artikel uit Mobiel 2, april/mei 2001

Briefwisseling

Door: Michelle en Bert

Hoi Bert,

Misschien kun jij met al je ervaring in de pleegzorg mij iets uitleggen. Vorige week heeft de grootmoeder van onze eerste twee pleegdochters contact met mij opgenomen. Geheel onverwacht, omdat de meiden toch al bijna drie maanden geleden zijn vertrokken. Maar moeder durfde zelf niet te bellen en dus moest oma dat klusje maar even opknappen. De reden voor dat telefoontje was voornamelijk om mij op de hoogte te stellen van het wel en wee van de kinderen. De meiden wonen nu bij hun oma en dat is in dit geval geweldig: ze bloeien weer helemaal op en hebben binnen hun eigen ‘netwerk’ weer hun plekje gekregen.

Maar, eigenlijk gaat het niet goed, want hun moeder verwijdert zich steeds verder van haar kinderen. En dat brengt me op mijn vraagstelling. Toen ze bij ons kwamen wonen, was de indicatie ‘na een rustperiode van een maand of vier terug naar moeder’. Nu is er zelfs al OTS uitgesproken. Als ik terugdenk is er, in de periode dat de kinderen bij ons waren en nu nog steeds, helemaal geen aandacht voor moeder geweest. Pleegzorg legt prioriteit bij de pleeggezinnen en de kinderen, en de plaatser bekommerde zich in zeer beperkte mate om de kinderen. Moeder komt in dat hele plaatje niet voor.

Voor haar is er weinig ondersteuning en daadwerkelijke steun. Ik heb me daar tijdens de plaatsing ook al druk over gemaakt. Want blijkbaar kan ze het zelf niet en het gevolg is nu dat ze steeds verder afglijdt. Ik vind dat moeilijk te begrijpen, want het is toch zeker ook in het belang van de kinderen dat er aandacht en tijd is voor het herstel van moeder? Het uitgangspunt is toch dat kinderen bij hun eigen ouders ‘horen’. Waarom kreeg en krijgt moeder dan geen steuntje in de rug? Het is toch niet alleen haar eigen verantwoordelijkheid? Of wel?

Groetjes, Michelle

Hallo Michelle,

Gelijk heb je! En met die mening sta je bepaald niet alleen. Er zijn overigens al heel wat pogingen gedaan om de aandacht voor de ouder te vergroten. Ook in deze tijd zijn er weer interessante initiatieven op dat terrein.

Zeer nuttig. Maar te vaak gaat het om een betrekkelijk kleine groep ouders, in het kader van proefprojecten waarvoor extra geld beschikbaar is. Zodra de experimentele fase voorbij is -en de financiële omstandigheden genormaliseerd worden- zie je de mooie resultaten nogal eens wegzakken.

Vaak ook is die hulp kort beschikbaar: zodra de ouders eventjes goed functioneren wordt de extra aandacht al afgebouwd. Op zichzelf terecht, maar er zijn nu eenmaal ook ouders die redelijk kunnen functioneren als er tenminste een ‘eeuwigdurende’ bemoeizorg aangeboden wordt. Vergelijk het met een suikerpatiënt: die geef je ook niet alleen maar insuline totdat de suikerspiegel het goede niveau heeft bereikt. Een onderhoudsdosis blijft noodzakelijk.

Meer geld, en dus meer menskracht, zou natuurlijk kunnen bijdragen aan het oplossen van deze knelpunten. Het is te gemakkelijk om het daarmee af te doen. Weliswaar is het volgens mij echt zo dat de medewerkers van onze instellingen het veel te druk hebben, maar dat heeft ook te maken met het (niet) stellen van prioriteiten. Iedere medewerker kan je vertellen hoeveel papier- en regelwerk er de laatste jaren is bijgekomen. Gigantisch gewoon en, per item bezien, volstrekt zinnig en nuttig. Als totaalpakket bezien echter volledig uit evenwicht.*

Jij, ik, je pleegzorgwerker, je plaatser en al die andere individuen, moeten de beleidsmakers duidelijk maken dat de directe klantenzorg centraal dient te staan. Dat bijkomende zaken belangrijk zijn, maar dat, als er gekozen moeten worden (en dat zal altijd moeten), zij toch op het tweede plan komen. Ik pleit daarbij geenszins voor vormen van anarchie; ik pleit voor herbezinning op een gezonder evenwicht in het takenpakket. Dat kun je niet in je dooie uppie bewerkstelligen, maar we kunnen wel allemaal individueel bijdragen aan de ontkieming van zo’n proces. Kortom: blijven zeuren, blijven eisen en je niet laten doodknuffelen door de zoveelste nota over kwaliteit.

Groeten, Bert
* Jaren geleden noemde iemand V&D een perfect functionerend bedrijf met slechts één handicap: men sloot niet aan op de behoefte van de klant. Dat mag ons niet overkomen, maar die dreiging bestaat wel.