen zou kunnen komen. Elke avond stond een ander onderwerp centraal. Ook je eigen verleden kwam aan de orde. Wat vond je prettig in je opvoeding, wat heb je gemist en wat zou je anders doen? Als we thuiskwamen na zo’n avond, hadden we veel te veel indrukken opgedaan om direct te gaan slapen. We dronken dan nog een glaasje en praatten na. Regelmatig was het opeens half twee voor we naar bed gingen."

Na heel veel praten, ook met de begeleiders van de cursus, wordt gekozen om pleegkinderen een plekje te bieden, waar ze groot zouden kunnen worden. Alle andere, kortere vormen van pleegzorg zijn op dit moment niet in beeld voor Jan en Meike. "De cursus werd afgesloten met een informatieavond voor familieleden. Hier kwamen de ouders van Meike en een schoonzus en zus van Jan. Daardoor kon het gesprek in de familie goed verder gevoerd worden. Zij krijgen er ongevraagd toch een bijzonder soort uitbreiding bij."

Het voorstel

Opnieuw verstrijkt er een heleboel tijd, waarin Meike een tijdelijke baan accepteert, die na verloop van tijd van beide kanten goed bevalt. Het wordt moeilijk om ‘nee’ te zeggen tegen een vast contract dat de werkgever haar aanbiedt. Eindelijk komt er, vlak voor de volgende zomervakantie, iemand van de Voorziening voor Pleegzorg praten over een voorstel. "Er was een negenjarige jongen die een plek zocht om groot te worden. Zonder zijn naam te noemen werd er een beeld geschetst waarom deze ‘lastige’ jongen misschien in ons gezin zou passen. Hij was erg druk, zat nooit twee minuten stil en was bovendien redelijk slim. Zijn moeder kon hem niet aan en was bovendien niet erg gezond. Op dit moment woonde hij in een internaat. Moeder had zelf, met wat hulp, besloten dat ze beter een gezin konden zoeken, waar haar zoon zou kunnen opgroeien. Er was dus sprake van een vrijwillige plaatsing. De kinderrechter komt daar niet aan te pas. Er werd meteen bij verteld dat dat wel eens tot problemen zou kunnen leiden, maar wij hadden zoiets van ‘dat komt later wel’."

Permanente beweging

Na een paar dagen denken en praten, bellen Meike en Jan dat zij door willen gaan. De pleegzorgwerker komt opnieuw en vertelt dat het om Sander gaat. Door een foutje heeft Sander al uitgevonden dat er een pleeggezin voor hem is gevonden, terwijl zijn moeder het nog niet weet. Nu krijgt men haast. "Nog voor de zomervakantie maakten we kennis met Sanders moeder en daarna ook met Sander. Mijn hemel, wat een jongen! Hij hing ondersteboven en achterstevoren in de bank en bewoog permanent. Zowel Sander als wij vonden het enorm spannend en met behulp van zijn groepsleidster lukte het om koffie te drinken, foto’s van ons huis te bekijken en zijn slaapkamer te zien. Na afloop van dit bezoek was de conclusie dat we samen wat zouden moeten ondernemen en niet rustig met hem op de bank gaan zitten. Er werd een kennismakingstraject uitgezet van drie maanden, waarbij we veel deden en ondertussen ook wel samen praatten. Eerst kwamen wij op bezoek, daarna namen wij hem mee de stad in. Vervolgens kwamen Sander en zijn groepsleidster bij ons op bezoek, waarna hij kwam logeren. Eind november verhuisde Sander en kwam bij ons wonen."

