artikel uit Mobiel 6, december 2000/januari 2001

Grote pleeggezinnen

Door: Willemien Kronenberg

IN DE PLEEGZORG KOMT MEN MET ENIGE REGELMAAT DE AANDUIDING 'GROOT PLEEGGEZIN' TEGEN. HET IS NIET ALTIJD DUIDELIJK WAT HIERMEE WORDT BEDOELD. ER ZINGEN NOGAL WAT NOGAL VERSCHILLENDE INTERPRETATIES VAN HET BEGRIP 'GROOT PLEEGGEZIN' ROND. VOOR DE REDACTIE EEN REDEN OM DE WET ER OP NA TE SLAAN. WELKE FORMELE OMSCHRIJVING HANTEERT DE WET, EN HOE LUIDT DE TOELICHTING OP HET BEGRIP GROOT PLEEGGEZIN?

De wet

In artikel 35 van de Wet op de Jeugdhulp-verlening heeft de Minister de bevoegdheid gekregen om nadere eisen te stellen in verband met de kwaliteit van de hulpverlening. Dit artikel geeft ook aan op welke aspecten de Minister dit kan doen.
In 1990 heeft de Minister bij Koninklijk Besluit de kwaliteitsregels jeugdhulpverlening vastgesteld. Deze zijn in 1997 voor het laatst gewijzigd. Het tweede lid van artikel 19 luidt:

In een pleeggezin worden niet meer dan drie pleegkinderen opgenomen, tenzij de voorziening voor pleegzorg of de instelling voor therapeutische gezinsverpleging aan onze minister die het aangaat aannemelijk maakt dat plaatsing in een pleeggezin, waar al drie of meer kinderen zijn geplaatst, verantwoord is.

In de nota van toelichting staat in de toelichting op dit artikel vermeld:

'Bij pleegzorg gaat het om in het kader van hulpverlening onder verantwoordelijkheid van de voorziening door particulieren geboden opvoeding en verzorging in de huiselijke sfeer. Uitgangspunt is dat niet meer dan drie pleegkinderen in één pleeggezin dienen te worden geplaatst. Bij pleeggezinnen, waar meer dan drie jeugdigen worden opgenomen, kan de grens tussen pleegzorg en andere vormen van hulpverlening in het geding zijn en daarenboven mag het niet zo zijn dat het pleeggezin voor wat betreft de huisvestingssituatie in financieel opzicht afhankelijk wordt van pleegvergoedingen. Bovendien behoeft bijplaatsing in relatie tot de al in het pleeggezin verblijvende jeugdigen de aandacht. Van de regel kan worden afgeweken indien de voorziening voor pleegzorg in het hulpverleningsplan aannemelijk maakt, dat plaatsing in een pleeggezin waar al drie of meer kinderen aanwezig zijn, verantwoord is. Indien meerdere voorzieningen voor pleegzorg gebruik maken van hetzelfde pleeggezin, is het belangrijk dat onderling contact wordt gehouden. Daarbij zal bezien moeten worden of de pedagogische draagkracht van de pleegouders en diens huisvesting bijplaatsing wel mogelijk maken.

De wet heeft door het stellen van een kwaliteitseis een grens gelegd bij drie pleegkinderen. In de praktijk is men daardoor een pleeggezin met vier of meer pleegkinderen een groot pleeggezin gaan noemen. Erg consequent is dat gebruik niet, want bij gezinshuizen die in de regel vier plaatsingen hebben, wordt vrijwel nooit gesproken over een groot pleeggezin. We komen hierop terug.

