Onderzoek naar thuisplaatsing pleegkinderen
De Nederlandse Gezinsraad heeft onderzoek gedaan naar de thuisplaatsing
van pleegkinderen na langdurige uithuisplaatsingen in het kader van
ondertoezichtstelling. In het rapport Thuisplaatsing van pleegkinderen
zijn de resultaten van dat dossier-onderzoek neergelegd.
Achtentwintig zaken die aan gestelde inhoudelijke criteria voldeden
werden onderzocht naar de gronden waarop beslissingen worden genomen
om kinderen na een langdurig verblijf in een pleeggezin weer te laten
terugkeren bij hun eigen ouders. Geconcludeerd werd dat beslissingen
tot thuisplaatsing door de gezinsvoogdij-instellingen vooral worden
gemotiveerd aan de hand van verbeteringen die zijn opgetreden in het
gezin van herkomst.
De NGR pleit er onder meer voor dat gezinsvoogdij-instellingen in
de toekomst beslissingen tot een thuisplaatsing gemotiveerd kenbaar
maken aan belanghebbenden en dat daarbij duidelijk blijkt op welke
manieren de belangen van met name ouders, het kind en pleegouders
tegen elkaar zijn afgewogen. Als sluitstuk van de belangenafweging
acht de NGR de mogelijkheid tot rechterlijke toetsing gewenst.
Verder meent de NGR dat een fundamentele discussie moet worden gevoerd
over het gewenste juridisch kader van langdurige pleeggezinplaatsingen
van jonge kinderen. Zij stelt de vraag of bij dergelijke plaatsingen
een ontheffing van het gezag als wettelijk kader niet de voorkeur
zou verdienen boven een ondertoezichtstelling. Op die manier kan beter
worden gewaarborgd dat het jonge pleegkind een zekere toekomst tegemoet
gaat in het pleeggezin. Indien men tot de conclusie zou komen dat
een ontheffing om bovengenoemde reden de voorkeur zou verdienen, dan
is wijziging van de huidige wetgeving gewenst. Een andere opvallende
conclusie uit het rapport is dat aan de verplichting van gezinsvoogdij-instellingen
om een op handen zijnde thuisplaatsing mede te delen aan de raad voor
de kinderbescherming slechts in een kwart van de onderzochte gevallen
gevolg is gegeven.
Het rapport kan worden besteld (f 29,50) bij de NGR, Lange Voorhout
86, 2514 EJ Den Haag, tel. 070 - 330 60 60. Nadere informatie kan
worden ingewonnen bij mr. E.J. Nicolai, stafmedewerker NGR, tel. 070
- 330 60 68, e-mail:
Alarmerend lange wachtlijsten
De rubriek Nieuws in het tijdschrift over jeugd 0 /25 van april maakt
er melding van dat bij de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling,
bureaus Jeugdzorg en jeugdhulpinstellingen de wachtlijsten onrustbarend
lang zijn, volgens de medewerkers van de AMK’s en de bureaus
Jeugdzorg.
Uit een snelle enquête van het Landelijk Programmamanagement
Jeugdzorg blijkt dat 93 procent van de AMK’s de wachttijd tot
de overdracht naar hulpverlening onaanvaardbaar lang en alarmerend
acht. Volgens 47 procent is de wachttijd tussen een aanmelding en
de start van het onderzoek te lang. AMK-medewerkers moeten zich langer
met de gezinnen bemoeien vanwege de wachtlijsten bij de hulpverlening.
Ook is er sprake van een personeels-tekort.
Bij de bureaus Jeugdzorg meent driekwart dat de wachttijden voor
een eerste afspraak, de tijd die nodig is om de toegangsfuncties van
bureau Jeugdzorg te doorlopen en de wachttijd voor licht-ambulante
hulp onaanvaardbaar lang zijn.
Voor de geïndiceerde jeugdhulpverlening is de situatie over
het geheel gezien minder alarmerend. Niettemin komen in heel Nederland
ernstige situaties voor. Provincies laten onderling grote verschillen
zien.
De respons van de geënquêteerden lag heel hoog: resp.
39 van de 40 bureaus voor Jeugdzorg en 15 van de 17 AMK’s reageerden.
