"Intensief oudercontact is niet altijd in het belang van het
pleegkind", stelt dr. Elly Singer, universitair docent ontwikkelingspsychologie
aan de Universiteit van Utrecht en pedagogiek aan de Universiteit
van Amsterdam. "Natuurlijk moet contact met de eigen ouders het
uitgangspunt zijn van de jeugdhulpverlening, maar niet ten koste van
alles.
Sommige kinderen proberen afstand te nemen van hun eigen ouders, omdat
ze al zo vaak zijn teleurgesteld of omdat ze zich bedreigd voelen.
Ze zoeken de veiligheid bij nieuwe ouders, de pleegouders. Geef ze
die kans."
Elly Singer is specialist op het gebied van relaties tussen kinderen,
eigen ouders en pleegouders. Samen met collega Jeannette Doornenbal
onderzocht ze op welke wijze kinderen zich actief met hun eigen opvoeding
bezig houden. Ook verdiepte zij zich in de manier waarop kinderen
omgaan met conflicten met hun (pleeg)ouders. Singer: "De algemeen
gangbare opvatting in de hulpverlening is, dat het contact tussen
eigen ouders en kinderen niet mag worden verbroken, ook niet als kinderen
langdurig uit huis geplaatst worden en waarschijnlijk nooit meer terug
gaan naar hun eigen ouders".
Daarvoor zijn allerlei argumenten. De band tussen eigen ouders en
kinderen zou onverbrekelijk zijn en kinderen zouden de breuk met hun
eigen ouders alleen kunnen verwerken door contact met de eigen ouders
te houden. "Volgens mij is dat niet altijd waar. Voor de meeste
kinderen blijkt het inderdaad goed te zijn dat ze hun ouders blijven
zien, maar dat geldt zeker niet voor allen.
Uit ons onderzoek, en ook uit buitenlands onderzoek, blijkt bijvoorbeeld
dat voor veel langdurig geplaatste kinderen de pleegouders het belangrijkste
worden en dat een minderheid de eigen ouders helemaal niet noemt als
je vraagt naar welke mensen voor hen belangrijk zijn. Niet goed, volgens
sommige hulpverleners, maar daar ben ik het mee oneens. Voor kinderen
is het uitermate belangrijk dat zij een stabiele vader- en/of moederfiguur
om zich heen hebben. Waarom kunnen dat niet de pleegouders zijn?"
Beste maatjes
Wat veel kinderen betreft, kunnen dat zeker de pleegouders zijn.
In 1999 interviewden Singer en Doornenbal vijfenveertig pleegkinderen
in de leeftijd van acht tot dertien jaar. i)
Ze stelden ondermeer vragen om te achterhalen welke mensen de kinderen
het liefst om zich heen hebben en of pleegouders ook tot die selecte
groep behoren. Daartoe gebruikten ze een relatiediagram, dat inzicht
geeft in het relatienetwerk van het pleegkind. Wie beschouwt het als
heel nabij, met wie staat het op goede voet, zonder dat het contact
heel innig is en wie staat het verst van het pleegkind af. Veel kinderen
waren al vanaf de baby- of kleutertijd in hetzelfde pleeggezin. Slechts
vier kinderen woonden korter dan twee jaar in het huidige pleeggezin.
Ter controle spraken Doornenbal en Singer ook met achtenveertig kinderen
die bij hun eigen ouders opgroeiden.
Aan de kinderen die deelnamen aan het onderzoek, werd eerst uitgelegd
dat de interviewer hen door middel van een aantal vragen beter wilde
leren kennen. Daarna kregen ze een geplastificeerd blad van 60 bij
60 centimeter voor zich. Hierop waren drie concentrische cirkels getekend:
een rode middencirkel, een oranje cirkel daar omheen en een gele buitenste
cirkel.
Ook kregen de kinderen abstracte houten poppen in drie maten, waarvan
sommige een broek droegen en anderen een rok. Tot slot overhandigde
de interviewer ze poppen van huisdieren.
Elly Singer: "We vroegen de kinderen eerst zichzelf in een van
de cirkels te zetten. Daarna legden we ze uit dat de rode cirkel bedoeld
was voor de grote mensen, kinderen en dieren die ze het allerliefste
om zich heen hadden; met wie ze de beste maatjes waren. In de oranje
middencirkel kwamen de mensen die iets verder van de kinderen afstonden.
De gele buitencirkel was gereserveerd voor personen die best oké
zijn, maar door de kinderen niet gemist worden als ze er niet zijn.