In Sanders kamer bij Meike en Jan staan een bed, een kledingkast en kasten voor zijn speelgoed. Er ligt een gezellig kleed op de vloer en er hangen gordijnen in zijn lievelingskleur: blauw. Sander brengt een hele auto vol spullen mee. "Zijn kleding pakten we samen in de kast en zijn knuffel stopte hij meteen in z’n bed. Op advies van onze begeleider hadden we voor een wekker gezorgd en voor een spiegel, zodat hij controle op de tijd en zijn eigen lijf kon houden. De meegebrachte dozen stonden weken onaangeroerd in zijn kamer, terwijl Sander er zijn handen aan vol had om in de gaten houden wat er in huis gebeurde. Gelukkig was ook de start op de nieuwe school goed voorbereid. Hij had al kennis gemaakt en er was uitgebreid gepraat over hoe hij op de vorige school gepest werd en hoe we dat op deze school gingen voorkomen. Hij kwam elke dag enthousiast uit school, want hij was alweer niet gepest."

Veel structuur

In huis lopen er vanaf de eerste dag veel dingen fout, onverwacht en moeizaam. Jan en Meike moeten er alleen al aan wennen een kind in huis te hebben. Uitslapen, een boek lezen of een gesprek met de ander voeren, kan ineens niet meer. Bovendien heeft Sander, behalve een enorme hoeveelheid energie die de hele dag naar buiten bubbelt, behoefte aan veel structuur en duidelijkheid. Er wordt dus op vaste tijden gegeten, op vaste momenten gedoucht, naar bed gegaan en opgestaan. Gaandeweg moeten er nog veel meer vaste gewoonten ontstaan in huis, want hoe voorspelbaarder het leven is voor Sander, hoe beter het met hem gaat. Jan en Meike moeten er erg aan wennen. Zelfs op zondag kan het ritme niet wat losser, want Sander wordt daar onzeker van. Hij gaat dan meteen weer naar grenzen zoeken met als gevolg: ruzie.

Stapje voor stapje vinden Sander en Meike uit hoe ze het beste in één huis kunnen samenleven. Meike maakt een prioriteitenlijstje van welk gedrag het meest storend is in huis. "We begonnen één onderwerp tegelijk aan te pakken. Samen met Sander keek ik ook naar de dingen die hij het belangrijkste vond en ook daar kreeg hij steun bij. Heel voorzichtig begon hij te oefenen met het spelen met vriendjes. Hij nam ze mee naar huis, leerde zich ook normaal gedragen als er een vriendje thuis was en leerde samen spelen. De computer kon hij steeds beter gebruiken en hij begon zijn weg te vinden in spelletjes. Ook vonden we samen uit dat, als je zo druk bent, er voldoende activiteiten moeten zijn waar je je energie in kwijt kunt. Zwemmen, wandelen en fietsen kwamen in Sanders programma terecht. Daardoor gingen ook de rustigere activiteiten wat beter."

Op zoek naar evenwicht

Gaandeweg vinden Jan, Meike en Sander een soort evenwicht in hun nieuwe gezin. Met een zekere regelmaat wordt er een oppas geregeld zodat Jan en Meike eens samen uit eten kunnen. Het blijft nodig om samen in gesprek te blijven. Praten over de vraag of ze het samen nog wel redden en of ze nog steeds achter hun keuze staan om dit jongetje een plek te willen geven tot hij groot is. "Ons leven was wel heel erg veranderd. Iedereen had ons dit ook wel voorspeld, maar het aan den lijve te ondervinden is toch heel anders. We moesten bij tijd en wijle echt knokken om zelf ook nog te kunnen overleven in ons eigen huis. Als je een baby krijgt, staat ook je hele leven op zijn kop. Maar de impact op het dagelijks leven is in sommige opzichten anders als het kind dat zijn intrede doet al negen jaar is en zo’n grote mond heeft."

