artikel uit Mobiel 6, december 2000/januari 2001

Perspectiefplanning

Een terug-naar-huis-koers uitzetten voor het pleegkind

Door: Joost Devolder, Vlaamse Dienst voor Pleegzorg

PLEEGZORG BIEDT KANSEN MAAR BAART OOK ZORGEN. ZO ROEPT PLEEGZORG VRAGEN OP ALS: WELKE KANT GAAN WE OP MET DIT KIND, WAT ZIJN DE VERWACHTINGEN VAN DE OUDERS, WAT IS DE MENING VAN DE PLEEGOUDERS,…?
OM TE KOMEN TOT EEN VERDEDIGBAAR TOEKOMSTPERSPECTIEF VAN HET KIND EN DE BETROKKENEN, DOEN WE HUN HET MEESTE RECHT DOOR ELKE SITUATIE OP ZICH GRONDIG TE ANALYSEREN VOLGENS EEN AANTAL VASTE ITEMS. DE WEST-VLAAMSE PLEEGGEZINNENDIENST VAN ROESELARE (BELGIË) WERKT EXPERIMENTEEL MET ZO’N SYSTEMATISCHE WERKWIJZE, DE 'PERSPECTIEFPLANNING'.

Perspectiefplanning is een werkwijze waarbij - via het schematisch in kaart brengen en analyseren van de situatie van pleegkind en ouders - een beslissing over de toekomst van het kind zorgvuldig, en onderbouwd kan worden genomen.
Bij deze aanpak worden de volgende domeinen van kind en pleegouders in kaart gebracht en geanalyseerd:

A. De wederzijdse betrokkenheid tussen de ouders- kind - pleegouders

We staan daarvoor stil bij de:

– Affectieve betrokkenheid: wat voelt men voor de ander?
– Cognitieve betrokkenheid: hoe denkt men na over zijn relatie tot de ander?
– Gedragsmatige betrokkenheid: hoe gedraagt men zich tegenover de ander?

B. De leefsituatie van de ouders

We hebben het hierbij over:

– De persoonskenmerken van de ouder-figuren
– De relatie van de ouderfiguren
– Het opvoedkundig handelen van de ouderfiguren
– Het huishouden van het thuismilieu
– Het netwerk van het thuismilieu

Per domein wordt gezocht naar de sterke en zwakke punten van de betrokkenen en worden de uitkomsten kort van commentaar voorzien.
Het overzichtelijk geheel dat men op die manier krijgt, geeft onderbouwing voor beslissingen m.b.t. de toekomstplanning van het pleegkind en de ouders.

Betrokkenheid ouders – kind – pleegouders.

Op essentiële vragen als: 'Waar hoort een pleegkind thuis?' biedt slogantaal geen antwoord. Men moet eerst de kluwen van gevoelens, gedachten, uitspraken en handelingen in de betreffende situatie proberen te ontwarren en te begrijpen.
Het verhaal van Ineke kan hierbij als voorbeeld dienen. Ineke's(10) uitroep van overdag 'dat ze het liefst bij haar echte mama zou wonen' bezorgt haar 's nachts angst en koude rillingen. Na 6 jaar bij Ruth en Ben, en hond Wannes voelt ze zich echt thuis bij haar pleegouders, ze zou hen vreselijk missen. Hoe graag ze haar moeder ook ziet, ze wil bij Ruth en Ben blijven. Haar mama zou dát eens moeten weten. Ineke schrikt van haar eigen verraad. Want vorig weekend nog vroeg ze haar moeder - uit dankbaarheid – na een bezoekje aan een pretpark: "Mama, wanneer mag ik weer bij jou komen wonen?" Ineke is totaal overstuur: wat wil ze nu eigenlijk?
Wat betrokkenen zeggen en doen is niet altijd in overeenstemming met wat men voelt of denkt.