Pleegouders allerliefst
Als we alleen kijken naar waar de kinderen de eigen ouders en de
pleegouders plaatsen, valt op dat 44% van hen alleen de pleegouders
in de rode, meest intieme cirkel plaatst. 29% koos voor pleegouders
en eigen ouders, en slechts 13% verkeert het liefst in de nabijheid
van de eigen ouders. Voor de controlegroep was dat overigens bijna
100%; kinderen die thuis opgroeien kiezen dus bijna allemaal hun eigen
ouders als allerliefsten. Alleen kinderen van alleenstaande moeders
noemden niet allemaal hun vader. De resterende 13% van de pleegkinderen
kiest, en dat vind ik uitermate triest, helemaal geen ouders.
Kortom, opvallend veel kinderen vinden zowel de eigen ouders als
de pleegouders erg lief. Dit bevestigt het huidige uitgangspunt in
de jeugdhulpverlening dat veel kinderen best kunnen leven met twee
ouderparen; ze zijn loyaal aan beide. Maar even belangrijk is echter
dat de meest kinderen hun pleegouders op nummer een zetten. Dat stemt
me optimistisch. Veel kinderen die aan ons onderzoek deelnamen, zijn
in hun vroege jeugd ernstig verwaarloosd of mishandeld. Blijkbaar
kunnen kinderen met slechte ‘vooruitzichten’ zich nog heel
goed leren hechten aan andere volwassenen dan de eigen vader en moeder."
De tel kwijt
Een onderzoek van Fiet van Beek van bureau WESP laat andere conclusies
zien: de kinderen in haar onderzoek hadden heel veel heimwee naar
thuis en verlangden enorm naar hun eigen ouders. ii)
Hoe zijn die tegenstrijdige resultaten te verklaren? "De kinderen
die aan het onderzoek van WESP deelnamen, groeiden niet op in een
stabiel pleeggezin", zegt Singer. "Ze waren allemaal minimaal
vier maal tot elf maal van gezin of tehuis veranderd. Sommigen waren
zelfs zo vaak verkast, dat ze de tel kwijt waren geraakt! Logisch
dat deze kinderen wel intens naar hun eigen ouders verlangen. Die
zijn immers nog steeds de meest stabiele figuren in hun leven, waar
het een komen en gaan is van pleegouders en hulpverleners. Waren deze
kinderen meteen in een goed pleeggezin geplaatst, dan hadden zij zich
daar aan een ouder kunnen hechten en zouden zij zich vermoedelijk
minder trouw aan hun eigen ouders betoond hebben. Ik vraag me dus
af of die sterke loyaliteit aan de eigen ouders niet voor een deel
verklaard kan worden door een falende hulpverlening.
Sowieso vind ik dat hulpverleners beter moeten luisteren naar de verhalen
van pleegkinderen en pleegouders. En dat ze moeten beseffen dat pleegouders
en pleegkinderen vaak een hechte band ontwikkelen. Niet altijd natuurlijk.
In ons onderzoek zijn ook enkele kinderen die de eigen ouders kiezen
en niet de pleegouders waar ze sinds hun babytijd bij hebben gewoond.’
Veilige basis
‘In het Hooglied staat al: liefde laat zich niet dwingen. Maar
het ligt voor de hand dat ouders die veel aandacht en liefde aan hun
pleegkind schenken en het jarenlang in huis hebben, zich sterk verbonden
gaan voelen met dat kind. En andersom geldt dat ook.
Kinderen die langdurig in een en hetzelfde pleeggezin wonen, zullen
zich hechten aan het gezin, aan de vriendjes in de buurt, aan de school.
Misschien is dat niet wat de beleidsmakers met de pleegzorg voor ogen
staat, maar zo werkt het nu eenmaal. Een kind kan niet besluiten om
zich niet te hechten, het heeft een veilige basis nodig. Gun zo’n
kind die basis. Zend niet steeds de boodschap uit dat de eigen ouders
uiteindelijk de enige ‘echte ouders’ zijn, en dat een pleeggezin
altijd ‘tweede keus’ en ‘tweederangs’ is. Eigenlijk
zeg je dan tegen een kind: je bent minder dan andere kinderen en je
wordt pas normaal als het weer goed komt met je biologische ouders.
Luister naar het kind, maar ook naar zijn eigen ouders. En vergeet
vooral de pleegouders niet! Probeer met de drie partijen in gesprek
te blijven en zoek voor elk individueel kind naar de beste oplossing.
Want wat goed is voor het ene kind, is dat niet automatisch ook voor
het andere. Sommigen zijn gebaat bij een intensief oudercontact en
anderen niet. Dat moet de hulpverlening leren te accepteren."
i) Doornenbal, Jeannette en Elly Singer, Wat doe jij met lastige
ouders? Verhalen en tips van kinderen (NVP, Utrecht 2000).
ii) Van Beek, Fiet, Missen we iets? Uit huis geplaatste kinderen over
hun levensvragen (SWP, Utrecht 2000).