artikel uit Mobiel 6, december 2000/januari 2001

Diagnostiek in de pleegzorg

Door: E. I. D. Liesveld-Rigtering, orthopedagoog

EEN KIND DAT IN EEN PLEEGGEZIN WORDT OPGENOMEN HEEFT VAAK AL HET EEN EN ANDER MEEGEMAAKT. DAT DIT VERLEDEN CONSEQUENTIES HEEFT VOOR JE AANPAK ALS PLEEGOUDER SPREEKT VAAK VOOR ZICH. MAAR WAT ALS HET PLEEGKIND ONDANKS ALLE LIEFDE EN AANDACHT BIJVOORBEELD DRUK BLIJFT. MOGELIJK IS ER SPRAKE VAN ADHD? OF ZOU OOK EEN GEVOLG KUNNEN ZIJN VAN EEN STERK ONDERLIGGENDE ANGST WAARBIJ HET KIND VOORTDUREND HET GEVOEL HEEFT VAN ALLES IN DE GATEN TE MOETEN HOUDEN? IN HET EERSTE GEVAL ZAL ER GEKEKEN KUNNEN WORDEN NAAR ONDERSTEUNING MET MEDICIJNEN, IN HET TWEEDE GEVAL KAN EEN VORM VAN THERAPIE EERDER OP ZIJN PLEK ZIJN. WAT NU DE BESTE AANPAK IS, IS STERK AFHANKELIJK VAN DE KENNIS OVER DE OORZAAK. DAARVOOR IS ONDERZOEK EN EEN DIAGNOSE NODIG. HET CENTRUM VOOR PLEEGZORG IN ROTTERDAM BESCHIKT SINDS ENIGE TIJD OVER EEN EIGEN DIAGNOSTIEKTEAM MET SPECIFIEKE KENNIS OVER PLEEGKINDEREN.

Steeds meer pleegouders krijgen tegenwoordig te maken met een onderzoek naar gedragsproblemen bij hun pleegkind.
Hulpverleners zijn van mening dat er pas goed hulp verleend kan worden als duidelijk is waar de (gedrags)problemen vandaan komen, en daarvoor is onderzoek nodig. Voorheen werd bij het Centrum voor Pleegzorg in Rotterdam, met uitzondering van de TGV, dat onderzoek aangevraagd bij externe bureaus. De wachtlijsten voor een dergelijk onderzoek waren soms lang en er was minder specifieke kennis over pleegkinderen. Daarom is intern een speciaal team samengesteld, het zogenaamde 'diagnostiekteam'. Dit team bestaat uit een kinder- en jeugdpsychiater, drie psychologen en een orthopedagoge. Het team is beschikbaar voor het hele Centrum voor Pleegzorg.
Een onderzoek wordt altijd aangevraagd door de pleegzorgbegeleider. De vragen voor het onderzoek worden in overleg met de pleegouders opgesteld. Belangrijk is dat de gezaghebbende personen toestemming geven voor het onderzoek. Dit gaat meestal via de gezinsvoogd.
Het onderzoek vindt in principe plaats in het Centrum voor Pleegzorg. Dit is belangrijk om aan de testvoorwaarden te voldoen. Bij kinderen onder de 3 jaar gaan we veelal naar het pleeggezin toe, omdat het voor hen mogelijk te bedreigend is om uit hun vertrouwde omgeving te worden gehaald.