Uitvoering in de praktijk

Pleegzorg kent een lange geschiedenis. In de periode voor de oorlog en ook vlak daarna werd pleegzorg ook gedaan vanuit economische motieven, bijvoorbeeld als goedkope hulp bij het agrarisch bedrijf. Na de oorlog is pleegzorg steeds meer een zelfstandige vorm van jeugdhulpverlening geworden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bij de uitwerking van de Wet op de Jeugdhulpverlening eisen worden gesteld aan de kwaliteit van pleegzorg. Naast eisen aan pleegouders zoals leeftijdseisen, zijn er ook eisen geformuleerd aan het plaatsingsbeleid van de Voorzieningen voor Pleeg-zorg. Meer dan drie pleegkinderen in één gezin vond men een grens. Die grens passeren werd moeilijk gemaakt doordat het Ministerie toentertijd toestemming moest geven. In praktijk kwam het er op neer dat het Ministerie deze toestemming meestal gaf als alle betrokken plaatsers akkoord gingen met de vierde plaatsing. Na de decentralisatie van de jeugdhulpverlening wordt het Ministerie niet meer om toestemming gevraagd voor een vierde en volgende plaatsing. In feite is er echter niets veranderd want bij iedere plaatsing in een gezin, of het de eerste of de vierde is maakt niet uit, moet de plaatser uiteindelijk goedkeuring geven. Hij is er verantwoordelijk voor een zo goed mogelijke uitvoering van het hulpverleningsplan. Als door een bijplaatsing in een pleeggezin de plaatser van mening is dat de opvoeding en verzorging van zijn pupil in gedrang kan komen, dan zal hij die plaatsing niet goedkeuren. Voorwaarde daarvoor is dan wel dat hij duidelijke en objectieve argumenten heeft. Het is dus niet zo dat een pleeggezin een 'recht' zou hebben op tenminste drie pleegkinderen. Elke plaatsing, zowel de eerste als volgende plaatsingen, verdient een afweging van alle betrokkenen: de pleegouders, hun kinderen en pleegkinderen, de ouders van het kind, de Voor- ziening voor Pleegzorg en de plaatser. De betrokkenen hebben geen gelijke stem in het plaatsingsproces, maar hun instemming bij de plaatsing kan van wezenlijk belang zijn voor het succes van de plaatsing en dat is waar het om gaat.

Een ander aspect dat in de discussie over grote pleeggezinnen vaak aan de orde komt is dat een groot pleeggezin meer mogelijkheden zou bieden aan pleegkinderen om zich evenwichtig te ontwikkelen dan kleinere gezinnen. Deze stelling wordt vaak gebruikt. Ten onrechte, want het gaat er niet om welke vorm van pleeggezin beter of slechter is. De kern van het plaatsingsproces is in welk gezin kan het hulpverleningsplan zo goed mogelijk worden uitgevoerd. Dit eist van de plaatser dat hij weet welke soort van hulpverlening het kind vraagt, wat voor een gezin daar zou bij horen en op welke manier dat gezin begeleid zou moeten worden. Van de pleegouders kan gevraagd worden dat zij weten wat zij aan kunnen en wat niet, wat hun kinderen aan kunnen en wat niet. De pleegzorgbegeleider zal ook de zwakke en sterke kanten van het pleeggezin moeten kennen, zodat hij hiermee rekening houdt in zijn begeleiding. Als een kind in een pleeggezin komt, kost het veel tijd en energie om dat kind een veilige plek in zijn nieuwe omgeving te bieden. Het duurt lang voor alle onrust, crisis en angst een plekje heeft gekregen en het leven voor iedereen weer hanteerbaar is. Gewoonlijk is hier een termijn van twee jaar voor nodig en daarna kan pas overwogen worden of een bijplaatsing verantwoord is voor het nieuw te plaatsen kind. Zo kan het best zijn dat bijplaatsing in een gezin waar één pleegkind is om allerlei reden niet verantwoord is, terwijl in een ander gezin het plaatsen van een vierde kind wel verantwoord is.

Gezinshuizen

Niet alle kinderen gedijen in een pleeggezin. Soms zit de zorg en aandacht het kind te dicht op de huid. Voor deze kinderen bestaan allerlei vormen van gezinsachtige opvang zoals gezinshuizen en gezinsgroepen. Dit zijn kleinschalige vormen van hulpverlening met 4 tot 6 kinderen per woonhuis. Meestal is er sprake van een inwonend echtpaar met een of twee eigen kinderen en een aantal pleegkinderen. Een van de twee pleegouders wordt door de instelling betaald en de ander wordt geacht een inkomen buitenshuis te verdienen. Verder is er vaak voor een uur of 20 per week een parttime groepsleidster, die eens in de maand een weekend werkt en op drukke momenten van de dag een paar uur extra ondersteuning geeft. Ook is er veelal huishoudelijke hulp. Tot slot is er een team met bijvoorbeeld een maatschappelijk werker, orthopedagoog en teamleider dat met de pleegouders de ontwikkelingen van de kinderen stuurt en begeleidt. We moeten ons goed realiseren dat het overgrote deel van deze vormen van pleegzorg ontstaan zijn binnen residentiële voorzieningen. Dit betekent dat voor deze vorm van pleegzorg de kwaliteitseisen voor residentiële voorzieningen gelden, en niet die voor pleegzorg. De bovengrens van drie pleegkinderen geldt hier formeel niet, maar ook bij gezinshuizen is de aard van de hulpvraag van het kind bepalend voor het aantal plaatsingen. Ook hier spelen de sterke en zwakke kanten van de gezinshuisouders een rol, en ook hier is de intensiteit van begeleiding een mede bepalende factor.