IN DE PLEEGZORG KOMT MEN MET ENIGE REGELMAAT DE AANDUIDING 'GROOT
PLEEGGEZIN' TEGEN. HET IS NIET ALTIJD DUIDELIJK WAT HIERMEE WORDT
BEDOELD. ER ZINGEN NOGAL WAT NOGAL VERSCHILLENDE INTERPRETATIES VAN
HET BEGRIP 'GROOT PLEEGGEZIN' ROND. VOOR DE REDACTIE EEN REDEN OM
DE WET ER OP NA TE SLAAN. WELKE FORMELE OMSCHRIJVING HANTEERT DE WET,
EN HOE LUIDT DE TOELICHTING OP HET BEGRIP GROOT PLEEGGEZIN?
De wet
In artikel 35 van de Wet op de Jeugdhulp-verlening heeft de Minister
de bevoegdheid gekregen om nadere eisen te stellen in verband met
de kwaliteit van de hulpverlening. Dit artikel geeft ook aan op welke
aspecten de Minister dit kan doen.
In 1990 heeft de Minister bij Koninklijk Besluit de kwaliteitsregels
jeugdhulpverlening vastgesteld. Deze zijn in 1997 voor het laatst
gewijzigd. Het tweede lid van artikel 19 luidt:
In een pleeggezin worden niet meer dan drie pleegkinderen opgenomen,
tenzij de voorziening voor pleegzorg of de instelling voor therapeutische
gezinsverpleging aan onze minister die het aangaat aannemelijk maakt
dat plaatsing in een pleeggezin, waar al drie of meer kinderen zijn
geplaatst, verantwoord is.
In de nota van toelichting staat in de toelichting op dit artikel
vermeld:
'Bij pleegzorg gaat het om in het kader van hulpverlening onder
verantwoordelijkheid van de voorziening door particulieren geboden
opvoeding en verzorging in de huiselijke sfeer. Uitgangspunt is
dat niet meer dan drie pleegkinderen in één pleeggezin
dienen te worden geplaatst. Bij pleeggezinnen, waar meer dan drie
jeugdigen worden opgenomen, kan de grens tussen pleegzorg en andere
vormen van hulpverlening in het geding zijn en daarenboven mag het
niet zo zijn dat het pleeggezin voor wat betreft de huisvestingssituatie
in financieel opzicht afhankelijk wordt van pleegvergoedingen. Bovendien
behoeft bijplaatsing in relatie tot de al in het pleeggezin verblijvende
jeugdigen de aandacht. Van de regel kan worden afgeweken indien
de voorziening voor pleegzorg in het hulpverleningsplan aannemelijk
maakt, dat plaatsing in een pleeggezin waar al drie of meer kinderen
aanwezig zijn, verantwoord is. Indien meerdere voorzieningen voor
pleegzorg gebruik maken van hetzelfde pleeggezin, is het belangrijk
dat onderling contact wordt gehouden. Daarbij zal bezien moeten
worden of de pedagogische draagkracht van de pleegouders en diens
huisvesting bijplaatsing wel mogelijk maken.
De wet heeft door het stellen van een kwaliteitseis een grens gelegd
bij drie pleegkinderen. In de praktijk is men daardoor een pleeggezin
met vier of meer pleegkinderen een groot pleeggezin gaan noemen. Erg
consequent is dat gebruik niet, want bij gezinshuizen die in de regel
vier plaatsingen hebben, wordt vrijwel nooit gesproken over een groot
pleeggezin. We komen hierop terug.
Uitvoering in de praktijk
Pleegzorg kent een lange geschiedenis. In de periode voor de oorlog
en ook vlak daarna werd pleegzorg ook gedaan vanuit economische motieven,
bijvoorbeeld als goedkope hulp bij het agrarisch bedrijf. Na de oorlog
is pleegzorg steeds meer een zelfstandige vorm van jeugdhulpverlening
geworden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bij de uitwerking
van de Wet op de Jeugdhulpverlening eisen worden gesteld aan de kwaliteit
van pleegzorg. Naast eisen aan pleegouders zoals leeftijdseisen, zijn
er ook eisen geformuleerd aan het plaatsingsbeleid van de Voorzieningen
voor Pleeg-zorg. Meer dan drie pleegkinderen in één
gezin vond men een grens. Die grens passeren werd moeilijk gemaakt
doordat het Ministerie toentertijd toestemming moest geven. In praktijk
kwam het er op neer dat het Ministerie deze toestemming meestal gaf
als alle betrokken plaatsers akkoord gingen met de vierde plaatsing.
Na de decentralisatie van de jeugdhulpverlening wordt het Ministerie
niet meer om toestemming gevraagd voor een vierde en volgende plaatsing.
