artikel uit Mobiel 2, april/mei 2001

Berichten

Door: redactie

Onderzoek naar thuisplaatsing pleegkinderen

De Nederlandse Gezinsraad heeft onderzoek gedaan naar de thuisplaatsing van pleegkinderen na langdurige uithuisplaatsingen in het kader van ondertoezichtstelling. In het rapport Thuisplaatsing van pleegkinderen zijn de resultaten van dat dossier-onderzoek neergelegd.

Achtentwintig zaken die aan gestelde inhoudelijke criteria voldeden werden onderzocht naar de gronden waarop beslissingen worden genomen om kinderen na een langdurig verblijf in een pleeggezin weer te laten terugkeren bij hun eigen ouders. Geconcludeerd werd dat beslissingen tot thuisplaatsing door de gezinsvoogdij-instellingen vooral worden gemotiveerd aan de hand van verbeteringen die zijn opgetreden in het gezin van herkomst.

De NGR pleit er onder meer voor dat gezinsvoogdij-instellingen in de toekomst beslissingen tot een thuisplaatsing gemotiveerd kenbaar maken aan belanghebbenden en dat daarbij duidelijk blijkt op welke manieren de belangen van met name ouders, het kind en pleegouders tegen elkaar zijn afgewogen. Als sluitstuk van de belangenafweging acht de NGR de mogelijkheid tot rechterlijke toetsing gewenst.

Verder meent de NGR dat een fundamentele discussie moet worden gevoerd over het gewenste juridisch kader van langdurige pleeggezinplaatsingen van jonge kinderen. Zij stelt de vraag of bij dergelijke plaatsingen een ontheffing van het gezag als wettelijk kader niet de voorkeur zou verdienen boven een ondertoezichtstelling. Op die manier kan beter worden gewaarborgd dat het jonge pleegkind een zekere toekomst tegemoet gaat in het pleeggezin. Indien men tot de conclusie zou komen dat een ontheffing om bovengenoemde reden de voorkeur zou verdienen, dan is wijziging van de huidige wetgeving gewenst. Een andere opvallende conclusie uit het rapport is dat aan de verplichting van gezinsvoogdij-instellingen om een op handen zijnde thuisplaatsing mede te delen aan de raad voor de kinderbescherming slechts in een kwart van de onderzochte gevallen gevolg is gegeven.

Het rapport kan worden besteld (f 29,50) bij de NGR, Lange Voorhout 86, 2514 EJ Den Haag, tel. 070 - 330 60 60. Nadere informatie kan worden ingewonnen bij mr. E.J. Nicolai, stafmedewerker NGR, tel. 070 - 330 60 68, e-mail:

Alarmerend lange wachtlijsten

De rubriek Nieuws in het tijdschrift over jeugd 0 /25 van april maakt er melding van dat bij de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling, bureaus Jeugdzorg en jeugdhulpinstellingen de wachtlijsten onrustbarend lang zijn, volgens de medewerkers van de AMK’s en de bureaus Jeugdzorg.

Uit een snelle enquête van het Landelijk Programmamanagement Jeugdzorg blijkt dat 93 procent van de AMK’s de wachttijd tot de overdracht naar hulpverlening onaanvaardbaar lang en alarmerend acht. Volgens 47 procent is de wachttijd tussen een aanmelding en de start van het onderzoek te lang. AMK-medewerkers moeten zich langer met de gezinnen bemoeien vanwege de wachtlijsten bij de hulpverlening. Ook is er sprake van een personeels-tekort.

Bij de bureaus Jeugdzorg meent driekwart dat de wachttijden voor een eerste afspraak, de tijd die nodig is om de toegangsfuncties van bureau Jeugdzorg te doorlopen en de wachttijd voor licht-ambulante hulp onaanvaardbaar lang zijn.

Voor de geïndiceerde jeugdhulpverlening is de situatie over het geheel gezien minder alarmerend. Niettemin komen in heel Nederland ernstige situaties voor. Provincies laten onderling grote verschillen zien.

