artikel uit Mobiel 1, februari/maart 2001

Onderzoek Singer en Doornenbal: Veel pleegkinderen vinden pleegouders het belangrijkste

thema: samenwerking ouders en pleegouders rond pleegkind

Door: Femke van den Berg, free lance journaliste

"Intensief oudercontact is niet altijd in het belang van het pleegkind", stelt dr. Elly Singer, universitair docent ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit van Utrecht en pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam. "Natuurlijk moet contact met de eigen ouders het uitgangspunt zijn van de jeugdhulpverlening, maar niet ten koste van alles.
Sommige kinderen proberen afstand te nemen van hun eigen ouders, omdat ze al zo vaak zijn teleurgesteld of omdat ze zich bedreigd voelen. Ze zoeken de veiligheid bij nieuwe ouders, de pleegouders. Geef ze die kans."

Elly Singer is specialist op het gebied van relaties tussen kinderen, eigen ouders en pleegouders. Samen met collega Jeannette Doornenbal onderzocht ze op welke wijze kinderen zich actief met hun eigen opvoeding bezig houden. Ook verdiepte zij zich in de manier waarop kinderen omgaan met conflicten met hun (pleeg)ouders. Singer: "De algemeen gangbare opvatting in de hulpverlening is, dat het contact tussen eigen ouders en kinderen niet mag worden verbroken, ook niet als kinderen langdurig uit huis geplaatst worden en waarschijnlijk nooit meer terug gaan naar hun eigen ouders".

Daarvoor zijn allerlei argumenten. De band tussen eigen ouders en kinderen zou onverbrekelijk zijn en kinderen zouden de breuk met hun eigen ouders alleen kunnen verwerken door contact met de eigen ouders te houden. "Volgens mij is dat niet altijd waar. Voor de meeste kinderen blijkt het inderdaad goed te zijn dat ze hun ouders blijven zien, maar dat geldt zeker niet voor allen.
Uit ons onderzoek, en ook uit buitenlands onderzoek, blijkt bijvoorbeeld dat voor veel langdurig geplaatste kinderen de pleegouders het belangrijkste worden en dat een minderheid de eigen ouders helemaal niet noemt als je vraagt naar welke mensen voor hen belangrijk zijn. Niet goed, volgens sommige hulpverleners, maar daar ben ik het mee oneens. Voor kinderen is het uitermate belangrijk dat zij een stabiele vader- en/of moederfiguur om zich heen hebben. Waarom kunnen dat niet de pleegouders zijn?"

Beste maatjes

Wat veel kinderen betreft, kunnen dat zeker de pleegouders zijn. In 1999 interviewden Singer en Doornenbal vijfenveertig pleegkinderen in de leeftijd van acht tot dertien jaar. i)

Ze stelden ondermeer vragen om te achterhalen welke mensen de kinderen het liefst om zich heen hebben en of pleegouders ook tot die selecte groep behoren. Daartoe gebruikten ze een relatiediagram, dat inzicht geeft in het relatienetwerk van het pleegkind. Wie beschouwt het als heel nabij, met wie staat het op goede voet, zonder dat het contact heel innig is en wie staat het verst van het pleegkind af. Veel kinderen waren al vanaf de baby- of kleutertijd in hetzelfde pleeggezin. Slechts vier kinderen woonden korter dan twee jaar in het huidige pleeggezin. Ter controle spraken Doornenbal en Singer ook met achtenveertig kinderen die bij hun eigen ouders opgroeiden.
Aan de kinderen die deelnamen aan het onderzoek, werd eerst uitgelegd dat de interviewer hen door middel van een aantal vragen beter wilde leren kennen. Daarna kregen ze een geplastificeerd blad van 60 bij 60 centimeter voor zich. Hierop waren drie concentrische cirkels getekend: een rode middencirkel, een oranje cirkel daar omheen en een gele buitenste cirkel.
Ook kregen de kinderen abstracte houten poppen in drie maten, waarvan sommige een broek droegen en anderen een rok. Tot slot overhandigde de interviewer ze poppen van huisdieren.

Elly Singer: "We vroegen de kinderen eerst zichzelf in een van de cirkels te zetten. Daarna legden we ze uit dat de rode cirkel bedoeld was voor de grote mensen, kinderen en dieren die ze het allerliefste om zich heen hadden; met wie ze de beste maatjes waren. In de oranje middencirkel kwamen de mensen die iets verder van de kinderen afstonden. De gele buitencirkel was gereserveerd voor personen die best oké zijn, maar door de kinderen niet gemist worden als ze er niet zijn.