In feite is er echter niets veranderd want bij iedere plaatsing in
een gezin, of het de eerste of de vierde is maakt niet uit, moet de
plaatser uiteindelijk goedkeuring geven. Hij is er verantwoordelijk
voor een zo goed mogelijke uitvoering van het hulpverleningsplan.
Als door een bijplaatsing in een pleeggezin de plaatser van mening
is dat de opvoeding en verzorging van zijn pupil in gedrang kan komen,
dan zal hij die plaatsing niet goedkeuren. Voorwaarde daarvoor is
dan wel dat hij duidelijke en objectieve argumenten heeft. Het is
dus niet zo dat een pleeggezin een 'recht' zou hebben op tenminste
drie pleegkinderen. Elke plaatsing, zowel de eerste als volgende plaatsingen,
verdient een afweging van alle betrokkenen: de pleegouders, hun kinderen
en pleegkinderen, de ouders van het kind, de Voor- ziening voor Pleegzorg
en de plaatser. De betrokkenen hebben geen gelijke stem in het plaatsingsproces,
maar hun instemming bij de plaatsing kan van wezenlijk belang zijn
voor het succes van de plaatsing en dat is waar het om gaat.
Een ander aspect dat in de discussie over grote pleeggezinnen vaak
aan de orde komt is dat een groot pleeggezin meer mogelijkheden zou
bieden aan pleegkinderen om zich evenwichtig te ontwikkelen dan kleinere
gezinnen. Deze stelling wordt vaak gebruikt. Ten onrechte, want het
gaat er niet om welke vorm van pleeggezin beter of slechter is. De
kern van het plaatsingsproces is in welk gezin kan het hulpverleningsplan
zo goed mogelijk worden uitgevoerd. Dit eist van de plaatser dat hij
weet welke soort van hulpverlening het kind vraagt, wat voor een gezin
daar zou bij horen en op welke manier dat gezin begeleid zou moeten
worden. Van de pleegouders kan gevraagd worden dat zij weten wat zij
aan kunnen en wat niet, wat hun kinderen aan kunnen en wat niet. De
pleegzorgbegeleider zal ook de zwakke en sterke kanten van het pleeggezin
moeten kennen, zodat hij hiermee rekening houdt in zijn begeleiding.
Als een kind in een pleeggezin komt, kost het veel tijd en energie
om dat kind een veilige plek in zijn nieuwe omgeving te bieden. Het
duurt lang voor alle onrust, crisis en angst een plekje heeft gekregen
en het leven voor iedereen weer hanteerbaar is. Gewoonlijk is hier
een termijn van twee jaar voor nodig en daarna kan pas overwogen worden
of een bijplaatsing verantwoord is voor het nieuw te plaatsen kind.
Zo kan het best zijn dat bijplaatsing in een gezin waar één
pleegkind is om allerlei reden niet verantwoord is, terwijl in een
ander gezin het plaatsen van een vierde kind wel verantwoord is.
Gezinshuizen
Niet alle kinderen gedijen in een pleeggezin. Soms zit de zorg en
aandacht het kind te dicht op de huid. Voor deze kinderen bestaan
allerlei vormen van gezinsachtige opvang zoals gezinshuizen en gezinsgroepen.
Dit zijn kleinschalige vormen van hulpverlening met 4 tot 6 kinderen
per woonhuis. Meestal is er sprake van een inwonend echtpaar met een
of twee eigen kinderen en een aantal pleegkinderen. Een van de twee
pleegouders wordt door de instelling betaald en de ander wordt geacht
een inkomen buitenshuis te verdienen. Verder is er vaak voor een uur
of 20 per week een parttime groepsleidster, die eens in de maand een
weekend werkt en op drukke momenten van de dag een paar uur extra
ondersteuning geeft. Ook is er veelal huishoudelijke hulp. Tot slot
is er een team met bijvoorbeeld een maatschappelijk werker, orthopedagoog
en teamleider dat met de pleegouders de ontwikkelingen van de kinderen
stuurt en begeleidt. We moeten ons goed realiseren dat het overgrote
deel van deze vormen van pleegzorg ontstaan zijn binnen residentiële
voorzieningen. Dit betekent dat voor deze vorm van pleegzorg de kwaliteitseisen
voor residentiële voorzieningen gelden, en niet die voor pleegzorg.
De bovengrens van drie pleegkinderen geldt hier formeel niet, maar
ook bij gezinshuizen is de aard van de hulpvraag van het kind bepalend
voor het aantal plaatsingen. Ook hier spelen de sterke en zwakke kanten
van de gezinshuisouders een rol, en ook hier is de intensiteit van
begeleiding een mede bepalende factor.