De respons van de geënquêteerden lag heel hoog: resp. 39 van de 40 bureaus voor Jeugdzorg en 15 van de 17 AMK’s reageerden. Om de wachtlijsten terug te brengen wordt onder meer aanbevolen meer geld en mensen in te zetten; een verkorte screening toe te passen; inzet van extra medewerkers tijdens pieken; ontwikkeling en aanbod van kortdurende ambulante hulpverlening; het geven van groepsbegeleiding i.p.v. individuele begeleiding; het verlenen van voorrang aan cliënten van AMK’s. Verder menen de instanties dat het werk ook beter kan worden georganiseerd. Bij centrale registratie bijvoorbeeld wordt dubbele aanmelding voorkomen, ook daarmee krimpen de wachtlijsten.

Zeeland stopt met plaatsing

De Stichting Jeugdzorg Zeeland is wegens geldgebrek gestopt met de plaatsing van pleegkinderen. Het plaatsen van een pleegkind kost ongeveer zestien duizend gulden per jaar, terwijl Jeugdzorg 14.700 gulden per pleegkind ontvangt. Dat verschil lijdt tot een ernstig tekort. Ondertussen staan er veertig kinderen op de wachtlijst voor plaatsing en hun aantal groeit. Jeugdzorg Zeeland is in overleg met de provincie om tot een oplossing te komen.

Jeugdzorg thuis in Brabant

De Provincie Brabant maakt melding van een omslag in haar aanpak: jeugdzorg moet thuis plaats vinden. In de leefomgeving van het kind, het gezin zelf, jeugdzorg bieden is het meest effectief. Uit onderzoek blijkt dat inzet van mensen en middelen juist daar meer zin heeft dan het op grote schaal opvangen van jongeren in daghulp en internaten. Het Taskforce Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant adviseert het provinciebestuur daarom over te gaan naar een vraaggestuurde in plaats van een diagnose-gestuurde vorm van jeugdzorg.

Op grond van de nieuwe Wet op de jeugdzorg zijn provincies vanaf 1 januari 2003 verantwoordelijk voor een onafhankelijk provinciaal bureau Jeugdzorg en het realiseren van het recht van jongeren op zorg. De taskforce meent dat een vernieuwende aanpak tevens positief zal uitwerken op de lengte van de wachtlijsten. In de statencommissie Volksgezondheid, ouderen en jeugd is het advies positief ontvangen. Op dit moment wordt overlegd over proefprojecten in Tilburg en Noordoost-Brabant.

Voor informatie: R. van Nistelrooij, tel. 073 - 681 28 94.

Mogelijkheden tot beroep voor pleegouders

Op de redactie kwam vetonderstreept een artikel binnen uit het februarinummer van Perspectief, informatie- en opinieblad voor de jeugdbescherming. Het artikel, van Sylvia Wortmann, gaat in op de mogelijkheden die pleegouders hebben om in beroep te gaan bij de kinderrechter als zij hun pleegkind liever niet zien teruggaan naar de oorspronkelijke ouders, omdat die in hun ogen ongeschikt zijn voor de opvoeding.

De Hoge Raad heeft beslist dat pleegouders in beroep kunnen gaan bij de kinderrechter bij een beslissing van de gezinsvoogdij-instelling tot terugplaatsing van het pleegkind bij de ouder(s). Niet de wet, maar de wetsgeschiedenis biedt duidelijkheid. Eerst moeten pleegouders zich tot de gezinsvoogdij-instelling wenden met het verzoek af te zien van beëindiging van de uithuisplaatsing. Als de gezinsvoogdij-instelling volhardt in haar opvatting, dan kan de kinderrechter verzocht worden de beslissing van de instelling te vernietigen. De Hoge Raad oordeelt dat de kinderrechter en het hof een herziene beslissing van de voogdij-instelling ten volle als civiele rechter beoordelen.

In het artikel wordt ingegaan op een praktijk case, waarbij uiteindelijk de pleegouders een telefonisch verzoek bij de kinderrechter indienden de voorgenomen terugplaatsing van hun pleegkind te beoordelen. Echter in artikel 1:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek staat dat verzoeken aan de gezinsvoogdij-instelling en aan de kinderrechter schriftelijk moeten worden gedaan. Slechts in uitzonderlijke gevallen, zoals spoedgevallen, is een mondeling verzoek mogelijk.