Op zoek naar het verleden

Iemand van negen jaar neemt natuurlijk zijn eigen geschiedenis mee. "Als hij dan bij jou in huis komt, is er een gat van negen jaar. Je wordt daar elke dag mee geconfronteerd. Praten over het internaat is dan nog relatief makkelijk. Dat ligt in het recente verleden, het is makkelijk na te vragen. We zijn nog een keer terug gegaan om te kijken hoe het ook al weer was. Van de pleegzorgwerker kregen we een ‘levensboek’. De bedoeling was dat je aan de hand van het boek op ontdekkingsreis ging. Samen met Sander probeerden we de afgelopen negen jaar in kaart te brengen. Het was al een hele klus om de verblijfplaatsen van de afgelopen drie jaar in kaart te brengen, met de goede data er bij. Soms gingen we ook nog eens kijken op een oud adres, maar er was ook een plaats waar Sander echt niet meer heen wilde. Wat er in de eerste jaren van zijn leven gebeurd was en wanneer, was lastiger te achterhalen. Sander wilde het niet aan zijn moeder vragen of moeder wilde er niet over praten. Er waren dan ook stukken die we maar lieten zitten. Per slot van rekening had hij nog een moeder en misschien lukte het gesprek dat hij wilde voeren later wel eens. Zowel het levensboek als de bijgehouden plakboeken waren en zijn voor Sander erg belangrijk. Regelmatig vinden we hem ’s morgens met één van de boeken in bed en moet er nog eens samen naar foto’s gekeken worden, moeten er herinneringen opgehaald worden of moet er wat nieuws in het levensboek geschreven worden. Langzaam begint er een gezamenlijk verleden te ontstaan, gedeeltelijk samen beleefd en voor de rest samen verteld."

Twee werelden

Praten over zijn moeder en familie is voor Sander echt moeilijk. Ondanks dat hij één keer per maand naar zijn moeder gaat, duurt het lang voordat die weekenden redelijk beginnen te verlopen. "Als wij net een manier hadden uitgevonden om zonder ruzie naar bed te gaan, dan explodeerde dat thuis weer. Er waren heel korte lijnen nodig tussen Sanders moeder en ons. Hij speelde alles uit als hij de kans kreeg en hield beide werelden zo ver mogelijk uit elkaar. Zoals voorspeld kwam ook vrij snel Sanders wens tot contact met zijn vader boven water. Moeder vond dit goed, zolang zij het maar niet hoefde te doen. Het contact met vader kwam van de grond en Sander was er erg tevreden over. Het hoefde niet zo vaak, af en toe voldeed aan beider behoefte. Naarmate het bij ons in huis beter ging met Sander, wilden meer van zijn familieleden contact met hem. Ook onze familie wilde ons wel weer eens zien. Vlak na de plaatsing begrijpt iedereen dat je de handen vol hebt aan de noodzakelijke dagelijkse dingen. De eerste bezoeken van zowel Sanders familie als die van ons hadden toch vooral een nieuwsgierig en beoordelend karakter. Wat zijn dat voor soort mensen, hebben ze wel het beste met Sander voor en waarom moeten we een bezoekafspraak maken?"

Leren samenleven

Bij de komst van Sander hebben Jan en Meike met de pleegzorgwerker afgesproken dat ze na ongeveer een jaar over bijplaatsing van een ander kind zouden gaan nadenken. Voor de begeleiders van Sander is het duidelijk dat hij een broertje of zusje nodig heeft om mee te leren delen, samenleven en ruziemaken. Daarover wordt voor de zomer gepraat met Jan en Meike. De zomer gaat voorbij en het wordt steeds noodzakelijker dat Sander leert om de aandacht, vooral van Meike, te delen met anderen. Ook voor Meike wordt het noodzakelijk dat ze Sander gelegitimeerd kan negeren. Vooral omdat hij, ondanks alle vooruitgang, qua gedrag nog knap lastig is. "Ik werd af en toe hartstikke gek van hem. Waarom kon hij nooit normaal doen? Het leven met Sander was best zwaar. Toen kwam er onverwacht een telefoontje van onze pleegzorgwerker. Of we wel eens over twee nieuwe kinderen hadden nagedacht in plaats van over één. Jan zat op dat moment met vrienden in Oostenrijk en was onbereikbaar voor overleg. Toch maakten we maar vast een afspraak voor als hij terug was. Het bleek om een Surinaams-Hindoestaanse tweeling van zes te gaan: John en Sharon. Al pratend leek het een steeds beter plan. Samen zouden ze beter tegen de grillen van Sander bestand zijn Ze konden samen op zolder slapen en zo hun eigen afdeling hebben. Bovendien waren ze nog een jaar jonger dan we in het oorspronkelijke profiel bedacht hadden, zodat er minder concurrentie zou zijn. Ook gaf dat Sander de gelegenheid om een deel van z’n eigen ontwikkelingsachterstand nog in te halen door met hen jong-kinderlijke vaardigheden te kunnen oefenen. Met Sander werd er besproken dat de kinderen die in het gezin kwamen wonen donker van huidskleur waren en hoe dat voor hem was. Hij was namelijk heel bang voor donkere jongens, omdat hij op zijn vorige school erg door hen was gepest. Na lang nadenken dacht hij dat hij er wel aan zou wennen."

