artikel uit Mobiel 3, juni/juli 2001

Een kort overzicht van pleegzorg In Nederland

Door: Dr. Luk M. H. Robbroeckx,
universitair hoofddocent KUN en Instituut voor Orthopedagogiek

Pleegzorg in Nederland is ingrijpend veranderd sinds de introductie van de Wet op de Jeugdzorg in 1989. Artikel 23 van die Wet bepaalt dat pleegzorg zo snel mogelijk moet worden geboden, dat die zorg zo dicht mogelijk bij huis moet worden geboden, dat ze zo kort mogelijk moet duren en op de minst ingrijpende manier moet plaatsvinden.

Verder schrijft de Wet op de Jeugdzorg voor dat in alle gevallen moet worden gestreefd naar het herstel van de banden met de ouders. Organisatorisch gezien wordt met de Wet gestreefd naar een betere verspreiding van Voorzieningen voor Pleegzorg in het land, naar duidelijk onderscheid tussen vrijwillige en gerechtelijke vormen van pleegzorg en naar een eenduidige financiering.

Vanaf het moment van de introductie van de Wet op de Jeugdzorg heeft pleegzorg zich niet slechts ontwikkeld tot een officieel erkende vorm van dienstverlening binnen de jeugdzorg, maar tevens tot een volledig geprofessionaliseerde en algemeen geaccepteerde manier om kinderen te helpen als zij zich in problematische gezinssituaties bevinden.

Huidige trends

Om te beginnen moet gezegd worden dat bij een beschrijving van pleegzorg in Nederland geen gebruik kan worden gemaakt van ‘harde’ cijfers en betrouwbare statistische gegeven. Dergelijke eenduidige gegevens ontbreken omdat er tot dusver geen gestandaardiseerde procedures worden toegepast voor registratie van pleegzorgplaatsingen.

Dat laat onverlet dat een schets kan worden gemaakt van de huidige situatie en de recente geschiedenis. Zo kan met zekerheid gesteld worden dat het huidige systeem in Nederland in onvoldoende mate tegemoet komt aan de behoefte van (pleeg)kinderen. De pleegzorgcapaciteit in Nederland bedraagt ongeveer 6000 pleeggezinnen die tezamen tot ongeveer 10000 pleegkinderen kunnen plaatsen. Deze capaciteit is ontoereikend, met name als gestreefd wordt naar plaatsing in gezinnen die aan de bijzondere eisen van kinderen kunnen voldoen. Door de beperkte capaciteit blijkt het voor 3000 kinderen per jaar onmogelijk in een pleeggezin geplaatst te worden. Er is nog een groot aantal pleeggezinnen nodig om kinderen te kunnen plaatsen op basis van de kind-eigen behoeften.

Ook andere brede ontwikkelingen kunnen worden onderscheiden. Zes van de tien pleegkinderen verblijven langer dan een jaar in een pleeggezin; de overige kinderen blijven in een pleeggezin voor een gemiddelde duur van vier maanden. Kinderen die niet geplaatst kunnen worden blijven in principe thuis, ongeacht de ernst van hun situatie. Soms wordt een kind noodgedwongen opgenomen in een residentiële instelling. Gemiddeld bestaat de helft van alle plaatsingen uit gerechtelijke en de andere helft uit vrijwillige plaatsingen; 65 procent van de vrijwillige plaatsingen betreft meisjes en 53 procent van de gerechtelijke plaatsingen betreft jongens. Ongeveer tweederde van de vrijwillig geplaatste kinderen is ouder dan twaalf. Vijftien procent van alle pleegkinderen is van allochtone afkomst.

Ontwikkelingen in pleegzorg

Gedurende de laatste twee decennia is er sprake van een aantal veranderingen. Het aantal vrijwillige plaatsingen is toegenomen. Netwerkpleegzorg, waarbij kinderen worden geplaatst binnen de familie of het sociale netwerk, is gegroeid tot circa 40 procent van alle plaatsingen. Indicaties voor pleegzorg en de aantallen geplaatste pleegkinderen zijn toegenomen. Een vierde vermeldenswaardige trend is de ontwikkeling van weekend-pleegzorg en, in delen van het land, dag-pleegzorg. Deze vormen van pleegzorg bieden ouders verlichting van hun ouderlijke taak. Tenslotte moet worden vermeld dat het huidige Nederlandse beleid streeft naar een ‘vraaggestuurd’ zorgprogramma in plaats van een ‘aanbod’gestuurd zorgprogramma. Hierdoor ontstaat plaats voor intensieve gezinsbegeleiding, voordat uithuisplaatsing van kinderen wordt overwogen; voor flexibele pleegzorg als module (naast andere vormen van hulp) of als arrangement (permanente stabiliteit).

Pleegzorg in Nederland heeft zich in de afgelopen twintig jaar ontwikkeld op basis van onderzoek en verslaglegging, met name in de jaren tachtig, van voortgaande discussies en vervolgstudies en van vernieuwde wetgeving. Dit proces van onderzoek, discussie en wetgeving heeft geresulteerd in een doelmatiger (pleeg)zorgsysteem, waarin taken, verantwoordelijkheden, beslissingsprocedures en, het allerbelangrijkst, de doelen duidelijker zijn beschreven. Ook de menselijke aspecten van pleegzorg zijn daarbij onder de loep genomen. Ondanks de positieve ontwikkelingen zijn velen van mening dat de stem van kinderen, ouders en pleegouders nog al te vaak niet worden gehoord.