Pleegzorg in Nederland is ingrijpend veranderd sinds de introductie
van de Wet op de Jeugdzorg in 1989. Artikel 23 van die Wet bepaalt
dat pleegzorg zo snel mogelijk moet worden geboden, dat die zorg zo
dicht mogelijk bij huis moet worden geboden, dat ze zo kort mogelijk
moet duren en op de minst ingrijpende manier moet plaatsvinden.
Verder schrijft de Wet op de Jeugdzorg voor dat in alle gevallen
moet worden gestreefd naar het herstel van de banden met de ouders.
Organisatorisch gezien wordt met de Wet gestreefd naar een betere
verspreiding van Voorzieningen voor Pleegzorg in het land, naar duidelijk
onderscheid tussen vrijwillige en gerechtelijke vormen van pleegzorg
en naar een eenduidige financiering.
Vanaf het moment van de introductie van de Wet op de Jeugdzorg heeft
pleegzorg zich niet slechts ontwikkeld tot een officieel erkende vorm
van dienstverlening binnen de jeugdzorg, maar tevens tot een volledig
geprofessionaliseerde en algemeen geaccepteerde manier om kinderen
te helpen als zij zich in problematische gezinssituaties bevinden.
Huidige trends
Om te beginnen moet gezegd worden dat bij een beschrijving van pleegzorg
in Nederland geen gebruik kan worden gemaakt van ‘harde’
cijfers en betrouwbare statistische gegeven. Dergelijke eenduidige
gegevens ontbreken omdat er tot dusver geen gestandaardiseerde procedures
worden toegepast voor registratie van pleegzorgplaatsingen.
Dat laat onverlet dat een schets kan worden gemaakt van de huidige
situatie en de recente geschiedenis. Zo kan met zekerheid gesteld
worden dat het huidige systeem in Nederland in onvoldoende mate tegemoet
komt aan de behoefte van (pleeg)kinderen. De pleegzorgcapaciteit in
Nederland bedraagt ongeveer 6000 pleeggezinnen die tezamen tot ongeveer
10000 pleegkinderen kunnen plaatsen. Deze capaciteit is ontoereikend,
met name als gestreefd wordt naar plaatsing in gezinnen die aan de
bijzondere eisen van kinderen kunnen voldoen. Door de beperkte capaciteit
blijkt het voor 3000 kinderen per jaar onmogelijk in een pleeggezin
geplaatst te worden. Er is nog een groot aantal pleeggezinnen nodig
om kinderen te kunnen plaatsen op basis van de kind-eigen behoeften.
Ook andere brede ontwikkelingen kunnen worden onderscheiden. Zes
van de tien pleegkinderen verblijven langer dan een jaar in een pleeggezin;
de overige kinderen blijven in een pleeggezin voor een gemiddelde
duur van vier maanden. Kinderen die niet geplaatst kunnen worden blijven
in principe thuis, ongeacht de ernst van hun situatie. Soms wordt
een kind noodgedwongen opgenomen in een residentiële instelling.
Gemiddeld bestaat de helft van alle plaatsingen uit gerechtelijke
en de andere helft uit vrijwillige plaatsingen; 65 procent van de
vrijwillige plaatsingen betreft meisjes en 53 procent van de gerechtelijke
plaatsingen betreft jongens. Ongeveer tweederde van de vrijwillig
geplaatste kinderen is ouder dan twaalf. Vijftien procent van alle
pleegkinderen is van allochtone afkomst.
Ontwikkelingen in pleegzorg
Gedurende de laatste twee decennia is er sprake van een aantal veranderingen.
Het aantal vrijwillige plaatsingen is toegenomen. Netwerkpleegzorg,
waarbij kinderen worden geplaatst binnen de familie of het sociale
netwerk, is gegroeid tot circa 40 procent van alle plaatsingen. Indicaties
voor pleegzorg en de aantallen geplaatste pleegkinderen zijn toegenomen.
Een vierde vermeldenswaardige trend is de ontwikkeling van weekend-pleegzorg
en, in delen van het land, dag-pleegzorg. Deze vormen van pleegzorg
bieden ouders verlichting van hun ouderlijke taak. Tenslotte moet
worden vermeld dat het huidige Nederlandse beleid streeft naar een
‘vraaggestuurd’ zorgprogramma in plaats van een ‘aanbod’gestuurd
zorgprogramma. Hierdoor ontstaat plaats voor intensieve gezinsbegeleiding,
voordat uithuisplaatsing van kinderen wordt overwogen; voor flexibele
pleegzorg als module (naast andere vormen van hulp) of als arrangement
(permanente stabiliteit).
Pleegzorg in Nederland heeft zich in de afgelopen twintig jaar ontwikkeld
op basis van onderzoek en verslaglegging, met name in de jaren tachtig,
van voortgaande discussies en vervolgstudies en van vernieuwde wetgeving.
Dit proces van onderzoek, discussie en wetgeving heeft geresulteerd
in een doelmatiger (pleeg)zorgsysteem, waarin taken, verantwoordelijkheden,
beslissingsprocedures en, het allerbelangrijkst, de doelen duidelijker
zijn beschreven. Ook de menselijke aspecten van pleegzorg zijn daarbij
onder de loep genomen. Ondanks de positieve ontwikkelingen zijn velen
van mening dat de stem van kinderen, ouders en pleegouders nog al
te vaak niet worden gehoord.