Verder wordt er nog nagedacht over de consequenties voor het dagelijks leven van het gezin. Door de vijf-gulden-regeling kan er direct een werkster gezocht worden, zodat de zaken die in huis moeten gebeuren, in elk geval zullen lopen. Bij drie of meer pleegkinderen krijgen pleeggezinnen een extra toelage van vijf gulden per pleegkind per dag. Precies om dit soort zaken van te regelen.

Nieuwe huisgenoten

De beslissing valt: de tweeling komt. Er volgt een periode van kennismaken en wennen. Eerst zonder Sander en daarna met. De grote verhuisdag is in de voorjaarsvakantie. Meike en Sander hebben bedacht wat het moeilijkste zou zijn als Sharon en John zouden komen: de maaltijden. "Wij hadden ondertussen een systeem opgebouwd waarbij de maaltijden maximaal een kwartier aan tafel zitten vereisten. Dat was voor de jongste kinderen veel te weinig. Een verdiensysteem was de oplossing. Er ontstond een kruisjeslijst en als Sander 30 dagen drie maaltijden niet van tafel was gestuurd, had hij een CD ROM verdiend. Het was een worsteling, maar we zijn er uit gekomen. De rest van het leven was toch ook heel spannend. In sommige opzichten zag je Sander groeien. Hij was tien en de tweeling was nog kleuter. De tweeling had in het begin ook gewoon nog heel veel verzorging nodig. Vooral de ongelukjes in en rond de wc waren heel nieuw voor mij als pleegmoeder. Ik vond het vooral zielig. Ze gingen niet op tijd, voelden het niet aankomen, durfden niet te blijven zitten, kortom zij hadden geen controle. Ook Sander vond dat wel erg voor ze. Zelf was hij bij spannende dingen ’s nachts nog wel eens nat. Maar dit was pas echt erg."

Voor het gezin is het heel aangenaam dat de tweeling op een normale manier door huis beweegt. Al snel lopen ze te zingen, kunnen ze rustig spelen en gaan ook even bij de buren kletsen. Voor iedereen hebben ze een vriendelijk woord. John vertelt aan iedereen dat hij niet van ruzie houdt. Voor Jan en Meike is het een verademing dat Sharon en John op een normale manier reageren als er een grens gesteld wordt. Vooral Sharon tekent en knutselt veel, wat heel nieuw is in huis. Voor Sharon is dit een verwerkingsmechanisme. Ze tekent kinderen uit het internaat, de vorige pleeggezinnen, en hun zusje en moeder. John doet het anders. Die zoekt meteen het lichamelijke contact. Hij geeft zich over aan zowel Jan als Meike op een manier die ze met Sander nog nooit hebben meegemaakt. Voor Sharon en John is het duidelijk dat ze hier blijven wonen tot ze groot zijn: Ze zeggen letterlijk: "Eindelijk hoeven we niet meer te verhuizen, want weet je, dat hebben we al negen keertjes gedaan". Voor Sander is deze periode heel moeilijk. Hij woont al bijna twee jaar bij Jan en Meike. Maar diep in zijn hart wil hij alleen maar bij zijn moeder wonen. De tweeling is zich openlijk aan het nestelen en koestert de warmte en aandacht. Voor Sander loopt dat parallel met het altijd al aanwezige gevoel van onvrede. Hij heeft nooit genoeg, is nooit tevreden en nu pikken die indringers ook nog de aandacht in die hij tot dat moment voor zichzelf had.