Pleegouders allerliefst

Als we alleen kijken naar waar de kinderen de eigen ouders en de pleegouders plaatsen, valt op dat 44% van hen alleen de pleegouders in de rode, meest intieme cirkel plaatst. 29% koos voor pleegouders en eigen ouders, en slechts 13% verkeert het liefst in de nabijheid van de eigen ouders. Voor de controlegroep was dat overigens bijna 100%; kinderen die thuis opgroeien kiezen dus bijna allemaal hun eigen ouders als allerliefsten. Alleen kinderen van alleenstaande moeders noemden niet allemaal hun vader. De resterende 13% van de pleegkinderen kiest, en dat vind ik uitermate triest, helemaal geen ouders.

Kortom, opvallend veel kinderen vinden zowel de eigen ouders als de pleegouders erg lief. Dit bevestigt het huidige uitgangspunt in de jeugdhulpverlening dat veel kinderen best kunnen leven met twee ouderparen; ze zijn loyaal aan beide. Maar even belangrijk is echter dat de meest kinderen hun pleegouders op nummer een zetten. Dat stemt me optimistisch. Veel kinderen die aan ons onderzoek deelnamen, zijn in hun vroege jeugd ernstig verwaarloosd of mishandeld. Blijkbaar kunnen kinderen met slechte ‘vooruitzichten’ zich nog heel goed leren hechten aan andere volwassenen dan de eigen vader en moeder."

De tel kwijt

Een onderzoek van Fiet van Beek van bureau WESP laat andere conclusies zien: de kinderen in haar onderzoek hadden heel veel heimwee naar thuis en verlangden enorm naar hun eigen ouders. ii)

Hoe zijn die tegenstrijdige resultaten te verklaren? "De kinderen die aan het onderzoek van WESP deelnamen, groeiden niet op in een stabiel pleeggezin", zegt Singer. "Ze waren allemaal minimaal vier maal tot elf maal van gezin of tehuis veranderd. Sommigen waren zelfs zo vaak verkast, dat ze de tel kwijt waren geraakt! Logisch dat deze kinderen wel intens naar hun eigen ouders verlangen. Die zijn immers nog steeds de meest stabiele figuren in hun leven, waar het een komen en gaan is van pleegouders en hulpverleners. Waren deze kinderen meteen in een goed pleeggezin geplaatst, dan hadden zij zich daar aan een ouder kunnen hechten en zouden zij zich vermoedelijk minder trouw aan hun eigen ouders betoond hebben. Ik vraag me dus af of die sterke loyaliteit aan de eigen ouders niet voor een deel verklaard kan worden door een falende hulpverlening.
Sowieso vind ik dat hulpverleners beter moeten luisteren naar de verhalen van pleegkinderen en pleegouders. En dat ze moeten beseffen dat pleegouders en pleegkinderen vaak een hechte band ontwikkelen. Niet altijd natuurlijk. In ons onderzoek zijn ook enkele kinderen die de eigen ouders kiezen en niet de pleegouders waar ze sinds hun babytijd bij hebben gewoond.’

Veilige basis

‘In het Hooglied staat al: liefde laat zich niet dwingen. Maar het ligt voor de hand dat ouders die veel aandacht en liefde aan hun pleegkind schenken en het jarenlang in huis hebben, zich sterk verbonden gaan voelen met dat kind. En andersom geldt dat ook.
Kinderen die langdurig in een en hetzelfde pleeggezin wonen, zullen zich hechten aan het gezin, aan de vriendjes in de buurt, aan de school. Misschien is dat niet wat de beleidsmakers met de pleegzorg voor ogen staat, maar zo werkt het nu eenmaal. Een kind kan niet besluiten om zich niet te hechten, het heeft een veilige basis nodig. Gun zo’n kind die basis. Zend niet steeds de boodschap uit dat de eigen ouders uiteindelijk de enige ‘echte ouders’ zijn, en dat een pleeggezin altijd ‘tweede keus’ en ‘tweederangs’ is. Eigenlijk zeg je dan tegen een kind: je bent minder dan andere kinderen en je wordt pas normaal als het weer goed komt met je biologische ouders.
Luister naar het kind, maar ook naar zijn eigen ouders. En vergeet vooral de pleegouders niet! Probeer met de drie partijen in gesprek te blijven en zoek voor elk individueel kind naar de beste oplossing. Want wat goed is voor het ene kind, is dat niet automatisch ook voor het andere. Sommigen zijn gebaat bij een intensief oudercontact en anderen niet. Dat moet de hulpverlening leren te accepteren."

i) Doornenbal, Jeannette en Elly Singer, Wat doe jij met lastige ouders? Verhalen en tips van kinderen (NVP, Utrecht 2000).
ii) Van Beek, Fiet, Missen we iets? Uit huis geplaatste kinderen over hun levensvragen (SWP, Utrecht 2000).