EEN KIND DAT IN EEN PLEEGGEZIN WORDT OPGENOMEN HEEFT VAAK AL HET
EEN EN ANDER MEEGEMAAKT. DAT DIT VERLEDEN CONSEQUENTIES HEEFT VOOR
JE AANPAK ALS PLEEGOUDER SPREEKT VAAK VOOR ZICH. MAAR WAT ALS HET
PLEEGKIND ONDANKS ALLE LIEFDE EN AANDACHT BIJVOORBEELD DRUK BLIJFT.
MOGELIJK IS ER SPRAKE VAN ADHD? OF ZOU OOK EEN GEVOLG KUNNEN ZIJN
VAN EEN STERK ONDERLIGGENDE ANGST WAARBIJ HET KIND VOORTDUREND HET
GEVOEL HEEFT VAN ALLES IN DE GATEN TE MOETEN HOUDEN? IN HET EERSTE
GEVAL ZAL ER GEKEKEN KUNNEN WORDEN NAAR ONDERSTEUNING MET MEDICIJNEN,
IN HET TWEEDE GEVAL KAN EEN VORM VAN THERAPIE EERDER OP ZIJN PLEK
ZIJN. WAT NU DE BESTE AANPAK IS, IS STERK AFHANKELIJK VAN DE KENNIS
OVER DE OORZAAK. DAARVOOR IS ONDERZOEK EN EEN DIAGNOSE NODIG. HET
CENTRUM VOOR PLEEGZORG IN ROTTERDAM BESCHIKT SINDS ENIGE TIJD OVER
EEN EIGEN DIAGNOSTIEKTEAM MET SPECIFIEKE KENNIS OVER PLEEGKINDEREN.
Steeds meer pleegouders krijgen tegenwoordig te maken met een onderzoek
naar gedragsproblemen bij hun pleegkind.
Hulpverleners zijn van mening dat er pas goed hulp verleend kan worden
als duidelijk is waar de (gedrags)problemen vandaan komen, en daarvoor
is onderzoek nodig. Voorheen werd bij het Centrum voor Pleegzorg in
Rotterdam, met uitzondering van de TGV, dat onderzoek aangevraagd
bij externe bureaus. De wachtlijsten voor een dergelijk onderzoek
waren soms lang en er was minder specifieke kennis over pleegkinderen.
Daarom is intern een speciaal team samengesteld, het zogenaamde 'diagnostiekteam'.
Dit team bestaat uit een kinder- en jeugdpsychiater, drie psychologen
en een orthopedagoge. Het team is beschikbaar voor het hele Centrum
voor Pleegzorg.
Een onderzoek wordt altijd aangevraagd door de pleegzorgbegeleider.
De vragen voor het onderzoek worden in overleg met de pleegouders
opgesteld. Belangrijk is dat de gezaghebbende personen toestemming
geven voor het onderzoek. Dit gaat meestal via de gezinsvoogd.
Het onderzoek vindt in principe plaats in het Centrum voor Pleegzorg.
Dit is belangrijk om aan de testvoorwaarden te voldoen. Bij kinderen
onder de 3 jaar gaan we veelal naar het pleeggezin toe, omdat het
voor hen mogelijk te bedreigend is om uit hun vertrouwde omgeving
te worden gehaald.
De voorbereiding
De rol van de pleegouders bij het onderzoek bestaat in de eerste
plaats uit de voorbereiding en opvang van het pleegkind. Zij zullen
niet bij het onderzoek zelf aanwezig zijn, tenzij het kind jonger
is dan 3 jaar. Daarnaast zijn pleegouders belangrijk voor het geven
van een extra stuk informatie. Door de dagelijkse omgang met het kind
weten pleegouders vaak al heel veel te vertellen over het kind dat
van belang kan zijn bij de interpretatie van onderzoeksgegevens. Deze
informatie staat vaak al in de dossiers of kan de pleegzorgbegeleider
verstrekken, maar soms wordt er ook gebruik gemaakt van specifieke
vragenlijsten. Een voorbeeld hiervan is de CBCL-gedragsvragenlijst
(Child Behavior CheckList). Het prettige van deze lijst is dat er
heel veel verschillende gedragingen worden genoemd waardoor de kans
klein is dat bepaald gedrag over het hoofd wordt gezien. Soms kan
gedrag al zo vanzelfsprekend zijn dat je je als pleegouder niet eens
meer realiseert dat dit niet bij de leeftijd van het kind past. Of
het aandachtvragende gedrag staat bijvoorbeeld zo op de voorgrond
dat het andere gedrag niet eens meer te sprake komt in de begeleidingsgesprekken.