Heel erg wennen

Tegen de herfstvakantie escaleert Sanders wangedrag behoorlijk en Jan en Meike vragen zich af of hun beslissing om er twee kinderen bij te nemen wel de juiste is geweest. Op dat moment wordt de pleegzorgwerker ziek en breekt de vakantie aan. "O help! In een opwelling boekten we een huisje op Ameland, waar we een hele week met z’n vijven heen trokken. Alle dagen op het strand banjeren. Ondanks wind, storm en regen probeerden we toch te fietsen en de wereld en elkaar te ontdekken. Eenmaal terug in het huisje was iedereen koud, nat en moe. Er ontstond de gewoonte om dan, na de warme douche, ieder een uurtje voor zich zelf bezig te laten zijn. Waarna we weer iets samen konden doen. Met warme chocolademelk voor de kinderen, port voor ons en grote zakken chips voor ons allen konden we de dag weer goed afsluiten. Het leek een soort snelkookpan, we moesten er samen uit komen en dat lukte ook."

Medicijnen

"Eenmaal thuis had de pleegzorgwerker met een psychiater overlegd. Sander kreeg medicijnen die hem zouden helpen zijn drukke gedrag wat beter in de hand te houden. Want wij én Sander waren het er wel over eens dat hij zich meestal niet expres misdroeg. Maar dat hij een handicap had die hij moest leren hanteren. De medicijnen hadden een positief effect op zijn stemming. Ook het hele opgewonden doordraaien verdween een beetje. Hij kreeg meer grip op zijn leven en er begonnen dingen te lukken. Sander begon vriendjes te krijgen. De meester op school was streng voor hem, maar maakte soms ook goede uitzonderingen. Sander mocht de melk rond brengen op school. Ook het zwemmen begon steeds beter te gaan. Ieder half jaar haalde hij een volgend diploma en daarmee steeg z’n zelfvertrouwen een stukje."

Lotgenoten

Meike komt in die tijd in contact met een aantal andere pleegouders. Eenmaal in de twee maanden komen ze een avond bij elkaar en worden er ervaringen uitgewisseld. "Het was heel verhelderend om een keer je hart te kunnen luchten zonder dat iemand zei: ‘Ik had je nog zo gewaarschuwd’. Er werd met je mee gedacht over oplossingen; te klein geworden kleding wisselde van eigenaar; scholen werden vergeleken en er groeiden nieuwe vriendschappen. Op een gegeven moment groeide ook de behoefte om elkaars partners en (pleeg)kinderen te ontmoeten, zodat er een jaarlijkse picknick ontstond. Vooral Sander was heel verbaasd dat hij het verschil tussen pleegkinderen en eigen kinderen niet kon zien. Voor Sharon leverde het de fysieke identificatie op met een andere donkere en beeldschone pleegdochter (‘Die is mooi hè, Meike!’)."

