PLEEGZORG BIEDT KANSEN MAAR BAART OOK ZORGEN. ZO ROEPT PLEEGZORG
VRAGEN OP ALS: WELKE KANT GAAN WE OP MET DIT KIND, WAT ZIJN DE VERWACHTINGEN
VAN DE OUDERS, WAT IS DE MENING VAN DE PLEEGOUDERS,…?
OM TE KOMEN TOT EEN VERDEDIGBAAR TOEKOMSTPERSPECTIEF VAN HET KIND
EN DE BETROKKENEN, DOEN WE HUN HET MEESTE RECHT DOOR ELKE SITUATIE
OP ZICH GRONDIG TE ANALYSEREN VOLGENS EEN AANTAL VASTE ITEMS. DE WEST-VLAAMSE
PLEEGGEZINNENDIENST VAN ROESELARE (BELGIË) WERKT EXPERIMENTEEL
MET ZO’N SYSTEMATISCHE WERKWIJZE, DE 'PERSPECTIEFPLANNING'.
Perspectiefplanning is een werkwijze waarbij - via het schematisch
in kaart brengen en analyseren van de situatie van pleegkind en ouders
- een beslissing over de toekomst van het kind zorgvuldig, en onderbouwd
kan worden genomen.
Bij deze aanpak worden de volgende domeinen van kind en pleegouders
in kaart gebracht en geanalyseerd:
A. De wederzijdse betrokkenheid tussen de ouders- kind - pleegouders
We staan daarvoor stil bij de:
– Affectieve betrokkenheid: wat voelt men voor de ander?
– Cognitieve betrokkenheid: hoe denkt men na over zijn relatie
tot de ander?
– Gedragsmatige betrokkenheid: hoe gedraagt men zich tegenover
de ander?
B. De leefsituatie van de ouders
We hebben het hierbij over:
– De persoonskenmerken van de ouder-figuren
– De relatie van de ouderfiguren
– Het opvoedkundig handelen van de ouderfiguren
– Het huishouden van het thuismilieu
– Het netwerk van het thuismilieu
Per domein wordt gezocht naar de sterke en zwakke punten van de betrokkenen
en worden de uitkomsten kort van commentaar voorzien.
Het overzichtelijk geheel dat men op die manier krijgt, geeft onderbouwing
voor beslissingen m.b.t. de toekomstplanning van het pleegkind en
de ouders.
Betrokkenheid ouders – kind – pleegouders.
Op essentiële vragen als: 'Waar hoort een pleegkind thuis?'
biedt slogantaal geen antwoord. Men moet eerst de kluwen van gevoelens,
gedachten, uitspraken en handelingen in de betreffende situatie proberen
te ontwarren en te begrijpen.
Het verhaal van Ineke kan hierbij als voorbeeld dienen. Ineke's(10)
uitroep van overdag 'dat ze het liefst bij haar echte mama zou wonen'
bezorgt haar 's nachts angst en koude rillingen. Na 6 jaar bij Ruth
en Ben, en hond Wannes voelt ze zich echt thuis bij haar pleegouders,
ze zou hen vreselijk missen. Hoe graag ze haar moeder ook ziet, ze
wil bij Ruth en Ben blijven. Haar mama zou dát eens moeten
weten. Ineke schrikt van haar eigen verraad. Want vorig weekend nog
vroeg ze haar moeder - uit dankbaarheid – na een bezoekje aan
een pretpark: "Mama, wanneer mag ik weer bij jou komen wonen?"
Ineke is totaal overstuur: wat wil ze nu eigenlijk?
Wat betrokkenen zeggen en doen is niet altijd in overeenstemming met
wat men voelt of denkt.
De leefsituatie van de ouders
De tweede richtingwijzer voor de planning brengt ons bij de ouders
en hun leefsituatie.
Of het nu gaat om een vrijwillige dan wel om een gedwongen pleegplaatsing,
ze gaat altijd gepaard met zeer veel pijn voor de ouders en vaak ook
voor de kinderen.
Pleegzorg is steeds een noodoplossing. Gesprekken met ouders van pleegkinderen
leren dat hun leven dikwijls een aaneenschakeling is van armoede,
gezinsconflicten, uitsluiting, gezondheidsproblemen, tegenslagen enz..
Meestal is de uithuisplaatsing een triest dieptepunt van die geschiedenis,
een zoveelste bewijs dat het hen niet lukt, een zoveelste vernedering.