De GIH (Globale Indicatielijst Hechting) is een vragenlijst die een
globaal beeld geeft van het hechtingsgedrag in het pleeggezin. Bij
vermoedens van aandacht- en concentratiestoornissen wordt pleegouders
soms gevraagd om de AVL (ADHD vragenlijst) in te vullen. Ook de leerkracht
kan gevraagd worden om informatie te geven via dergelijke lijsten.
De deskundigheid en beleving van de omstanders kan veel gedrag verklaren,
juist als dit niet duidelijk in een onderzoek naar voren komt. Pleegouders
kunnen bijvoorbeeld vertellen hoe het kind omgaat met leeftijdgenootjes,
in de onderzoekssituatie kan het kind slechts aangeven hoe het de
omgang beleeft. Een ander voordeel van de CBCL-lijst is dat het gedrag
wordt vergeleken met leeftijdgenoten en duidelijk wordt of het werkelijk
problematisch gedrag is of bijvoorbeeld gebonden aan de leeftijdsfase.
Als een kind zich gaat afzetten tegen pleegouders is dat zorgelijker
bij 8 jaar dan bij 15 jaar.
Een uitgebreide anamnese (ontwikkelingsgeschiedenis) over zwangerschap,
bevalling, medische complicaties, een vertraagde ontwikkeling en erfelijke
ziekten is soms ook verhelderend in het vaststellen van de oorzaak
van bepaald gedrag. Ook hierbij zijn wij afhankelijk van informatie
van derden.
Het onderzoek
Als de nodige voorinformatie is verkregen en de onderzoeksvraag ontvangen
is wordt er een afspraak gemaakt voor het eigenlijke onderzoek. In
de voorbereiding bij jongere kinderen vanaf 4 jaar kan gezegd worden
dat het werkjes gaat doen. Voor de meeste kinderen is een onderzoek
inspannend en wordt er best het een en ander gevraagd aan inzet en
concentratie. De reden van het onderzoek kan bijvoorbeeld genoemd
worden in de zin van: 'We merken dat je snel boos wordt en we willen
kijken hoe we kunnen helpen dat je wat rustiger wordt, want we weten
dat het voor jou erg moeilijk is'. Bij oudere kinderen kunnen de problemen
wat specifieker worden genoemd zolang het maar als een hulpvraag wordt
geformuleerd en niet als een verwijt of klacht.
De eerste onderzoeksafspraak zal bijna altijd bestaan uit een intelligentietest.
Dit ligt voor de hand als er leerproblemen bestaan op school, maar
ook als het gaat om algemene gedragsproblemen is de intelligentie
van belang bij het interpreteren van de gegevens. De vraag of het
kind zo ongehoorzaam is omdat het niet wil of omdat het niet begrijpt
wat er gezegd wordt maakt een wereld van verschil. Pas als je weet
waarom het kind ongehoorzaam is kun je bekijken wat de beste benadering
is.
In het tweede onderzoek staat vooral de sociaal-emotionele beleving
centraal. Met behulp van verhaaltjes, spel en tekeningen kan het kind
veel van zijn belevingswereld laten zien zonder dat er expliciet gesproken
hoeft te worden over de problemen die er spelen. Evengoed zal een
gesprekje onderdeel zijn van het onderzoek, maar hier ligt niet de
nadruk op. Het verwoorden van gevoelens en gedachten valt voor sommige
volwassenen al niet mee, voor kinderen die problemen hebben is het
vaak helemaal een warboel. Vanaf 9 jaar is er ook de mogelijkheid
om gebruik te maken van vragenlijsten waarbij de kinderen een beeld
van zichzelf geven en hun sociale beleving. De score wordt ook hierbij
vergeleken met leeftijdgenoten. Soms is de beleving van een kind anders
dan de beleving die pleegouders hebben of wat de realiteit laat zien.