De voorbereiding

De rol van de pleegouders bij het onderzoek bestaat in de eerste plaats uit de voorbereiding en opvang van het pleegkind. Zij zullen niet bij het onderzoek zelf aanwezig zijn, tenzij het kind jonger is dan 3 jaar. Daarnaast zijn pleegouders belangrijk voor het geven van een extra stuk informatie. Door de dagelijkse omgang met het kind weten pleegouders vaak al heel veel te vertellen over het kind dat van belang kan zijn bij de interpretatie van onderzoeksgegevens. Deze informatie staat vaak al in de dossiers of kan de pleegzorgbegeleider verstrekken, maar soms wordt er ook gebruik gemaakt van specifieke vragenlijsten. Een voorbeeld hiervan is de CBCL-gedragsvragenlijst (Child Behavior CheckList). Het prettige van deze lijst is dat er heel veel verschillende gedragingen worden genoemd waardoor de kans klein is dat bepaald gedrag over het hoofd wordt gezien. Soms kan gedrag al zo vanzelfsprekend zijn dat je je als pleegouder niet eens meer realiseert dat dit niet bij de leeftijd van het kind past. Of het aandachtvragende gedrag staat bijvoorbeeld zo op de voorgrond dat het andere gedrag niet eens meer te sprake komt in de begeleidingsgesprekken. De GIH (Globale Indicatielijst Hechting) is een vragenlijst die een globaal beeld geeft van het hechtingsgedrag in het pleeggezin. Bij vermoedens van aandacht- en concentratiestoornissen wordt pleegouders soms gevraagd om de AVL (ADHD vragenlijst) in te vullen. Ook de leerkracht kan gevraagd worden om informatie te geven via dergelijke lijsten. De deskundigheid en beleving van de omstanders kan veel gedrag verklaren, juist als dit niet duidelijk in een onderzoek naar voren komt. Pleegouders kunnen bijvoorbeeld vertellen hoe het kind omgaat met leeftijdgenootjes, in de onderzoekssituatie kan het kind slechts aangeven hoe het de omgang beleeft. Een ander voordeel van de CBCL-lijst is dat het gedrag wordt vergeleken met leeftijdgenoten en duidelijk wordt of het werkelijk problematisch gedrag is of bijvoorbeeld gebonden aan de leeftijdsfase. Als een kind zich gaat afzetten tegen pleegouders is dat zorgelijker bij 8 jaar dan bij 15 jaar.

Een uitgebreide anamnese (ontwikkelingsgeschiedenis) over zwangerschap, bevalling, medische complicaties, een vertraagde ontwikkeling en erfelijke ziekten is soms ook verhelderend in het vaststellen van de oorzaak van bepaald gedrag. Ook hierbij zijn wij afhankelijk van informatie van derden.

Het onderzoek

Als de nodige voorinformatie is verkregen en de onderzoeksvraag ontvangen is wordt er een afspraak gemaakt voor het eigenlijke onderzoek. In de voorbereiding bij jongere kinderen vanaf 4 jaar kan gezegd worden dat het werkjes gaat doen. Voor de meeste kinderen is een onderzoek inspannend en wordt er best het een en ander gevraagd aan inzet en concentratie. De reden van het onderzoek kan bijvoorbeeld genoemd worden in de zin van: 'We merken dat je snel boos wordt en we willen kijken hoe we kunnen helpen dat je wat rustiger wordt, want we weten dat het voor jou erg moeilijk is'. Bij oudere kinderen kunnen de problemen wat specifieker worden genoemd zolang het maar als een hulpvraag wordt geformuleerd en niet als een verwijt of klacht.

De eerste onderzoeksafspraak zal bijna altijd bestaan uit een intelligentietest. Dit ligt voor de hand als er leerproblemen bestaan op school, maar ook als het gaat om algemene gedragsproblemen is de intelligentie van belang bij het interpreteren van de gegevens. De vraag of het kind zo ongehoorzaam is omdat het niet wil of omdat het niet begrijpt wat er gezegd wordt maakt een wereld van verschil. Pas als je weet waarom het kind ongehoorzaam is kun je bekijken wat de beste benadering is.

