Gelukkig gaat het vaak goed. Er wordt ook veel in geïnvesteerd,
aan intenties en voorbereidingen en aan het oplossen van soms moeilijke
situaties. Desondanks is het risico groot dat er in de communicatie
tussen al diegenen die betrokken zijn bij een pleegkind iets mis gaat.
Of dat zelfs het contact wordt opgeschort. In dit themagedeelte van
MOBIEL wordt aandacht besteed aan de noodzaak tot goede samenwerking
tussen pleegouders en ouders, aan een aantal moeilijkheden die zich
daarbij in de praktijk kunnen voordoen en aan het verhaal van een
ouder.
In de conceptnota voogdijoverdracht van het Steunpunt Pleegzorg Amstelstad
staat: ‘Een pleegkind leeft in een uitzonderingssituatie. Er
is extra aandacht nodig voor zijn ontwikkeling en de relatie met zijn
eigen familie’.
In het Handboek van dezelfde organisatie wordt onderstreept dat bij
het streven naar een verantwoord gezinsleven voor het pleegkind taken
zijn weggelegd voor de ouders, pleegouders, pleegkinderen, pleegzorgwerkers
en plaatsers. Het streven is kinderen ‘zo dicht mogelijk, zo
licht mogelijk en zo kort mogelijk’ te plaatsen, bij voorkeur
bij familie of binnen het netwerk en de leefwereld van het kind, en
daarbij de familiebanden in stand te houden en zo mogelijk te versterken.
Onder dat laatste wordt onder meer verstaan het betrekken van ouders
en familie bij de beslissing tot uithuisplaatsing; het bevorderen
van contacten met ouders en familie tijdens de plaatsing; het meewerken
aan gezinshereniging, indien mogelijk, en het betrekken van ouders
bij beslissingen voor en tijdens de pleeggezinplaatsing.
Het Steunpunt stelt verder in haar Visienota dat er aan een tweetal
grondrechten van kinderen in de pleegzorg dient te worden voldaan.
Het eerste betreft het recht op opvoeding, verzorging en ontwikkeling.
Het tweede het ‘recht op afstamming en identiteit: door er zorg
voor te dragen dat de familie van het kind respectvol benaderd wordt
door alle betrokkenen en [het steunpunt] alles wat in haar vermogen
ligt in het werk [zal] stellen om de familiebanden in stand te houden
of te verbeteren.
Ook is er aandacht voor de pleeggezinnen: ‘...de aan haar verbonden
pleeggezinnen, als partners in de pleegzorg die hun privé-situatie
op vrijwillige basis inzetten, [te] zullen respecteren en zodanig
voorbereiden, ondersteunen en begeleiden dat zij in staat zijn in
hun dagelijkse zorg invulling te geven aan deze twee grondrechten’.
Het Steunpunt streeft ernaar dat de bij haar geplaatste kinderen zullen
worden ondersteund in het vormgeven van een zo goed mogelijke hechting
en binding aan zowel ouders als pleegouders.
Al deze intenties vragen om goede communicatie en afstemming tussen
al diegenen die betrokken zijn bij een pleegkind. In principe is het
voor ieder kind van wezenlijk belang om omgang te hebben met zijn
ouders. Een kind hoort bij zijn ouders, en andersom. Een pleegkind
hoort bij zijn pleegouders en zijn ouders, en andersom. Pleegkinderen
dragen hun eigen emoties en geschiedenis -en die van hun ouders- mee.
Ouders, pleegouders en pleegzorgwerkers zijn en blijven toch vooral
ook mensen, met hun sterke en zwakke kanten.