Om de wachtlijsten terug te brengen wordt onder meer aanbevolen meer
geld en mensen in te zetten; een verkorte screening toe te passen;
inzet van extra medewerkers tijdens pieken; ontwikkeling en aanbod
van kortdurende ambulante hulpverlening; het geven van groepsbegeleiding
i.p.v. individuele begeleiding; het verlenen van voorrang aan cliënten
van AMK’s. Verder menen de instanties dat het werk ook beter
kan worden georganiseerd. Bij centrale registratie bijvoorbeeld wordt
dubbele aanmelding voorkomen, ook daarmee krimpen de wachtlijsten.
Zeeland stopt met plaatsing
De Stichting Jeugdzorg Zeeland is wegens geldgebrek gestopt met de
plaatsing van pleegkinderen. Het plaatsen van een pleegkind kost ongeveer
zestien duizend gulden per jaar, terwijl Jeugdzorg 14.700 gulden per
pleegkind ontvangt. Dat verschil lijdt tot een ernstig tekort. Ondertussen
staan er veertig kinderen op de wachtlijst voor plaatsing en hun aantal
groeit. Jeugdzorg Zeeland is in overleg met de provincie om tot een
oplossing te komen.
Jeugdzorg thuis in Brabant
De Provincie Brabant maakt melding van een omslag in haar aanpak:
jeugdzorg moet thuis plaats vinden. In de leefomgeving van het kind,
het gezin zelf, jeugdzorg bieden is het meest effectief. Uit onderzoek
blijkt dat inzet van mensen en middelen juist daar meer zin heeft
dan het op grote schaal opvangen van jongeren in daghulp en internaten.
Het Taskforce Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant adviseert het provinciebestuur
daarom over te gaan naar een vraaggestuurde in plaats van een diagnose-gestuurde
vorm van jeugdzorg.
Op grond van de nieuwe Wet op de jeugdzorg zijn provincies vanaf
1 januari 2003 verantwoordelijk voor een onafhankelijk provinciaal
bureau Jeugdzorg en het realiseren van het recht van jongeren op zorg.
De taskforce meent dat een vernieuwende aanpak tevens positief zal
uitwerken op de lengte van de wachtlijsten. In de statencommissie
Volksgezondheid, ouderen en jeugd is het advies positief ontvangen.
Op dit moment wordt overlegd over proefprojecten in Tilburg en Noordoost-Brabant.
Voor informatie: R. van Nistelrooij, tel. 073 - 681 28 94.
Mogelijkheden tot beroep voor pleegouders
Op de redactie kwam vetonderstreept een artikel binnen uit het februarinummer
van Perspectief, informatie- en opinieblad voor de jeugdbescherming.
Het artikel, van Sylvia Wortmann, gaat in op de mogelijkheden die
pleegouders hebben om in beroep te gaan bij de kinderrechter als zij
hun pleegkind liever niet zien teruggaan naar de oorspronkelijke ouders,
omdat die in hun ogen ongeschikt zijn voor de opvoeding.
De Hoge Raad heeft beslist dat pleegouders in beroep kunnen gaan
bij de kinderrechter bij een beslissing van de gezinsvoogdij-instelling
tot terugplaatsing van het pleegkind bij de ouder(s). Niet de wet,
maar de wetsgeschiedenis biedt duidelijkheid. Eerst moeten pleegouders
zich tot de gezinsvoogdij-instelling wenden met het verzoek af te
zien van beëindiging van de uithuisplaatsing. Als de gezinsvoogdij-instelling
volhardt in haar opvatting, dan kan de kinderrechter verzocht worden
de beslissing van de instelling te vernietigen. De Hoge Raad oordeelt
dat de kinderrechter en het hof een herziene beslissing van de voogdij-instelling
ten volle als civiele rechter beoordelen.
In het artikel wordt ingegaan op een praktijk case, waarbij uiteindelijk
de pleegouders een telefonisch verzoek bij de kinderrechter indienden
de voorgenomen terugplaatsing van hun pleegkind te beoordelen. Echter
in artikel 1:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek staat dat verzoeken
aan de gezinsvoogdij-instelling en aan de kinderrechter schriftelijk
moeten worden gedaan. Slechts in uitzonderlijke gevallen, zoals spoedgevallen,
is een mondeling verzoek mogelijk.