Nog een keer

Tegen de zomervakantie blijkt de tweeling het op school nog steeds erg moeilijk te hebben. Ze hebben een achterstand met de klas van ongeveer drie maanden, maar de juf vindt dat ze harder dan gemiddeld leren. Toch zijn er thuis iedere keer signalen dat ze het leven maar nauwelijks aankunnen: moe, hangerig en vooral John wil liever spelen dan leren. Na veel wikken en wegen wordt besloten dat ze groep 3 overdoen. "Het contact tussen ons en de tweeling ontwikkelde zich snel. Zocht aanvankelijk John het meeste lichamelijk contact, langzaam aan kwam Sharon ook. Vooral ’s nachts had ze haar pleegmoeder regelmatig nodig, omdat ze zo eng droomde. Na de tweede zomervakantie belandde Sharon voor twee nachten in het ziekenhuis, met wat later een darmparasiet bleek te zijn. Dat versnelde het hechtingsproces tussen Meike en Sharon enorm. Ze had er grote behoefte aan om verzorgd, geknuffeld en getroost te worden. Haar broertje bleek de parasiet ook te hebben. Met twee pillen was dat probleem verholpen. Daarmee bleken -na twee jaar- ook de buikpijn, diarree en eetproblemen opeens te verdwijnen. Datzelfde jaar had John zo regelmatig pijn in zijn benen, dat werd besloten om daar serieus naar te laten kijken in het ziekenhuis. Als je je familieziektes kent, kan een huisarts inschatten of het bijvoorbeeld kanker zou kunnen zijn. In dit geval moest hij het gewoon onderzoeken. Door deze gebeurtenissen waren alle drie de kinderen erg bezig met hun eigen achtergrond. Bovendien ontstond de noodzaak om uit te vinden wanneer de vader van de tweeling was overleden en waar hij begraven was. Dat kostte moeite, want keer op keer bleek moeders informatie niet te kloppen. Via de gemeente achterhaalde de voogdes uiteindelijk de overlijdensdatum en de begraafplaats. Dan sta je uiteindelijk op een winderige, regenachtige zondagmorgen bij een kaal graf. Gelukkig hadden we plantjes meegenomen om op het graf te planten. Sharon had ‘huilkleding’ aangetrokken. Want het was toch wel heel naar dat ze nu niets van hun vader wisten."

"De behoefte om meer van vader te weten te komen was nog niet bevredigd. Opeens bleek vaders moeder nog te leven, en nog tien broers en zussen. De voogdes en de pleegzorgwerker gingen dit keer samen op pad. Zij konden oma vinden en oma wilde graag op bezoek komen. Wat een ontwikkeling! Oma is oud en kon op veel vragen van de kinderen geen antwoord geven, maar toch was de tweeling erg blij met haar bezoek. Er kon weer heel wat worden bijgewerkt in het levensboek. Ze kregen bovendien een gouden ketting van haar en 50 gulden. Zoveel geld hadden ze nog nooit gehad. Het moest op de bank, voor als ze later een huis gingen kopen."

Paniek

Ook bij Sander gaat het leven door. Na de zomervakantie wordt de overstap naar de Havo gemaakt. Hij heeft een goede CITO toets gemaakt. Het uitgebreide psychologisch onderzoek dat door pleegzorg is gedaan, nadat hij twee jaar bij Jan en Meike woonde, geeft aan dat hij de Havo best moet kunnen halen. Gelukkig heeft de nieuwe school voor de zomervakantie al kennismakingsmiddagen. Dat haalt iets van de spanning weg. Toch is de overgang naar de middelbare school groot. Lessen op basis van een rooster, uren uitval, nooit weten wanneer je wel en niet thuis bent. Om maar niet te spreken van het huiswerk. Het eerste tussenrapport brengt aan het licht dat er op een iets andere manier gewerkt moet worden. Met wat meer begeleiding, structuur en overhoren, probeert Meike Sander te steunen. De cijfers op zijn kerstrapport zijn dan ook weer beter. De teugels worden wat gevierd. Maar dat blijkt toch wat te veel gevraagd voor Sander. Het volgende rapport laat een dalende lijn zien. Ondertussen blijft Meike elke avond overhoren en, zoals te voorspellen is, ontstaat er veel meer ruzie. Op alle fronten wordt Sander door Meike geconfronteerd met zijn eigen inzet, handelen en de keuzes die hij maakt. "Daarnaast had Sanders moeder een nieuwe partner ontmoet en deze werd steeds meer bij de contacten met en over Sander betrokken. Moeder en partner dachten erover om te trouwen en om Sander op den duur weer in huis te nemen. Natuurlijk werd dit openlijk danwel bedekt met Sander besproken. Kortom: hij was ook niet meer van plan om zijn conflicten met ons uit te werken. ‘Want hij ging bij zijn moeder wonen.’ De conflicten werden heviger en heviger en op een gegeven moment was het op en over. Wij konden niet meer en Sander wilde niet meer."