De leefsituatie van de ouders

De tweede richtingwijzer voor de planning brengt ons bij de ouders en hun leefsituatie.
Of het nu gaat om een vrijwillige dan wel om een gedwongen pleegplaatsing, ze gaat altijd gepaard met zeer veel pijn voor de ouders en vaak ook voor de kinderen.
Pleegzorg is steeds een noodoplossing. Gesprekken met ouders van pleegkinderen leren dat hun leven dikwijls een aaneenschakeling is van armoede, gezinsconflicten, uitsluiting, gezondheidsproblemen, tegenslagen enz..
Meestal is de uithuisplaatsing een triest dieptepunt van die geschiedenis, een zoveelste bewijs dat het hen niet lukt, een zoveelste vernedering.
Als men op zeker moment wil nagaan of een gezinshereniging effectief nieuwe kansen biedt aan de ouders en hun kind, moet men samen met de ouders zoeken naar hun sterke en minder sterke punten in de aangegeven domeinen. Opvoeden is immers geen geïsoleerde of technische kwestie. Het is een interactie tussen mensen. Mensen met een eigen geschiedenis en een eigen persoonlijkheid. Sommigen zijn sterker dan anderen, kunnen meer of minder aan dan een ander.
Sommige ouders staan er alleen voor, anderen leven binnen een stabiel of minder stabiel partnerverband. Deze situatie beïnvloedt wel de wisselwerking tussen de ouder(s) en het kind, en of het kind zich goed of minder goed voelt bij zijn ouders.
Dat 'zich goed voelen' wordt door nog veel meer factoren gekleurd. Een krap inkomen, slechte woonomstandigheden, familie en vrienden die niet meer langskomen. Waar haal je dan nog de moed en de kracht vandaan om er bovenop te komen?
Zal je zoon nog kunnen aarden bij jou? Jij woont in een achterbuurt, de pleegouders in een riante villawijk. Jij kunt het lidmaatschap van de voetbalclub niet betalen, de pleegouders wel. De pleegouders brengen hem overal naar toe, jij hebt geen auto.
Dan hebben we het nog niet gehad over 'opvoeden'. Iets waarvan wij veronderstellen dat iedere ouder het zómaar kan. Van waar eigenlijk die immense misvatting?

Neem nu het voorbeeld van Sonja. Sonja woonde vanaf haar derde in pleeggezinnen. In het laatste gezin heeft ze zich nooit thuis gevoeld. Ze had het idee dat de pleegouders de eigen kinderen veel liever zagen. Ze pestte zichzelf uit het pleeggezin, maar voor haar opnieuw een bevestiging van de gedachte 'niemand wil mij'. Deze gedachte heeft haar nooit meer losgelaten. Ondertussen zijn we vijftien jaar, drie tehuizen, twee mannen en een kind -Hanne, zij is nu 4- verder. Sonja is alleen en Hanne woont momenteel nog in een pleeggezin. Hanne en Sonja verlangen allebei naar een gezinshereniging. Sonja heeft zich de voorbije periode steeds betrouwbaar en beschikbaar opgesteld naar haar dochter. Maar Sonja voelt zich onzeker, ze vraagt opvoedingsondersteuning aan. Want hoe moet je een kind van 4 opvoeden? Uit eigen ervaring kan ze niet of nauwelijks putten. Sonja wil absoluut niet falen. Ze zal het beter doen dan haar eigen moeder, maar wie helpt haar?

Uit de analyse van de 'leefsituatie' van Sonja komt het volgende beeld en een daarop aangesloten planning naar voren:

– persoonskenmerken bij Sonja: er is een positieve balans draagkracht - draaglast, maar Sonja heeft een negatief zelfbeeld en weinig vertrouwen in anderen. Dit is een aandachtspunt.
– partnerrelatie: Sonja is alleenstaand, op korte termijn is geen uitizcht op een wijziging van die situatie.
– opvoeding: er komt opvoedingsondersteuning, waarbij Sonja gebruik kan maken van de ervaring van de pleegouders.
– huisvesting, werk, financiën, financieel beheer, huishoudelijke vaardigheden: er is samen met Sonja een lijst van werkpunten opgemaakt. Die wordt door Sonja en de gezinsbegeleiding afgewerkt,
– sociale contacten (familie, kennissen, hulpverlening): Sonja heeft een beperkt, maar ondersteunend sociaal netwerk en dat wordt ingezet. Voor budgetbegeleiding zal ze een beroep doen op de lokale hulpverlening. De gezinsbegeleiding staat in voor de overige huishoudings-aspecten en voor de persoonlijke -en de opvoedingsondersteuning. Het pleeggezin zal bij de opvoedingsondersteuning betrokken worden.

Positief in deze aanpak is dat hier een terug-naar-huis-koers kan worden ingezet in samenspraak met Sonja, de pleegouders, de pleegzorg en de verwijzer (plaatser).

In zijn uitwerking is perspectiefplanning natuurlijk geen wondermiddel, maar het blijkt wel een bruikbaar instrument te zijn in de zoektocht naar een passend traject voor elke pleeggezinplaatsing.