Een kind kan bijvoorbeeld vertellen dat het altijd zoveel leuke dingen
doet met zijn ouders, terwijl pleegouders aangeven dat de laatste
bezoeken niet zijn doorgegaan omdat ze op het laatste moment werden
afgezegd. Door deze informatie naast elkaar te leggen is er onder
andere een beter beeld te krijgen van de loyaliteitgevoelens die een
kind heeft. De beleving van een kind heeft dus wel degelijk zijn waarde.
Zowel het intelligentieonderzoek als het persoonlijkheidsonderzoek
duren ongeveer 212 uur.
Soms wordt er naar aanleiding van het intelligentieonderzoek een
extra onderzoek aangevraagd. Als de intelligentiescores onderling
grote verschillen laten zien of als er een specifieke uitval is op
één gebied, dan is het zinvol om neuropsychologisch
onderzoek te doen. Ook deze mogelijkheid hebben wij in huis. Met behulp
van specifieke vaardigheidstestjes wordt gekeken of er tekorten zijn
in neuropsychologische vaardigheden die belemmerend werken in de ontwikkeling.
Bij vermoedens van kinder- en jeugdpsychiatrische problematiek zoals
autisme, depressie, psychose, ticstoornissen en/ of behoefte aan medicamenteuze
ondersteuning kan een onderzoek worden gedaan door de kinder- en jeugdpsychiater.
Verslag en advies
Na afloop van het onderzoek wordt er een verslag gemaakt waarin de
observaties tijdens het onderzoek worden beschreven; was het kind
gespannen, fit, onrustig, timide, enz.. Vervolgens komen de scores
van het intelligentieonderzoek en een beeld op grond van de overige
onderzoeksgegevens aan de orde. Bij de samenvatting en conclusie wordt
alle informatie geïntegreerd tot een geheel waarbij het gedrag
wordt verklaard en er handvatten worden gegeven hoe met dit gedrag
om te gaan. Soms vraagt dit een aanpassing van de pleegouders, soms
wordt individuele of groepstherapie noodzakelijk geacht.
Volgend op het onderzoek vindt er een adviesgesprek plaats met pleegouders
en pleegzorgbegeleider. Dit gesprek geeft vaak wederzijdse herkenning
van het gedrag dat een kind laat zien. Het voornaamste doel is dat
er door het onderzoek puzzelstukjes op hun plek vallen, het gedrag
een betekenis krijgt. Ook belangrijk is dat pleegouders zich kunnen
gaan vinden in de voorgestelde adviezen, zij zijn immers degenen die
grotendeels de uitvoering moeten verzorgen. Vragen kunnen altijd gesteld
worden en soms volgt er een adviesgesprek met school om de onderzoeksresultaten
toe te lichten.
Het diagnostiekteam is ondersteunend in het werk van de pleegzorgbegeleiders
en pleegouders. Het vinden van nieuwe ingangen en het bieden van handvatten
bij een stagnerende ontwikkeling is door een onderzoek vaak weer mogelijk.
Ook omdat de onderzoeker met minder persoonlijke betrokkenheid naar
het kind kijkt.
Uit de reacties van de maatschappelijk werkers en pleegouders blijkt
dat het team voor het Centrum voor Pleegzorg in Rotterdam duidelijk
in een behoefte voorziet. We hopen dat op grond van onze ervaring
meer mogelijkheden voor onderzoek gecreëerd zullen worden binnen
de pleegzorg.
E.I.D. Liesveld-Rigtering is Orthopedagoog/ gz-psycholoog bij het
Diagnostiekteam Centrum voor Pleegzorg Rotterdam