Wanhoop en lucht

"In een eerder stadium hadden we al eens tegen elkaar gezegd dat we Sander graag wilden opvoeden tot hij het zelf kon, maar niet tot elke prijs. Jan trok aan de bel en constateerde dat Sander tussen Meike en hem in kwam te staan en dat het zo niet langer ging. Na heel veel tranen belde Jan onze pleegzorgbegeleider en vertelde dat het zo niet langer ging. Paniek alom. We waren min of meer verdoofd door de wanhoop dat we zouden moeten opgeven. De eerstvolgende avond werd er uitgebreid gesproken over hoe het was gelopen, en of we zeker wisten dat we niet verder wilden met deze moeilijke, maar ook lieve jongen. Er werd besloten om te stoppen, en er werden lijnen uitgezet over hoe iedereen op de hoogte zou worden gebracht en wanneer Sander naar zijn moeder terug zou gaan. Pasen zat ertussen en pas na Pasen kon er met Sanders moeder worden gepraat, maar dat vonden we geen probleem. Aan de ene kant gaf het ons lucht en in de dagen na de beslissing liep het leven in huis wel beter. Maar aan de andere kant voelde het onwezenlijk; het voelde niet goed. Na twee dagen hebben we ’s avonds laat toch weer de begeleider gebeld dat Sander niet weg kon. Het ging niet, het voelde niet goed. Wat moest er van dit jongetje terecht komen als wij het al niet konden uithouden? Bij moeder zou het zeker mis gaan, daar was iedereen het wel over eens. Bovendien, we hielden toch al teveel van hem. Eigenlijk een hele rare ontdekking, omdat we er allemaal van uitgingen dat die hechting met Sander niet erg gelukt was."

Sander hoeft dus niet weg. Wel gaat Meike zich beperken tot opvoeden en krijgen ze voor Sanders studie ondersteuning van een huiswerkinstituut. Na deze paniekperiode klaart de lucht eigenlijk enorm op. Er kan weer naar de toekomst gekeken worden. De zomervakantie wordt zorgvuldig gepland. Sander gaat werken, twee weken met het hele gezin kamperen, naar een scoutingkamp en een week naar zijn moeder. Na de vakantie begint hij vol vertrouwen aan zijn tweede jaar. Hij vindt de structuur van het huiswerkinstituut heel prettig. "Met de herfstvakantie begonnen we ons weer ongerust te maken. De geluiden vanuit school waren een stuk pessimistischer dan die van het huiswerkinstituut. Bij het huiswerkinstituut bleken er in de registratie nogal wat cijfers te ontbreken, vooral onvoldoendes. De sfeer in huis was echter erg opgeknapt. Eind november kwam van de school het bericht dat het voor Sander beter was als hij naar de Mavo ging. De docenten waren het er over eens dat hij de intellectuele bagage miste om een Havo te doen. In overleg met het huiswerkinstituut werd het de LOM-Mavo. De wisseling van school viel Sander zwaar. Hij miste zijn oude klasgenoten, maar het onderwijs was precies goed. Na twee weken merkten we al dat hij tot rust begon te komen. Behalve dat hij elke dag in een half uurtje klaar was met zijn huiswerk, kwam hij ’s middags ook weer gewoon theedrinken en vond hij ’s avonds ook weer de rust om eens wat te lezen."

De toekomst

"Je weet nooit hoe de verschillende levens zich in de toekomst zullen ontwikkelen, noch hoe de pleegzorg zich zal ontwikkelen, maar er zijn kleine mensjes die met erg weinig kansen aan het leven beginnen. Het geeft een heel goed gevoel als je met wat extra energie en zorg kan bijdragen aan de ontwikkeling van mensenlevens.

Je weet niet hoe ze het in de toekomst zullen doen, maar voor iedereen hoop je dat ze voldoende bagage en vertrouwen hebben meegekregen om hun eigen leven op te bouwen, en op een goede manier relaties te kunnen aan gaan. Voor de pleegzorg lijkt ons het allerbelangrijkste voor de toekomst dat ze de voorwaarden scheppen, zowel qua (pedagogische) begeleiding als qua financiële en materiële steun, zodat kwetsbare kinderen, die dat nog kunnen en willen, in gewone gezinnen kunnen opgroeien."