Als men op zeker moment wil nagaan of een gezinshereniging effectief
nieuwe kansen biedt aan de ouders en hun kind, moet men samen met
de ouders zoeken naar hun sterke en minder sterke punten in de aangegeven
domeinen. Opvoeden is immers geen geïsoleerde of technische kwestie.
Het is een interactie tussen mensen. Mensen met een eigen geschiedenis
en een eigen persoonlijkheid. Sommigen zijn sterker dan anderen, kunnen
meer of minder aan dan een ander.
Sommige ouders staan er alleen voor, anderen leven binnen een stabiel
of minder stabiel partnerverband. Deze situatie beïnvloedt wel
de wisselwerking tussen de ouder(s) en het kind, en of het kind zich
goed of minder goed voelt bij zijn ouders.
Dat 'zich goed voelen' wordt door nog veel meer factoren gekleurd.
Een krap inkomen, slechte woonomstandigheden, familie en vrienden
die niet meer langskomen. Waar haal je dan nog de moed en de kracht
vandaan om er bovenop te komen?
Zal je zoon nog kunnen aarden bij jou? Jij woont in een achterbuurt,
de pleegouders in een riante villawijk. Jij kunt het lidmaatschap
van de voetbalclub niet betalen, de pleegouders wel. De pleegouders
brengen hem overal naar toe, jij hebt geen auto.
Dan hebben we het nog niet gehad over 'opvoeden'. Iets waarvan wij
veronderstellen dat iedere ouder het zómaar kan. Van waar eigenlijk
die immense misvatting?
Neem nu het voorbeeld van Sonja. Sonja woonde vanaf haar derde in
pleeggezinnen. In het laatste gezin heeft ze zich nooit thuis gevoeld.
Ze had het idee dat de pleegouders de eigen kinderen veel liever zagen.
Ze pestte zichzelf uit het pleeggezin, maar voor haar opnieuw een
bevestiging van de gedachte 'niemand wil mij'. Deze gedachte heeft
haar nooit meer losgelaten. Ondertussen zijn we vijftien jaar, drie
tehuizen, twee mannen en een kind -Hanne, zij is nu 4- verder. Sonja
is alleen en Hanne woont momenteel nog in een pleeggezin. Hanne en
Sonja verlangen allebei naar een gezinshereniging. Sonja heeft zich
de voorbije periode steeds betrouwbaar en beschikbaar opgesteld naar
haar dochter. Maar Sonja voelt zich onzeker, ze vraagt opvoedingsondersteuning
aan. Want hoe moet je een kind van 4 opvoeden? Uit eigen ervaring
kan ze niet of nauwelijks putten. Sonja wil absoluut niet falen. Ze
zal het beter doen dan haar eigen moeder, maar wie helpt haar?
Uit de analyse van de 'leefsituatie' van Sonja komt het volgende
beeld en een daarop aangesloten planning naar voren:
– persoonskenmerken bij Sonja: er is een positieve balans
draagkracht - draaglast, maar Sonja heeft een negatief zelfbeeld
en weinig vertrouwen in anderen. Dit is een aandachtspunt.
– partnerrelatie: Sonja is alleenstaand, op korte termijn is
geen uitizcht op een wijziging van die situatie.
– opvoeding: er komt opvoedingsondersteuning, waarbij Sonja
gebruik kan maken van de ervaring van de pleegouders.
– huisvesting, werk, financiën, financieel beheer, huishoudelijke
vaardigheden: er is samen met Sonja een lijst van werkpunten opgemaakt.
Die wordt door Sonja en de gezinsbegeleiding afgewerkt,
– sociale contacten (familie, kennissen, hulpverlening): Sonja
heeft een beperkt, maar ondersteunend sociaal netwerk en dat wordt
ingezet. Voor budgetbegeleiding zal ze een beroep doen op de lokale
hulpverlening. De gezinsbegeleiding staat in voor de overige huishoudings-aspecten
en voor de persoonlijke -en de opvoedingsondersteuning. Het pleeggezin
zal bij de opvoedingsondersteuning betrokken worden.
Positief in deze aanpak is dat hier een terug-naar-huis-koers kan
worden ingezet in samenspraak met Sonja, de pleegouders, de pleegzorg
en de verwijzer (plaatser).
In zijn uitwerking is perspectiefplanning natuurlijk geen wondermiddel,
maar het blijkt wel een bruikbaar instrument te zijn in de zoektocht
naar een passend traject voor elke pleeggezinplaatsing.