artikel uit Mobiel 1, februari/maart 2001

Inleiding

thema: samenwerking ouders en pleegouders rond pleegkind

Door: redactie

Gelukkig gaat het vaak goed. Er wordt ook veel in geïnvesteerd, aan intenties en voorbereidingen en aan het oplossen van soms moeilijke situaties. Desondanks is het risico groot dat er in de communicatie tussen al diegenen die betrokken zijn bij een pleegkind iets mis gaat. Of dat zelfs het contact wordt opgeschort. In dit themagedeelte van MOBIEL wordt aandacht besteed aan de noodzaak tot goede samenwerking tussen pleegouders en ouders, aan een aantal moeilijkheden die zich daarbij in de praktijk kunnen voordoen en aan het verhaal van een ouder.

In de conceptnota voogdijoverdracht van het Steunpunt Pleegzorg Amstelstad staat: ‘Een pleegkind leeft in een uitzonderingssituatie. Er is extra aandacht nodig voor zijn ontwikkeling en de relatie met zijn eigen familie’.
In het Handboek van dezelfde organisatie wordt onderstreept dat bij het streven naar een verantwoord gezinsleven voor het pleegkind taken zijn weggelegd voor de ouders, pleegouders, pleegkinderen, pleegzorgwerkers en plaatsers. Het streven is kinderen ‘zo dicht mogelijk, zo licht mogelijk en zo kort mogelijk’ te plaatsen, bij voorkeur bij familie of binnen het netwerk en de leefwereld van het kind, en daarbij de familiebanden in stand te houden en zo mogelijk te versterken. Onder dat laatste wordt onder meer verstaan het betrekken van ouders en familie bij de beslissing tot uithuisplaatsing; het bevorderen van contacten met ouders en familie tijdens de plaatsing; het meewerken aan gezinshereniging, indien mogelijk, en het betrekken van ouders bij beslissingen voor en tijdens de pleeggezinplaatsing.

Het Steunpunt stelt verder in haar Visienota dat er aan een tweetal grondrechten van kinderen in de pleegzorg dient te worden voldaan. Het eerste betreft het recht op opvoeding, verzorging en ontwikkeling. Het tweede het ‘recht op afstamming en identiteit: door er zorg voor te dragen dat de familie van het kind respectvol benaderd wordt door alle betrokkenen en [het steunpunt] alles wat in haar vermogen ligt in het werk [zal] stellen om de familiebanden in stand te houden of te verbeteren.
Ook is er aandacht voor de pleeggezinnen: ‘...de aan haar verbonden pleeggezinnen, als partners in de pleegzorg die hun privé-situatie op vrijwillige basis inzetten, [te] zullen respecteren en zodanig voorbereiden, ondersteunen en begeleiden dat zij in staat zijn in hun dagelijkse zorg invulling te geven aan deze twee grondrechten’. Het Steunpunt streeft ernaar dat de bij haar geplaatste kinderen zullen worden ondersteund in het vormgeven van een zo goed mogelijke hechting en binding aan zowel ouders als pleegouders.

Al deze intenties vragen om goede communicatie en afstemming tussen al diegenen die betrokken zijn bij een pleegkind. In principe is het voor ieder kind van wezenlijk belang om omgang te hebben met zijn ouders. Een kind hoort bij zijn ouders, en andersom. Een pleegkind hoort bij zijn pleegouders en zijn ouders, en andersom. Pleegkinderen dragen hun eigen emoties en geschiedenis -en die van hun ouders- mee. Ouders, pleegouders en pleegzorgwerkers zijn en blijven toch vooral ook mensen, met hun sterke en zwakke kanten.