In het tweede onderzoek staat vooral de sociaal-emotionele beleving centraal. Met behulp van verhaaltjes, spel en tekeningen kan het kind veel van zijn belevingswereld laten zien zonder dat er expliciet gesproken hoeft te worden over de problemen die er spelen. Evengoed zal een gesprekje onderdeel zijn van het onderzoek, maar hier ligt niet de nadruk op. Het verwoorden van gevoelens en gedachten valt voor sommige volwassenen al niet mee, voor kinderen die problemen hebben is het vaak helemaal een warboel. Vanaf 9 jaar is er ook de mogelijkheid om gebruik te maken van vragenlijsten waarbij de kinderen een beeld van zichzelf geven en hun sociale beleving. De score wordt ook hierbij vergeleken met leeftijdgenoten. Soms is de beleving van een kind anders dan de beleving die pleegouders hebben of wat de realiteit laat zien. Een kind kan bijvoorbeeld vertellen dat het altijd zoveel leuke dingen doet met zijn ouders, terwijl pleegouders aangeven dat de laatste bezoeken niet zijn doorgegaan omdat ze op het laatste moment werden afgezegd. Door deze informatie naast elkaar te leggen is er onder andere een beter beeld te krijgen van de loyaliteitgevoelens die een kind heeft. De beleving van een kind heeft dus wel degelijk zijn waarde. Zowel het intelligentieonderzoek als het persoonlijkheidsonderzoek duren ongeveer 212 uur.

Soms wordt er naar aanleiding van het intelligentieonderzoek een extra onderzoek aangevraagd. Als de intelligentiescores onderling grote verschillen laten zien of als er een specifieke uitval is op één gebied, dan is het zinvol om neuropsychologisch onderzoek te doen. Ook deze mogelijkheid hebben wij in huis. Met behulp van specifieke vaardigheidstestjes wordt gekeken of er tekorten zijn in neuropsychologische vaardigheden die belemmerend werken in de ontwikkeling.
Bij vermoedens van kinder- en jeugdpsychiatrische problematiek zoals autisme, depressie, psychose, ticstoornissen en/ of behoefte aan medicamenteuze ondersteuning kan een onderzoek worden gedaan door de kinder- en jeugdpsychiater.

Verslag en advies

Na afloop van het onderzoek wordt er een verslag gemaakt waarin de observaties tijdens het onderzoek worden beschreven; was het kind gespannen, fit, onrustig, timide, enz.. Vervolgens komen de scores van het intelligentieonderzoek en een beeld op grond van de overige onderzoeksgegevens aan de orde. Bij de samenvatting en conclusie wordt alle informatie geïntegreerd tot een geheel waarbij het gedrag wordt verklaard en er handvatten worden gegeven hoe met dit gedrag om te gaan. Soms vraagt dit een aanpassing van de pleegouders, soms wordt individuele of groepstherapie noodzakelijk geacht.

Volgend op het onderzoek vindt er een adviesgesprek plaats met pleegouders en pleegzorgbegeleider. Dit gesprek geeft vaak wederzijdse herkenning van het gedrag dat een kind laat zien. Het voornaamste doel is dat er door het onderzoek puzzelstukjes op hun plek vallen, het gedrag een betekenis krijgt. Ook belangrijk is dat pleegouders zich kunnen gaan vinden in de voorgestelde adviezen, zij zijn immers degenen die grotendeels de uitvoering moeten verzorgen. Vragen kunnen altijd gesteld worden en soms volgt er een adviesgesprek met school om de onderzoeksresultaten toe te lichten.

Het diagnostiekteam is ondersteunend in het werk van de pleegzorgbegeleiders en pleegouders. Het vinden van nieuwe ingangen en het bieden van handvatten bij een stagnerende ontwikkeling is door een onderzoek vaak weer mogelijk. Ook omdat de onderzoeker met minder persoonlijke betrokkenheid naar het kind kijkt.

Uit de reacties van de maatschappelijk werkers en pleegouders blijkt dat het team voor het Centrum voor Pleegzorg in Rotterdam duidelijk in een behoefte voorziet. We hopen dat op grond van onze ervaring meer mogelijkheden voor onderzoek gecreëerd zullen worden binnen de pleegzorg.

E.I.D. Liesveld-Rigtering is Orthopedagoog/ gz-psycholoog bij het Diagnostiekteam Centrum voor Pleegzorg Rotterdam